Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO4912

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2004
Datum publicatie
04-03-2004
Zaaknummer
01/00782
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Moet de bijtelling ter zake van het privé-gebruik van de personenauto die aan belanghebbende ter beschikking is gesteld, beperkt worden tot 4/7e deel van het forfait, omdat de werkgever diezelfde auto voor drie dagen per week ter beschikking heeft gesteld aan de echtgenote van belanghebbende, die ook werknemer is?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/21.1.7
FutD 2004-0441
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/00782

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren/ Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 161.144,--, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 155.544,--.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van ƒ 60,00 (= € 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 28 mei 2003 te Breda.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen schriftelijk verzocht inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 161.144,--. In dit belastbaar inkomen heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 20.280,-- opgenomen ter zake van het privé-gebruik van een door de werkgever ter beschikking gestelde personenauto (hierna: de personenauto). De Inspecteur heeft de aanslag conform de door belanghebbende ingediende aangifte opgelegd.

2.2. Belanghebbende heeft tegen die aanslag tijdig bezwaar ingediend, en bij het bezwaarschrift een verbeterde aangifte ingediend naar een belastbaar inkomen van ƒ 135.282,--. In dit belastbaar inkomen heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 12.168,-- opgenomen betreffende het privé-gebruik van de personenauto en een bedrag van ƒ 12.150,-- betreffende de in het jaar 2000 betaalde premies van lijfrente. De Inspecteur heeft bij de uitspraak op het bezwaarschrift het bedrag betreffende het privé-gebruik van de personenauto verhoogd met een bedrag van ƒ 8.112,-- tot ƒ 20.280,-- en de in 2000 betaalde premies terzake van lijfrente niet in aftrek toegelaten. Bij uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen nader vastgesteld op ƒ 155.544,--.

2.3. In het onderhavige jaar is belanghebbende in dienstbetrekking bij A B.V. Belanghebbendes werkgever heeft hem in het onderhavige jaar in verband met het verrichten van arbeid een personenauto ter beschikking gesteld. De catalogusprijs van deze personenauto, een BMW, bedraagt ƒ 101.400,--. Aan de echtgenote van belanghebbende is door de werkgever als beloning voor de door haar verrichte werkzaamheden voor diezelfde werkgever, het gebruik gedurende maximaal drie dagen per week van een bedrijfsauto, te weten een BMW, toegekend onder bij nadere afspraak vast te stellen voorwaarden.

2.4. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben gebruik gemaakt van dezelfde door de werkgever ter beschikking gestelde personenauto. Omtrent het gebruik van deze personenauto hebben belanghebbende en zijn echtgenote mondeling afspraken gemaakt. Een andere personenauto is door de werkgever niet aan belanghebbende en zijn echtgenote ter beschikking gesteld. De uitzonderingsregel van het vijfde lid van artikel 42 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) kan in het onderhavige geval niet worden toegepast.

2.5. Ter zake van de door belanghebbende in aftrek gevraagde premies lijfrente heeft belanghebbende bij brief van 23 juni 2000, derhalve tijdig, verzocht om de in 2000 betaalde lijfrentepremie ten bedrage van ƒ 12.150,-- in het jaar 1999 in aftrek te mogen brengen. De Inspecteur heeft bij brief van 4 juni 2003 te kennen gegeven alsnog de aftrek van die premie te verlenen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Moet de bijtelling ter zake van het privé-gebruik van de personenauto die aan belanghebbende ter beschikking is gesteld, beperkt worden tot 4/7e deel van het forfait, omdat de werkgever diezelfde auto voor drie dagen per week ter beschikking heeft gesteld aan de echtgenote van belanghebbende, die ook werknemer is?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Omtrent de wijze waarop gebruik zou worden gemaakt van de personenauto zijn door belanghebbende en zijn echtgenote uitsluitend mondelinge afspraken gemaakt. De echtgenote gebruikte de auto voor het bezoeken van filialen, zij had het vrij gebruik van de auto op de dagen dat belanghebbende zich in de winkel bevond.

De Inspecteur

Afspraken over het gebruik van een personenauto dienen naar mijn mening schriftelijk te worden vastgelegd. Bovendien lijkt het mij niet aannemelijk dat de directeur aan zijn werknemer zijn eigen personenauto ter beschikking stelt. Het lijkt me dat dergelijke afspraken meer te maken hebben met de relatie tussen belanghebbende en zijn echtgenote.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 135.282,--.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 143.394,--.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het autokostenforfait neergelegd in artikel 42 van de Wet is van toepassing als aan de belastingplichtige in verband met het verrichten van arbeid een personenauto ter beschikking is gesteld en de belastingplichtige in het belastingjaar meer dan 1000 km voor privé-doeleinden van die personenauto gebruik heeft gemaakt.

4.2. Op grond van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist in zijn arrest van 1 maart 1978, BNB 1978/82, moet, ingeval een personenauto door de werkgever ter beschikking wordt gesteld aan meer dan één persoon het bedrag van het forfait in redelijkheid worden verdeeld over elk dergenen aan wie de auto ter beschikking is gesteld.

4.3. Het Hof acht aannemelijk dat, gelet op de door de werkgever met de echtgenote van belanghebbende gesloten arbeidsovereenkomst en hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard, de personenauto aan de echtgenote van belanghebbende voor maximaal drie dagen per week vanwege de werkgever ter beschikking is gesteld. Nu er vanuit moet worden gegaan dat de BMW aan belanghebbende zonder beperking ter beschikking is gesteld, moet de BMW gedurende vier dagen per week geacht worden uitsluitend aan belanghebbende ter beschikking te zijn gesteld en gedurende drie dagen per week aan zowel belanghebbende als zijn echtgenote. Nu de werkgever de beide echtelieden kennelijk vrij gelaten heeft in het maken van afspraken omtrekt het gebruik van de BMW gedurende deze drie dagen, gaat het Hof er in redelijkheid vanuit dat de BMW gedurende deze drie dagen gelijkelijk aan beide echtgenoten ter beschikking was gesteld. Aldus komt het Hof tot het oordeel dat het forfait voor 4/7e deel plus 3/14e deel, is 11/14e deel bij belanghebbende in aanmerking moet worden genomen.

Tot belanghebbendes inkomen moet derhalve ter zake van het privé-gebruik van de personenauto een bedrag van 11/14 maal 20% maal

ƒ 101.400,-- = ƒ 15.934,-- worden gerekend.

4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. De aanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van

ƒ 139.048,--

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5(punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is € 805,--.

7. Beslissing

Het Hof:

* verklaart het beroep gegrond,

* vernietigt de bestreden uitspraak,

* vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 139.048.--,

* gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,23,

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 805,--, en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 12 januari 2004

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 januari 2004

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.