Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO4003

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
20.001325.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 1a, aanhef en onder 1, van de Wet op de economische delicten, juncto artikel 2, eerste lid, van die wet en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1, van de Wet op de economische delicten, zoals deze alstoen luidden.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 8.1, geldigheid: 2004-01-20
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2004-01-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 20.001325.02

datum uitspraak: 20 januari 2004

tegenspraak;

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

economische kamer

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Breda van 25 februari 2002 in de strafzaak onder parketnummer 43332-01 tegen:

[verdachte],

gevestigd te [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2000 tot en met 31 oktober 2000 te Waalwijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel Emmikhovensestraat 117, aldaar gelegen inrichting voor het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in werking heeft gehad;

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij:

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2000 tot en met 31 oktober 2000 te Waalwijk, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel Emmikhovensestraat 117, aldaar gelegen inrichting voor het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in werking heeft gehad;

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

A1.Door en namens de verdachte is ter terechtzitting -op de gronden als vermeld in de pleitnota- betoogd dat de verdachte strafrechtelijk gezien geen opzet of schuld heeft aan hetgeen haar is ten laste gelegd, aangezien zij -kort gezegd- opslagruimten voor handelsgoederen huurde en verhuurde, meestal meubels, en dat zij in Waalwijk een ruimte van [betrokkene 1] huurde. Een deel van die ruimte gebruikte zij zelf en een ander gedeelte verhuurde zij met goedvinden van [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] op diems verzoek.

Bij het totstandkomen van de huurovereenkomst is verdachte niet geïnformeerd over het soort goederen dat opgeslagen zou worden, of die goederen gevaarlijk waren en of er speciale vergunningen vereist waren. [betrokkene 2] regelde alles (opslag en transport) met [betrokkene 1] en verdachte was niet bij de feitelijke opslag betrokken. [betrokkene 2] had de inrichting gehuurd en gebruikte deze.

Voorzover verdachte al op de hoogte was van de precieze inhoud van de goederen die in de big bags waren opgeslagen, wist zij niet dat het om milieugevaarlijke stoffen ging.

A2.Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte, die blijkens het onderzoek ter terechtzitting zaken heeft gedaan met een bedrijf waarvan hij wist dat het zich heeft gepresenteerd als onderdeel van een omvangrijke metaalverwerkende multinational diende op de hoogte te zijn van de aard en samenstelling van de stof, welke zij voor dat bedrijf in opslag wenste te nemen.

In het kader daarvan was het aan de verdachte om ten aanzien daarvan, vooraf onderzoek te doen en daarvan is in casu niet gebleken.

Nu verdachte aan deze onderzoeksplicht niet heeft voldaan heeft verdachte zich welbewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het om gevaarlijke afvalstoffen zou gaan.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 1a, aanhef en onder 1, van de Wet op de economische delicten, juncto artikel 2, eerste lid, van die wet en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1, van de Wet op de economische delicten, zoals deze alstoen luidden.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

B1.Door en namens de verdachte is -op de gronden als vermeld in de pleitnota, welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd- aangevoerd dat de aan de verdachte verweten gedraging niet strafbaar is hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te leiden en voorts heeft verdachte een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld en meer subsidiair een beroep op overmacht.

Hoewel door verdachte niet nader onderbouwd gaat het hof er bij de beoordeling van het verweer vanuit dat het beroep op afwezigheid van alle schuld gebaseerd is op de stelling van verdachte dat zij niet op de hoogte was van de aard en samenstelling van de opgeslagen stoffen en dat zij het niet in haar macht had de opslag te verhinderen of te corrigeren.

B2.Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte feitelijk een gedeelte van de inrichting (van [betrokkene 1]) huurde, alwaar zij big bags afkomstig van [betrokkene 2] met de in de bewezenverklaring genoemde stof had opgeslagen en derhalve over dat gedeelte van de inrichting ook feitelijke zeggenschap had.

Verdachte heeft daarmee de mogelijkheid gehad de opslag van de stoffen te weigeren of in de ontstane situatie in te grijpen.

Nu verdachte, zoals haar vertegenwoordiger ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, geen informatie heeft ingewonnen naar de aard en samenstelling van de aan haar aangeboden stoffen, komt het voor haar rekening en verantwoording dat het stoffen waren welke niet zonder daartoe verleende vergunning opgeslagen mochten worden.

Betreffende stoffen kwamen van een metaalverwerkende multinationale onderneming en dat had voor verdachte temeer reden moeten zijn informatie over de aard en samenstelling van de betreffende stoffen, alsmede over de daarvoor geldende regelgeving, in te winnen.

Op grond van het vorenoverwogene komt verdachte een beroep op ontslag van alle rechtsvervolging niet toe en behoort dit te worden afgewezen.

B3.Ook een beroep op overmacht komt de verdachte niet toe nu zij door niet van tevoren te informeren naar de aard en samenstelling van de stoffen zichzelf in deze situatie heeft gebracht.

Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

B4.Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het voordeel van de verdachte er rekening mee gehouden dat:

- de verdachte terzake soortgelijke strafbare feiten nog niet eerder is veroordeeld;

- na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken;

Ter bescherming en handhaving van de bij de Wet milieubeheer betrokken belangen, acht het hof oplegging van na te melden straf geboden.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen:

23, 24, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht,

1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

8.1 van de Wet milieubeheer en

Bijlage II, behorende bij het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (oud),

zoals deze artikelen en bijlage ten tijde van het bewezen verklaarde luidden.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"medeplegen van: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, begaan door een rechtspersoon".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van ? 5.000,-- (Eur.vijfduizend).

Dit arrest is gewezen door Mr. Harmsen, als voorzitter

Mrs. Van de Loo en De Lange, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. De Bruijn, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 januari 2004.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 00

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte],

gevestigd te [adres],

Is bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Breda van 25 februari 2002 ter zake van:

veroordeeld tot:

vrijspraak;