Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO4660

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
20.001929.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 27 september 2000 tot en met 3 oktober 2000, in elk geval in de periode augustus 2000 tot en met oktober 2000 te Moerdijk, in elk geval in Nederland al dan niet opzettelijk, zich door afgifte a[betrokkene 1] B.V., althans aan [betrokkene 2] B.V., in elk geval aan een ander, heeft ontdaan van gevaarlijke afvalstoffen..[.]

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 10.30
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2004/9 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige economische kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Breda van 15 maart 2002 in de strafzaak onder parketnummer 043456-01 tegen:

[verdachte] B.V,

gevestigd te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

De geldigheid van de dagvaarding

A1.

De raadsman heeft bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep verweer gevoerd conform de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnotities. Op de gronden als vervat in deze pleitnotities heeft de raadsman gesteld dat de tenlastelegging ten aanzien van de feiten onder 1 en 2 onvoldoende feitelijk is, nu er geen andere feitelijkheden zijn ten laste gelegd waaruit kan worden afgeleid dat met "afgifte aan" sprake is geweest van een "zich ontdoen" in strafrechtelijk relevante zin, zodat onvoldoende feitelijk is omschreven waarom sprake is van een zich opzettelijk ontdoen van (gevaarlijke) stoffen.

Vanwege het vorenstaande dient, aldus de raadsman, de dagvaarding nietig te worden verklaard.

A2.

Het hof overweegt te dien aanzien dat de tenlastelegging moet worden bezien in samenhang met en tegen de achtergrond van het dossier. Gelet daarop zijn de woorden "zich door afgifte aan [betrokkene 1] BV..., in elk geval aan een ander, heeft ontdaan van...", in de tenlastelegging voldoende feitelijk en heeft verdachte zich kunnen verweren tegen de door de raadsman bedoelde feiten waarvan zij ook blijk heeft gegeven.

Het verweer wordt verworpen.

-2-

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

B1.

Op de gronden zoals verwoord in de hiervoor onder A1 bedoelde pleitnota heeft de raadsman onder verwijzing naar het zogenaamde "Arco-arrest" van het Europese Hof van 15 juni 2000 aangevoerd dat de Richtlijnen 75/442 EEG en 91/689 EEG onjuist danwel onvolledig in de Nederlandse wetgeving zijn geimplementeerd.

Op grond van het vorenstaande dient, aldus de raadsman, het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging.

B2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof is het in zijn algemeenheid niet primair aan de officier van justitie om te beoordelen of richtlijnen onjuist of niet volledig in de Nederlandse wetgeving zijn geimplenteerd. Ook in het geval van een onjuiste of onvolledige implementatie kan vervolging enig doel dienen. Hetgeen door de raadsman onder B1 is betoogd, wat er verder ook van zij, kan alleen al om die reden niet leiden tot een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu niet blijkt van een zodanige ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove verontachtzaming van de verdachte en diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de raadsman.

C1.

Op de gronden zoals verwoord in de hiervoor onder A1 bedoelde pleitnota heeft de raadsman tevens aangevoerd dat het begrip "afvalstof" in de richtlijn 75/442 EEG en artikel 1.1. Wet milieubeheer zodanig subjectief is en naar zijn inhoud afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, dat niet kan worden gesproken van een voldoende duidelijk begrip in het licht van artikel 1 eerste lid Wetboek van Strafrecht.

Op vorenstaande grond dient, aldus de raadsman, het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging.

C2.

Het hof overweegt dat bij de invulling van het begrip "afvalstof" niet doorslaggevend is de (toekomstige) bestemming van de stof, maar het "zich ontdoen" van de stof. Zelfs stoffen die zonder bewerking op milieuhygienische verantwoorde wijze nuttig worden toegepast "verliezen" daardoor niet hun karakter als afvalstof. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden gesproken van een onvoldoende duidelijk begrip in het licht van artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht. Dat het ook in dit geval voor verdachte duidelijk is geweest dat zij te maken had met een afvalstof blijkt uit de bewijsmiddelen, nu verdachte in casu offertes heeft gevraagd bij diverse afvalverwerkers en de stoffen heeft aangeboden bij een stortplaats.

Het verweer wordt verworpen.

-3-

C3.

Voorts wordt door de raadsman van verdachte aangevoerd dat het begrip afvalstof indien het wordt uitgelegd als onder C2 in strijd is met artikel 30 EEG.

C4.

Het hof overweegt te dien aanzien dat bij de uitlegging van het begrip "afvalstof" rekening moet worden gehouden met de doelstelling van richtlijn 75/442. In dat kader bepaalt de considerans van die richtlijn dat iedere regeling op het gebied van de verwijdering van afvalstoffen als voornaamste doelstelling moet hebben, de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Die doelstelling vindt zijn basis in artikel 174 EG-verdrag en alleen al om die reden kan er geen sprake zijn van een conflict met artikel 30 van het EEG-verdrag, zoals door de raadsman wordt beweerd.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de raadsman.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de bewijsvoering.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen. De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 27 september 2000 tot en met 3 oktober 2000, in elk geval in de periode augustus 2000 tot en met oktober 2000 te Moerdijk, in elk geval in Nederland al dan niet opzettelijk, zich door afgifte a[betrokkene 1] B.V., althans aan [betrokkene 2] B.V., in elk geval aan een ander, heeft ontdaan van gevaarlijke afvalstoffen, te weten een partij veegvuil, in elk geval een partij afvalstoffen, welke gedeeltelijk bestond uit seleen, zijnde een stof, vermeld in bijlage II van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen, waarvan de concentratie 75 mg/kg, in elk geval hoger dan in de voormelde bijlage II daarvoor aangegeven concentratiegrenswaarde van 50 mg/kg was;

-4-

2. zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 22 augustus 2000 tot en met 8 september 2000, in elk geval in de periode augustus 2000 tot en met oktober 2000 te Moerdijk, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan [betrokkene 1] B.V., in elk geval aan een ander, heeft ontdaan van gevaarlijke afvalstoffen, te weten een partij veegvuil, in elk geval een partij afvalstoffen, welke gedeeltelijk bestond uit seleen, zijnde een stof, vermeld in bijlage II van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen, waarvan de concentratie 55 mg/kg, in elk geval hoger dan in de voormelde bijlage II daarvoor aangegeven concentratiegrenswaarde van 50 mg/kg was;

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

PRO MEMORIE

De strafbaarheid van de verdachte

D1.

De raadsman voert aan, vooruitlopend op de invoering van het nieuwe artikel 10.55 Wet milieubeheer, dat in die nieuwe wetgeving geen sprake meer zou zijn van een strafrechtelijk relevant ontdoen door verdachte door afgifte omdat degene aan wie verdachte de stoffen heeft afgegeven naar alle waarschijnlijkheid gerechtigd zou zijn de afvalstoffen in ontvangst te nemen. De raadsman doet in dat kader een beroep op artikel 1, tweede lid Wetboek van Strafrecht.

Op vorenstaande grond dient, aldus de raadsman, de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

D2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals door de raadsman is opgemerkt betreft het wetgeving die nog moet worden ingevoerd, zodat er geen sprake is van verandering van wetgeving als wordt bedoeld in artikel 1, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Alleen al om die reden kan het verweer niet slagen.

Het hof verwerpt het verweer.

-5-

E1.

De raadsman voert voorts aan dat verdachte in de oprechte veronderstelling verkeerde dat [betrokkene 1] zich op juiste wijze van de stof zou ontdoen.

Verdachte kan derhalve geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

E2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier blijkt dat [naam directeur], die vanaf 1999 directeur van de verdachte was en als zodanig verantwoordelijk voor de gang van zaken binnen het bedrijf van verdachte, reeds in 1998 op de hoogte was van de inhoud van het analyserapport van het Envirolab waaruit bleek dat het veegvuil zware metalen bevatte. Verdachte wordt derhalve geacht reeds toen op de hoogte te zijn geweest van de samenstelling van de afvalstof. Dit blijkt ondermeer uit de verklaring van [naam directeur] tegenover de politie waarin hij aangeeft dat hij wist dat het "chemische afvalstoffen" waren. Ter toelichting gaf hij aan dat hij bij voorkeur spreekt van chemische afvalstoffen vanwege de "beladenheid" van de term gevaarlijke afvalstoffen. Met die wetenschap had verdachte zich op de hoogte moeten stellen van de geldende regelgeving met betrekking tot "gevaarlijke afvalstoffen" waaronder de verplichting dat deze slechts mogen worden afgegeven aan een vergunninghouder.

Verdachte was gelet hierop verplicht - wat er ook zij van de presentatie en mededelingen van [betrokkene 1] B.V. richting verdachte - zelf vooraf onderzoek te doen naar of Stolk Ecycling B.V. gerechtigd was de stoffen in ontvangst te nemen, daarvan is in casu niet gebleken. In dat kader is niet relevant of [betrokkene 1] B.V. het veegvuil later heeft verkocht en/of afgedragen aan een vergunninghouder of niet.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de raadsman.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Bevestigt het beroepen vonnis.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Bevestigt het beroepen vonnis.

Dit arrest is gewezen door Mr. Harmsen, als voorzitter

Mrs. Van de Loo en De Lange, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Van der Meijs, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2004.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 01

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte] B.V,

[adres],

Is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 15 maart 2002 ter zake van:

t.a.v. feit 1 : "Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.30, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon",

t.a.v. feit 2: "Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.30, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon";

veroordeeld tot:

een geldboete ten bedrage van twintigduizend euro, met vrijspraak van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;