Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO4900

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2004
Datum publicatie
04-03-2004
Zaaknummer
C0300038-MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In deze procedure vordert [appellante] betaling van een aantal (deels) onbetaald gebleven facturen inzake accountantswerkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. LG

rolnr. C0300038/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 10 februari 2004,

gewezen in de zaak van:

De maatschap [APPELLANTE],

mede gevestigd te [plaats],

appellante,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

t e g e n :

[GEINTIMEERDE],

wonende te [plaats] (België),

geïntimeerde,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 november 2002 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te Maastricht tussen appellante, [appellante], als eiseres en geïntimeerde, [geïntimeerde], als gedaagde onder zaaknummer 66396/HA ZA 01-537 gewezen vonnis van 22 augustus 2002.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is [appellante] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellante] elf grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van 22 producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 In deze procedure vordert [appellante] betaling van een aantal (deels) onbetaald gebleven facturen inzake accountantswerkzaamheden. Het gaat hierbij om de volgende facturen:

1. 80704 d.d. 25-07-2000, over mei/juni 2000, ƒ 5.757,50

2. 80956 d.d. 29-09-2000, over juli/aug. 2000, ƒ 2.792,09

3. 81042 d.d. 25-10-2000, over september 2000,ƒ 3.066,75

4. 81149 d.d. 24-11-2000, over oktober 2000, ƒ 235,00

5. 82161 d.d. 25-01-2001, over december 2000, ƒ 1.987,22

6. 82228 d.d. 05-03-2001, over januari 2001, ƒ 6.254,40

7. 82324 d.d. 29-03-2001, over februari 2001, ƒ 2.996,66

8. 82431 d.d. 25-04-2001, over maart 2001, ƒ 292,15

4.2 De facturen 1, 2 en 3 zijn gericht aan Artex Expressiematerialen, de facturen 4 en 5 aan Artex Expressiematerialen BV en de facturen 6, 7 en 8 aan Artex BV. In alle gevallen is op de tweede regel van de adressering vermeld: Dhr. [geïntimeerde].

4.3 De bijbehorende specificaties vermelden als cliënt Artex BV, met uitzondering van de eerste die als cliënt Artex Expressiematerialen vermeldt.

De facturen zijn gezonden naar het kantooradres van Artex BV, ten tijde van factuur 1 was dat Grote Gracht 38

Maastricht, later Brusselsestraat 56 Maastricht.

4.4 Op factuur 1 is een bedrag van ƒ 3.000,= voldaan. Voor het overige zijn de facturen niet betaald. Het openstaande bedrag ad ƒ 20.381,77 (€ 9.248,84), vermeerderd met ƒ 1.952,52 (€ 886,02) aan buitengerechtelijke kosten, in totaal ƒ 22.334,29 (€ 10.134,86), vermeerderd met wettelijke rente vordert [appellante] van [geïntimeerde].

4.5 [geïntimeerde] is enig bestuurder/enig aandeelhouder van [naam Beheer B.V.] die op haar beurt enig bestuurder/enig aandeelhouder is van Artex BV. [geïntimeerde] dreef een detailhandel in kunstenaarsbenodigdheden als eenmanszaak, die in 1997 in Artex BV werd omgezet. Deze vennootschap is op 29 maart 2001 in staat van faillissement verklaard.

4.6 [appellante] stelt primair dat zij (mede) in opdracht van [geïntimeerde] in de periode mei 2000 tot en met maart 2001 accountants- en/of belastingwerkzaamheden heeft verricht voor hemzelf en voor zijn bedrijf Artex BV en dat hij daarvoor de hierboven vermelde factuurbedragen verschuldigd is.

Subsidiair stelt [appellante] dat [geïntimeerde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door namens Artex BV verplichtingen aan te gaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Artex BV deze verplichtingen niet of niet binnen redelijke termijn zou kunnen nakomen en geen of onvoldoende verhaal zou bieden.

4.7 [geïntimeerde] heeft de vorderingen van [appellante] gemotiveerd betwist. De rechtbank heeft de vorderingen bij het

bestreden vonnis afgewezen.

4.8 De grieven I tot en met VII richten zich tegen rechtsoverweging 3.2 van dit vonnis, waarin de primaire grondslag wordt verworpen, de grieven VIII tot en met X tegen rechtsoverweging 3.3 waarin de subsidiaire grondslag wordt verworpen en grief XI tegen rechtsoverweging 3.4 waarin wordt geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

4.9 Met betrekking tot de primaire grondslag van de vordering overweegt het hof het volgende. Tussen partijen staat vast dat [appellante] in de tijd dat [geïntimeerde] zijn onderneming als eenmanszaak voerde daarvoor accountants- en/of belastingwerkzaamheden verrichtte. Verder staat vast dat de eenmanszaak in 1997 in zijn geheel is ingebracht in Artex BV, dat [appellante] bij de administratieve verwerking daarvan betrokken is geweest en dat [appellante] ook daarna dergelijke werkzaamheden ten behoeve van deze onderneming is blijven uitvoeren. Eveneens staat vast dat deze werkzaamheden vanaf 1997 door Artex BV aan [appellante] zijn betaald. [geïntimeerde] heeft dit bij conclusie van dupliek (punt 10) gesteld; door [appellante] is dit niet bestreden.

4.10 Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat tot aan de inbreng van de eenmanszaak in de BV de werkzaamheden door [appellante] werden uitgevoerd in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] en dat deze vanaf dat moment werden uitgevoerd in opdracht en voor rekening van Artex BV. Dit is ook de meest voor de hand liggende gang van zaken, ook indien [appellante] mede werkzaamheden verrichtte voor [geïntimeerde] privé zoals [appellante] stelt en [geïntimeerde] betwist. De overgelegde facturen en specificaties wijzen vrijwel geheel op werkzaamheden voor de onderneming. Door [appellante] zijn geen concrete feiten of omstandigheden genoemd waaruit kan worden afgeleid welk bestanddeel de werkzaamheden ten behoeve van [geïntimeerde] privé van het totaal der uitgevoerde werkzaamheden uitmaakten, zodat het ervoor gehouden dient te worden dat deze in ieder geval van ondergeschikte betekenis waren. Evenmin zijn door haar concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat in de facturering op dit punt ooit enig onderscheid is gemaakt. Dat geldt ook voor haar stelling dat na de oprichting van Artex BV zowel deze BV als

[geïntimeerde] als opdrachtgevers hadden te gelden. Het enkele feit dat op de facturen in de adressering de naam van [geïntimeerde] is vermeld, biedt daarvoor geen aanknopingspunt nu de vermelding van een (contact)persoon op facturen die voor een vennootschap zijn bestemd bepaald niet ongebruikelijk is en in het algemeen niet duidt op een hoofdelijke aansprakelijkheid van die persoon voor de betaling van de facturen. Voor de conclusie dat dit in dit geval

anders zou zijn, heeft [appellante] onvoldoende gesteld.

4.11 Op grond van bovenstaande overwegingen verwerpt het hof de primaire grondslag voor de vordering van [appellante] en daarmee de grieven I tot en met VII. [appellante] heeft in haar toelichting op deze grieven op een aantal punten bewijs aangeboden. Het hof gaat hieraan voorbij nu dit aanbod steeds betrekking heeft op stellingen die niet of niet voldoende met concrete feiten of omstandigheden zijn onderbouwd, terwijl een dergelijke onderbouwing in dit stadium van de procedure en gezien de gemotiveerde

betwisting van die stellingen door [geïntimeerde] wel van [appellante] verlangd mag worden.

4.12 Bij de subsidiaire grondslag voor de vordering van [appellante] staat centraal de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] medio 2000 precies wist dat het faillissement van Artex B.V. onvermijdelijk was en dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Gedurende een lange periode bleven de facturen van [appellante] onbetaald. [geïntimeerde] had de overeenkomst van opdracht moeten opzeggen in plaats van [appellante] maand na maand te laten doorwerken, terwijl hij wist dat er nooit meer betaald zou worden, aldus [appellante].

4.13 Het hof overweegt hierover het volgende. Bij conclusie van dupliek heeft [geïntimeerde] bedoelde stelling van

[appellante] gemotiveerd weersproken (punt 32 tot en met 36). Hiertegenover had het op de weg van [appellante] gelegen om haar stelling nader te onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden en daarmee het verweer van [geïntimeerde] aan te vechten. [appellante] heeft evenwel volstaan met het herhalen van haar stelling zonder deze op toereikende wijze concreet te onderbouwen. Dit brengt mee dat reeds om deze reden ook de subsidiaire grondslag voor de vordering van [appellante] verworpen dient te worden en dat voor bewijslevering geen aanleiding is. De grieven VIII tot en met X treffen mitsdien geen doel.

4.14 Dat laatste geldt ook voor grief XI die naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis heeft en het lot daarvan deelt.

4.15 Ook overigens zijn door [appellante] geen feiten of

omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat ook voor het overige haar bewijsaanbod als niet relevant gepasseerd dient te worden.

4.16 Nu alle grieven zijn verworpen, dient het bestreden vonnis bekrachtigd te worden met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 308,= aan verschotten en op € 771,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kranenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 februari 2004.