Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO4919

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2004
Datum publicatie
04-03-2004
Zaaknummer
03/00263
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na verwijzing is in geschil het antwoord op de vragen of het door belanghebbende bewoonde gedeelte van het woonhuis blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt als bedoeld in artikel 1 van de Verordening baatbelasting riolering 1996 van de Gemeente Epe (hierna: de Verordening)(1), en of belanghebbende terecht een beroep doet op het vertrouwensbeginsel (2).

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 222, geldigheid: 2004-01-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 444
FutD 2004-0412
V-N 2004/21.1.18

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/00263

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de sector Financieel Beleid en Beheer van de Gemeente Epe (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is, als genothebbende krachtens zakelijk recht van de onroerende zaak astraat 1A te Epe, een aanslag in de baatbelasting van de Gemeente Epe opgelegd ten bedrage van f 3.859,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de ambtenaar is gehandhaafd.

1.2. Bedoelde uitspraak en de aanslag zijn in beroep vernietigd door het Gerechtshof te Arnhem bij schriftelijke uitspraak van 29 augustus 2001, nr. 98/02588.

1.3. Op het beroep in cassatie van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe heeft de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 24 januari 2003, nummer 37 613, BB 2003/278, de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

1.4. De ambtenaar heeft naar aanleiding van het arrest een memorie

ingediend; belanghebbende heeft op de inhoud van die memorie gereageerd.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof op 31 oktober 2003 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn zoon, alsmede, de ambtenaar.

De ambtenaar heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Voor dit geding staat vast hetgeen door het Hof in zijn voormelde uitspraak is vastgesteld, te weten:

2.1. Belanghebbende woont samen met zijn echtgenote in een gedeelte van het woonhuis, een boerderij, Astraat 1A te Epe (hierna: het woonhuis) welk gedeelte bestaat uit een woon-eetkamer, toilet, bijkeuken, douche, gang, en twee op de bovenverdieping gelegen slaapkamers. Zij hebben het woonhuis bij notariële akte van 15 december 1977 in eigendom overgedragen aan hun zoon onder voorbehoud van een levenslang zakelijk recht van gebruik en bewoning van voornoemd gedeelte van het woonhuis.

De zoon bewoont met zijn echtgenote en hun twee kinderen de rest van het woonhuis.

De zoon heeft omstreeks 1993 het woonhuis verbouwd. Ter gelegenheid daarvan is met de gemeente onder meer overeengekomen dat het woonhuis als één geheel moet worden beschouwd. Splitsing in twee afzonderlijke woningen is niet toegestaan. Aan het woonhuis is slechts één huisnummer toegekend. Uitsluitend voor de belastingadministratie van de gemeente wordt het door belanghebbende bewoonde gedeelte van het woonhuis aangeduid als astraat 1A.

2.2. Gelet op de tot de gedingstukken behorende bouwtekening en op hetgeen door een der partijen is gesteld en door de wederpartij niet dan wel onvoldoende is weersproken, staat voorts vast dat in het door de zoon bewoonde gedeelte van het woonhuis eveneens een woon-eetkamer, een keuken, slaapkamers, een badkamer en een toilet aanwezig zijn, dat zowel het door belanghebbende als het door zijn zoon bewoonde gedeelte een eigen toegang heeft, en dat beide gedeelten door een afsluitbare tussendeur zijn gescheiden.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Na verwijzing is in geschil het antwoord op de vragen of het door belanghebbende bewoonde gedeelte van het woonhuis blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt als bedoeld in artikel 1 van de Verordening baatbelasting riolering 1996 van de Gemeente Epe (hierna: de Verordening)(1), en of belanghebbende terecht een beroep doet op het vertrouwensbeginsel (2).

Belanghebbende is van oordeel dat de eerste vraag ontkennend, en de

tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord. De ambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

Van het horen van getuigen wordt afgezien.

De zoon heeft ter zitting verklaard dat hij op het gemeentehuis een gesprek heeft gehad met de heer B, dat deze toen heeft gezegd dat voor het perceel Astraat 1 éénmaal een bedrag van rond f 4.000,-- zou moeten worden betaald, dat hij, zoon, toen heeft gezegd dat hij het bedrag aan de hoge kant vond, maar uiteindelijk er mee akkoord is gegaan en hij daarover dus een afspraak met de heer B, en dus met de gemeente, heeft gemaakt, en dat hij niet is verwezen naar de afdeling belastingen.

De ambtenaar:

De heer B, ambtenaar van de sector openbare werken, heeft medio 1996 met belanghebbende gesproken; hij kan geen specifieke informatie over de baatbelasting hebben gegeven. Het definitieve tarief van artikel 5 van de Verordening (f 3.859,--) was ten tijde van het gesprek nog niet bekend, in de raad waren hogere bedragen genoemd. B zal zich hebben onthouden van de opmerking dat voor het onderhavige woonhuis maar één aanslag in de baatbelasting zou worden opgelegd.

Er is geen verslag van de bespreking gemaakt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de aanslag.

De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vast staat dat in het door belanghebbende en zijn echtgenote bewoonde gedeelte van het woonhuis slaap- en woonruimten, kookgelegenheid en sanitaire voorzieningen aanwezig zijn, dat het een eigen toegang heeft en door een afsluitbare toegangsdeur is gescheiden van het door de zoon en zijn gezin bewoonde gedeelte.

Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het door belanghebbende bewoonde gedeelte van het woonhuis blijkens zijn indeling bestemd is om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.

4.2. Het Hof neemt de onder 3.2 vermelde verklaring van de zoon in aanmerking als een beroep van belanghebbende op een door de Gemeente Epe jegens hem gewekt rechtens te honoreren vertrouwen. Het Hof heeft geen redenen te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat in het Bekostigingsbesluit een bedrag van ƒ 3.750,= per onroerende zaak staat genoemd. Het Hof neemt op grond van die verklaring aan dat de heer B, ambtenaar van de Gemeente Epe, tijdens het bedoelde gesprek tegenover de zoon, te dezen mede handelende namens belanghebbende, uitlatingen heeft gedaan met de strekking dat ter zake van de aanleg van de onderwerpelijke riolering ten bate van het woonhuis éénmaal een bedrag van circa ƒ 4.000,= zou worden geheven. Het Hof acht het voorts aannemelijk dat belanghebbende en de zoon ervan uitgingen, en is van oordeel dat zij er ook van uit mochten gaan, dat de heer B tot het doen van een dergelijke toezegging bevoegd was, nu deze de vraag omtrent de hoogte van de heffing tijdens het gesprek heeft beantwoord kennelijk zonder daarbij een voorbehoud te maken of zijn gesprekspartner te verwijzen naar de afdeling belastingen van de Gemeente. Op grond van het voorgaande oordeelt het Hof dat aldus een rechtens te honoreren vertrouwen is ontstaan bij belanghebbende dat het woonhuis slechts éénmaal in de heffing zou worden betrokken, ook al was ten tijde van dat gesprek de Verordening nog niet tot stand gekomen.

4.3. Nu het woonhuis door middel van een aan de zoon opgelegde aanslag ten bedrage van f 3.859,-- reeds in de heffing van baatbelasting ter zake van de aanleg van de riolering betrokken was, stond het de ambtenaar gelet op het sub 4.2 overwogene niet meer vrij nadien de onderhavige aanslag aan belanghebbende op te leggen.

De aanslag kan derhalve niet in stand blijven.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, nu geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en van overige, voor nadere opgaaf vatbare kosten in de zin van artikel 1 van het Besluit proceskosten fiscale procedures, niet is gebleken.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak, en

- vernietigt de aanslag.

Aldus gedaan door A. Bijlsma, voorzitter, N. van Beelen en J.Th. Simons, en voor wat de beslissing betreft in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 12 januari 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 januari 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.