Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO4653

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
20.000647.03
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AR8436
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AR8436
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De advocaat-generaal en de raadsvrouwe hebben, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 23 september 2003, Nieuwsbrief Strafrecht 2003, no. 349, betoogd, dat, nu de beslissing tot (voortgezette) inhouding van een rijbewijs voorbehouden is aan de officier van justitie en niet vatbaar is voor mandatering, de strafwaardigheid aan de gedraging is komen te ontvallen, weshalve verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging (de advocaat-generaal) respectievelijk er sprake is van een onrechtmatig besluit tot inhouding, reden waarom de verdachte dient te worden vrijgesproken (de raadsvrouwe).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

tegenspraak;

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 september 2002 in de strafzaak onder parketnummers 01/056288-02 en 01/056235-02 (gev.ttz.) tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1955,

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk beperkt tot de vrijspraken ter zake van hetgeen aan de verdachte bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01/056288-02 onder 2. en bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01/056235-02 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

- 2 -

De tenlastelegging

Aan de verdachte is -voorzover thans nog van belang- ten laste gelegd dat:

01/056288-02 onder 2:

hij op of omstreeks 29 april 2002 te Oss, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en/of als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, [straat 1], een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd;

01/056235-02:

hij op of omstreeks 9 april 2002 te Oss, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en/of als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, [straat 2], een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd;

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij inleidende dagvaarding met parpetnummer 01/056288-02 sub 2 en bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01/056235-02 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

01/056288-02 onder 2:

hij op 29 april 2002 te Oss, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, [straat 1], een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd;

01/056235-02:

hij op 9 april 2002 te Oss, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, [straat 2], een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd;

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

- 3 -

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast staan:

dat op 13 februari 2002 naar aanleiding van een overtreding van artikel 8, juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 13 februari 2002 te Oss het op verdachtes naam gestelde rijbewijs is ingevorderd door verbalisanten Verberkt en Ter Mors van de Regiopolitie Brabant-Noord;

dat het rijbewijs op dat moment ook feitelijk is ingenomen en met het betreffende proces-verbaal onverwijld is overgedragen cq. opgestuurd naar de officier van justitie te 's-Hertogenbosch;

dat op 14 februari 2002 namens de officier van justitie ten parkette door de parketsecretaris Verheul is beslist tot inhouding van het rijbewijs tot 12 augustus 2002, zulks onder vermelding van artikel 164, lid 4 van de Wegenverkeerswet 1994;

dat het ingevorderde rijbewijs ook daadwerkelijk op 18 februari 2002 door de officier van justitie is ontvangen;

dat op 2 april 2002 ter griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch een klaagschrift als bedoeld in artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van [verdachte] is ingekomen, hetwelk in raadkamer is behandeld op 12 april 2002 en waarop is beslist op 19 april 2002, waarbij de rechtbank het beklag ongegrond heeft verklaard;

dat niet is gebleken dat het rijbewijs aan de verdachte feitelijk is teruggegeven op een tijdstip gelegen vóór 29 april 2002;

dat de inhouding aan de verdachte middels brief van 18 februari 2002 is medegedeeld, maar per abuis een verkeerd parketnummer en een verkeerde invorderingsdatum is vermeld;

dat de verdachte zowel op 9 april 2002, alsook op 29 april 2002 te Oss is geverbaliseerd ter zake van overtreding van artikel 9, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994, zoals is ten laste gelegd.

Wat er ook zij van de onjuiste vermelding van het parketnummer en de invorderingsdatum, het was de verdachte bekend dat zijn rijbewijs op 13 februari 2002 was ingevorderd en dat het hem op 9, respectievelijk 29 april 2002 nog niet was teruggegeven.

Dat dit hem bekend was leidt het hof - los van de feitelijke vaststelling van de feiten waarop die conclusie zelfstandig kan worden gebaseerd- ook af uit de omstandigheid dat hij op 2 april 2002 - een datum gelegen voor de data waarop de ten laste gelegde feiten zijn begaan - een klaagschrift bij de rechtbank heeft ingediend waarbij hij zijn rijbewijs heeft teruggevraagd.

De advocaat-generaal en de raadsvrouwe hebben, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 23 september 2003, Nieuwsbrief Strafrecht 2003, no. 349, betoogd, dat, nu de beslissing tot (voortgezette) inhouding van een rijbewijs voorbehouden is aan de officier van justitie en niet vatbaar is voor mandatering, de strafwaardigheid aan de gedraging is komen te ontvallen, weshalve verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging (de advocaat-generaal) respectievelijk er sprake is van een onrechtmatig besluit tot inhouding, reden waarom de verdachte dient te worden vrijgesproken (de raadsvrouwe).

Gelet op het bepaalde in artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering zal het hof eerst het door de raadsvrouwe opgeworpen verweer behandelen.

Bij de vaststelling van de Wegenverkeerswet 1994 is het huidige artikel 9, lid 6 vastgesteld, zoals het nu nog luidt. Tijdens de parlementaire behandeling werd de invordering en de inhouding geschetst als een "veiligheidsmaatregel voor ernstige gevallen waarin onmiddellijk optreden geboden is" en iets verder als een "veiligheidsmaatregel voor bestuurders die in ernstige mate tekort zijn geschoten in hun plicht de geldende verkeersregels na te leven". (MvT, no. 22.030, nr 3, pag.50).

- 4 -

De invordering en inhouding dienen derhalve te worden gezien als een ordemaatregel in het belang van de verkeersveiligheid. Het hof stelt vast dat de invordering en gelijktijdigde afgifte van het rijbewijs op 13 februari 2002 rechtmatig heeft plaatsgevonden.

Met het karakter en het belang van de maatregel is onverenigbaar dat die maatregel -in casu de (voortgezette) inhouding- zijn kracht zou verliezen door de enkele omstandigheid dat die beslissing is genomen door een daartoe niet bevoegde parketsecretaris. Naar het oordeel van het hof verliest een dergelijke beslissing eerst zijn kracht nadat die beslissing óf is vernietigd óf het rijbewijs is teruggegeven. Nu de beslissing tot inhouding niet was vernietigd en nu verdachte, wetende dat zijn rijbewijs was ingevorderd en dat het hem niet was teruggegeven, desondanks een motorrijtuig heeft bestuurd, heeft hij, handelend zoals hij gedaan heeft, gehandeld in strijd met artikel 9, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

In het licht van het hiervoor overwogene behoeft hetgeen door de advocaat-generaal naar voren is gebracht geen verdere bespreking.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 9, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en strafbaar gesteld bij artikel 176, derde lid, van die wet.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

- 5 -

Het hof zal aan de verdachte een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, opleggen, van na te melden duur.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof terzake van elk van de bewezen verklaarde feiten en voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevorderd en/of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Bij de straftoemeting heeft het hof ten bezware van de verdachte er rekening mee gehouden dat de verdachte terzake soortgelijke strafbare feiten reeds eerder is veroordeeld.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen:

9, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en

9, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerwet 1994.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01/056288-02 sub 2 en bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01/056235-02 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

01/056288-02 onder 2: "Overtreding van artikel 9, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994" en

01/056235-02: "Overtreding van artikel 9, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van vijftig uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van vijfentwintig dagen voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.

Bepaalt dat de opgelegde taakstraf zal bestaan uit een werkstraf.

Ontzegt de verdachte terzake van het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01/056288-02 sub 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden.

Ontzegt de verdachte terzake van het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01/056235-02 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde -voor wat de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid betreft-, voor tenuitvoerlegging vatbaar worden van deze uitspraak ingevorderd is geweest, op de duur van voormelde bijkomende straffen geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Nieuwenhuijsen, als voorzitter

Mrs. Ficq en Quaadvliet-van den Bongard, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. De Bruijn, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 februari 2004.

Mr. Ficq is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 05

tijd : 13.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1955,

wonende te [adres],

Is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 september 2002 ter zake van:

voor wat betreft het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01/056288-02 onder 1 tenlastegelegde en hiervoor bewezenverklaarde: "Overtreding van artikel 8, tweede lid aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994";

veroordeeld tot:

een geldboete van tweehonderdzestig euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis,

met bepaling dat voornoemd bedrag in vier maandelijkse termijnen van elk vijfenzestig euro betaald mag worden,

met vrijspraak van het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01/056288-02 onder 2 tenlastegelegde, alsmede van hetgeen bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01/056235-02 ten laste is gelegd.