Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO5000

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-03-2004
Datum publicatie
08-03-2004
Zaaknummer
20.003165.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte en [medeverdachten 1 en 2] hebben op 23 maart 2003 een gewapende overval gepleegd op de woning van de eigenaren van een restaurant in Roosendaal. Zij wisten namelijk dat in die woning een aanzienlijk geldbedrag aanwezig zou zijn. Zoals afgesproken bleef verdachte in de auto wachten, terwijl [medeverdachten 1 en 2] bij de woning aanbelden. Nadat de oppas, [slachtoffer 1] de deur had opengedaan, zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de woning binnengedrongen en hebben bruut geweld toegepast op die [slachtoffer 1]. Zij hebben haar onder andere met een ijzeren staaf meermalen op haar hoofd geslagen en met een mes in haar buik gestoken. Ook hebben zij haar en één van de kinderen, [slachtoffer 2] (het andere kind had zich namelijk weten te verstoppen), met tape vastgebonden. Na deze verwerpelijke en lafhartige daad hebben de medeverdachten van verdachte de woning verlaten o.a. met een kluis met daarin 20.000 euro.

Het hof heeft verdacht veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 20.003165.03

datum uitspraak: 2 maart 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Breda van 22 september 2003 in de strafzaak onder parketnummer 02/004280-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1968,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring P.I. Dordtse Poorten te Dordrecht.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 23 maart 2003 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een ijzeren staaf, althans een breekijzer, althans een bandenlichter, meermalen, althans eenmaal, op haar hoofd en/of haar lichaam heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer 1] met een mes meermalen, althans eenmaal in haar buik en/of haar lichaam heeft/hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit,

te weten de diefstal van een kluis (onder meer inhoudende een geldbedrag van 20.000 Euro, althans enig geldbedrag) en/of vier, althans een of meer jas(sen) en/of een of meer koffer(s), in elk geval enig(e) goed(eren), toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of voornoemde [slachtoffer 1], althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, gepleegd tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of een of meer van zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [slachtoffer 1] bij haar keel heeft/hebben gepakt en/of een mes op de keel van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet en/of

- met een hand de ogen van die [slachtoffer 1] heeft/hebben bedekt en/of

- die [slachtoffer 1] bij haar lichaam heeft/hebben vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 1] tegen de grond heeft/hebben gedrukt

-een voet op de mond van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet en/of

- de handen en/of polsen van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getaped/vastgebonden en/of

- de voeten en/of enkels van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getaped/vastgebonden en/of

- de ogen van die [slachtoffer 1] heeft/hebben afgeplakt

en/of

- de handen en/of polsen van die [slachtoffer 2] heeft/hebben getaped/vastgebonden en/of

- de voeten en/of enkels van die [slachtoffer 2] heeft/hebben getaped/vastgebonden en/of

- de ogen en/of mond van die [slachtoffer 2] heeft/hebben afgeplakt,

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit/die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemer(s) aan het feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 maart 2003 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kluis (onder meer inhoudende een geldbedrag van 20.000 Euro, althans enig geldbedrag) en/of vier, althans een of meer jas(sen) en/of twee, althans een koffer(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [slachtoffer 1], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of een of meer van zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [slachtoffer 1] bij haar keel heeft/hebben gepakt en/of een mes op de keel van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet en/of

- met een hand de ogen van die [slachtoffer 1] heeft/hebben bedekt en/of

- die [slachtoffer 1] bij haar lichaam heeft/hebben vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 1] tegen de grond heeft/hebben gedrukt en/of

- een voet op de mond van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet en/of

- de handen en/of polsen van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getaped/vastgebonden en/of

- de voeten en/of enkels van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getaped/vastgebonden en/of

- de ogen van die [slachtoffer 1] heeft/hebben afgeplakt

en/of

- de handen en/of polsen van die [slachtoffer 2] heeft/hebben getaped/vastgebonden en/of

- de voeten en/of enkels van die [slachtoffer 2] heeft/hebben getaped/vastgebonden en/of

- de ogen en/of mond van die [slachtoffer 2] heeft/hebben afgeplakt,

welk feit zwaar lichamelijk letsel van die [slachtoffer 1] (te weten een snijwond met buitenhangende darm en/of twee uitwendige darmperforaties en/of 4 inwendige darmperforaties) ten gevolge heeft gehad.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in eerste aanleg toegelaten wijzigingen begrepen.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde overweegt het hof het volgende.

Gelet op de kwalificatieve aanduiding en de daarop volgende feitelijke omschrijving, heeft de steller van de tenlastelegging kennelijk bedoeld om primair -kort gezegd- het medeplegen van gekwalificeerde doodslag ten laste te leggen. De wijze waarop hij het medeplegen in het kwalificatieve deel van het ten laste gelegde tot uitdrukking heeft gebracht is evenwel niet consequent en taalkundig onjuist. Het hof heeft dit daarom in de voorgaande weergave van de tenlastelegging verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 maart 2003 te Roosendaal tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hem, verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met zijn mededaders met dat opzet die [slachtoffer 1] met een ijzeren staaf meermalen op haar hoofd heeft geslagen en die [slachtoffer 1] met een mes in haar buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit,

te weten de diefstal van een kluis (onder meer inhoudende een geldbedrag van 20.000 Euro) en vier jassen en koffers, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd tezamen en in vereniging met anderen,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffe[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededaders:

- die [slachtoffer 1] bij haar keel hebben gepakt en een mes op de keel van die [slachtoffer 1] hebben gezet en

- met een hand de ogen van die [slachtoffer 1] hebben bedekt en

- die [slachtoffer 1] bij haar lichaam hebben vastgepakt en

- die [slachtoffer 1] tegen de grond hebben gedrukt en

- een voet op de mond van die [slachtoffer 1] hebben gezet en

- de handen en/of polsen van die [slachtoffer 1] hebben getaped/vastgebonden en

- de voeten en/of enkels van die [slachtoffer 1] hebben getaped/vastgebonden en

- de ogen van die [slachtoffer 1] hebben afgeplakt

en

- de handen en/of polsen van die [slachtoffer 2] hebben getaped/vastgebonden en

- de voeten en/of enkels van die [slachtoffer 2] hebben getaped/vastgebonden en/of

- de ogen en mond van die [slachtoffer 2] hebben afgeplakt,

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan andere deelnemers aan het feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat het opzet van verdachte niet was gericht op het doden van de in de tenlastelegging genoemde [slachtoffer 1], ook niet in voorwaardelijke zin, maar op het stelen van het geld. Het plan was om de in de woning aanwezige oppas te bedreigen met het mes om zo de diefstal van het geld voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Vooraf was niet gesproken over het daadwerkelijk gebruik van geweld. Verdachte, die bovendien niet zelf in de woning aanwezig was, wist daarom niet dat zijn medeverdachten de oppas zouden slaan met de ijzeren staaf en zouden steken met het mes, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en [medeverdachten 1 en 2] op een bepaald moment samen het plan hebben opgevat om gezamenlijk een overval te plegen op de woning van de eigenaren van een restaurant in Roosendaal. Daartoe hebben zij afspraken gemaakt, een rolverdeling uitgedacht en de nodige voorwerpen geregeld, waaronder een ijzeren staaf, een mes, handschoenen, een rol tape en geprepareerde mutsen.

Aangezien [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geen auto konden rijden en verdachte één van de eigenaren kende, werd afgesproken dat verdachte zou rijden en in de auto zou wachten, terwijl eerstgenoemden de woning zouden binnengaan.

Op de dag van de overval zijn verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk, met de genoemde voorwerpen, naar de woning gereden. Zij wisten van tevoren dat op dat moment drie personen in de woning zouden zijn, één volwassene, te weten de oppas, en twee kinderen.

Zoals afgesproken bleef verdachte in de auto wachten, terwijl [medeverdachten 1 en 2] met onder meer de ijzeren staaf, het mes en de rol tape de woning binnendrongen.

Het hof leidt uit de gebruikte bewijsmiddelen af dat verdachte wist dat zijn medeverdachten onder meer de ijzeren staaf, het mes en de rol tape bij zich hadden en dat zij het mes in ieder geval zouden gebruiken om de oppas te bedreigen en de rol tape om de oppas en/of de kinderen vast te binden, een en ander om de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, dat was immers onderdeel van het afgesproken plan.

Door de bovenomschreven handelwijze hebben verdachte en zijn medeverdachten zich naar het oordeel van het hof willens en wetens in de situatie begeven, waarin -naar algemene ervaringsregels- ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat een of meer van de in de woning aanwezige personen, in het bijzonder de oppas, niet (direct) bereid zouden zijn om mee te werken en zich in plaats daarvan fysiek of verbaal zouden verzetten. Verdachte diende er daarom op bedacht te zijn dat het uitvoeren van de geplande overval zou kunnen escaleren. Dit heeft verdachte er echter niet toe gebracht om zich op enig moment van de uitvoering van de voorgenomen overval te distantiëren. Integendeel, hij heeft er bewust voor gekozen om deze overval uit te voeren, daarbij het risico op de koop toenemend dat zijn medeverdachten het niet bij dreigen zouden laten, maar daadwerkelijk geweld zouden toepassen.

Verdachte heeft zich aldus willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans -en deze ook aanvaard- dat zijn medeverdachten, indien de overval niet geheel zoals gepland zou verlopen, in hun gemeenschappelijk streven om het geld te stelen, de in de woning aanwezige oppas en kinderen met geweld zouden vastbinden met het meegenomen tape en bovendien zouden slaan met de ijzeren staaf en/of zouden steken met het mes, als gevolg waarvan iemand zou kunnen overlijden.

Het hof acht derhalve niet alleen wettig en overtuigend bewezen dat het opzet van verdachte -in voorwaardelijke zin- was gericht op het plegen van -kort gezegd- diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging van personen, maar ook dat het opzet van verdachte -eveneens in voorwaardelijke zin- was gericht op het medeplegen van poging tot doodslag, een en ander als omschreven in de tenlastelegging.

Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, alsmede uit de omstandigheid dat verdachte en zijn medeverdachten na afloop van de overval samen zijn weggereden en nadien de buit onderling hebben verdeeld, leidt het hof af dat sprake was van een zodanige bewuste, nauwe en volledige samenwerking en gezamenlijke uitvoering van vorenbedoelde misdrijven, dat verdachte heeft gehandeld tezamen en in vereniging met anderen.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 288 junctis de artikelen 287 en 312, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder 2 junctis de artikelen 45, eerste lid en 47, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht. Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte terzake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De verdachte is in hoger beroep gekomen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen strafsoort- en maat bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed en angst teweeg moet hebben gebracht bij de slachtoffers en het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is.

Het hof heeft bij zijn straftoemeting in navolging van de rechtbank in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte en [medeverdachten 1 en 2] hebben op 23 maart 2003 een gewapende overval gepleegd op de woning van de eigenaren van een restaurant in Roosendaal. Zij wisten namelijk dat in die woning een aanzienlijk geldbedrag aanwezig zou zijn.

Vóór de overval waren verdachte en [medeverdachte 1] een aantal malen naar Roosendaal geweest om de eigenaren van het restaurant te volgen naar hun woning, om zo hun adres te achterhalen.

Op genoemde datum zijn zij gezamenlijk naar de woning gereden. Zij wisten van tevoren dat op dat moment drie personen in de woning zouden zijn, twee kinderen en hun oma, die op hen paste. Zij wisten dat op dat tijdstip de eigenaren van dat restaurant, zijnde de ouders van die kinderen en respectievelijk de dochter en de schoonzoon van de oppas, niet thuis zouden zijn vanwege de drukte in het restaurant.

Zoals afgesproken bleef verdachte in de auto wachten, terwijl [medeverdachten 1 en 2] bij de woning aanbelden. Nadat de oppas, [slachtoffer 1] de deur had opengedaan, zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de woning binnengedrongen en hebben bruut geweld toegepast op die [slachtoffer 1]. Zij hebben haar onder andere met een ijzeren staaf meermalen op haar hoofd geslagen en met een mes in haar buik gestoken. Ook hebben zij haar en één van de kinderen, [slachtoffer 2] (het andere kind had zich namelijk weten te verstoppen), met tape vastgebonden.

Na deze verwerpelijke en lafhartige daad hebben de medeverdachten van verdachte de woning verlaten met een kluis met daarin 20.000 euro, met vier jassen en een aantal koffers. Samen met verdachte zijn zij weggereden en hebben nadien de buit onderling verdeeld.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich totaal niet bekommerd om de toestand van het slachtoffer [slachtoffer 1] en haar kleindochter [slachtoffer 2]. Dat het slachtoffer [slachtoffer 1] niet aan de gevolgen van het bruut geweld is bezweken, is voornamelijk te danken aan haar andere kleindochter, [betrokkene 3], een meisje van drie jaar, dat zich gelukkig op tijd had weten te verstoppen. Zij heeft haar zus weten los te maken, waarna ze gezamenlijk de buurman zijn gaan halen, waardoor ze waarschijnlijk het leven van hun oma hebben weten te redden.

Het hof beschouwt het bewezen verklaarde als buitengewoon ernstig. Vooral de meedogenloosheid, de brutaliteit en de berekende wijze waarop verdachte en zijn medeverdachten [slachtoffer 1] in de woning van haar dochter -die een veilige en geborgen omgeving (zeker voor de nog jonge kinderen) behoort te bieden- hebben overvallen, vindt het hof, evenals de rechtbank, stuitend. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort overvallen vaak lange tijd de nadelige psychische gevolgen hiervan zullen ondervinden. Voorts breng dit soort feiten grote maatschappelijke onrust teweeg.

Gelet op de vorenstaande feiten en omstandigheden, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een straf zoals deze door de eerste rechter is opgelegd en in hoger beroep door de advocaat-generaal is gevorderd.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alleszins gerechtvaardigd is.

Ten aanzien van het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp kan thans geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. Het hof zal daarom van dat voorwerp de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [betrokkene 2], wonende te [adres], als gevolg van het primair bewezen verklaarde, vermogensschade heeft geleden tot een bedrag van ? 5.288,65. Verdachte en zijn medeverdachten zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [betrokkene 2] voornoemd de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van ? 5.288,65 te betalen ten behoeve van het slachtoffer, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat [slachtoffer 2] en [betrokkene 3] (zijnde de in de woning aanwezige kinderen [slachtoffer 2] en [betrokkene 3]), wonende te [adres], als gevolg van het primair bewezen verklaarde, immateriële schade hebben geleden, elk tot een bedrag van ? 1.500,-. Verdachte en zijn medeverdachten zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [betrokkene 1] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 2] en [betrokkene 3] voornoemd de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van in totaal ? 3.000,- te betalen ten behoeve van de slachtoffers, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is tot slot gebleken dat [slachtoffer 1], wonende te [adres], als gevolg van het primair bewezen verklaarde, schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal ? 6.146,03, bestaande uit ? 1.146,03 aan materiële schade en ? 5.000,- aan immateriële schade. Verdachte en zijn medeverdachten zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] voornoemd de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van ? 6.146,03 te betalen ten behoeve van het slachtoffer, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

Het hof zal hierbij telkens bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen:

indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

[betrokkene 2], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend. Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade, bestaande uit vermogensschade, tot een bedrag van ? 5.288,65. De eerste rechter heeft de vordering tot dit bedrag toegewezen.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen vermogensschade heeft geleden tot een bedrag van ? 5.288,65. De vordering is voor toewijzing vatbaar, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

[betrokkene 1], wonende te [adres], heeft zich in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn kinderen [slachtoffer 2] en [betrokkene 3] overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend. Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade, bestaande uit immateriële schade, tot een bedrag van in totaal ? 3.000,- bij wijze van voorschot, zijnde ? 1.500,- ten behoeve van [slachtoffer 2] en ? 1.500,- ten behoeve van [betrokkene 3]. De eerste rechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat deze niet van eenvoudige aard zou zijn.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering opnieuw gevoegd ter zake van geleden schade en wel tot hetzelfde bedrag als zijn oorspronkelijke vordering.

De vordering is in zoverre betwist, dat de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven dat hij de beslissing van de eerste rechter met betrekking tot deze vordering juist acht.

Anders dan de eerste rechter en de raadsman, acht het hof de vordering echter van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat aan [slachtoffer 2] en [betrokkene 3] door het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks nadeel is toegebracht, dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte en zijn medeverdachten toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade bij wijze van voorschot worden begroot op het gevorderde bedrag van ? 3.000,-, zijnde ? 1.500,- ten behoeve van [slachtoffer 2] en ? 1.500,- ten behoeve van [betrokkene 3]. De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend. Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade, bestaande uit vermogensschade tot een bedrag van ? 1.146,03 en uit immateriële schade tot een bedrag van ? 5.000,-. De eerste rechter heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van ? 2.646,03, bestaande uit ? 146,03 voor wat betreft de vermogensschade en ? 2.500,- voor wat betreft de immateriële schade.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering opnieuw gevoegd ter zake van geleden schade en wel tot hetzelfde bedrag als zijn oorspronkelijke vordering.

De vordering is in zoverre betwist, dat de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven dat hij de beslissing van de eerste rechter met betrekking tot deze vordering juist acht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen vermogensschade heeft geleden tot een bedrag van ? 1.146,03.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat aan de benadeelde partij voornoemd door het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks nadeel is toegebracht, dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte en zijn medeverdachten toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van ? 5.000,-.

Het hof zal de vordering derhalve tot het gevorderde bedrag van ? 6.146,03 toewijzen. De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57, 287, 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

“Medeplegen van poging tot doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren”.

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 (acht) jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van ? 4.615,-.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 2], wonende te [adres], te betalen een bedrag van ? 5.288,65 (zegge vijfduizendtweehonderdachtentachtig euro en vijfenzestig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 105 (honderdvijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft en met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 2] en [betrokkene 3], ten deze in rechte vertegenwoordigd door [betrokkene 1], wonende te [adres], te betalen een bedrag van ? 3.000,- (zegge drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 (zestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft en met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], wonende te [adres], te betalen een bedrag van ? 6.146,03 (zegge zesduizendhonderdzesenveertig euro en drie eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 122 (honderdtweeëntwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft en met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [betrokkene 2], wonende te [adres], een bedrag van ? 5.288,65 (zegge vijfduizendtweehonderdachtentachtig euro en vijfenzestig eurocent), met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij [betrokkene 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 2] en [betrokkene 3], toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [betrokkene 1], wonende te [adres], een bedrag van ? 3.000,- (zegge drieduizend euro), met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij [betrokkene 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], wonende te [adres], een bedrag van ? 6.146,03 (zegge zesduizendhonderdzesenveertig euro en drie eurocent), met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat telkens de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat telkens de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Rijken, als voorzitter

Mrs. Huurman-van Asten en De Vries-Leemans, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Kroes, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 maart 2004.

Mr. De Vries-Leemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1968,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring P.I. Dordtse Poorten te Dordrecht

Is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 22 september 2003 ter zake van:

primair: "Medeplegen van poging tot doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemens aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijke verkregene te verzekeren",

veroordeeld tot:

5 jrn. gev.str. OV. MAV.,

gelast de bewaring tbv rechthebbende,

toewijzing vordering ben.p. [betrokkene 2] ad ? 5288,65 + oplegging maatregel verpl. a/d staat tbv slachtoffer ? 5288,65 subs. 105 dgn.hecht.

ben.p. [betrokkene 1] niet ontv. is in zijn vordering

toewijzing vordering ben.p. [slachtoffer 1] ad ? 2646,03 + oplegging maatregel verpl. a/d staat tbv slachtoffer ? 2646,03 subs. 52 dgn.hecht. (art. 36f W.v.Str.)