Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO3282

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
10-02-2004
Zaaknummer
20.000991.03 O.W.V.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering moet in een geval als het onderhavige het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van 7 november 2002 van de eerste rechter.

Nu het hoger beroep pas na het verstrijken van die termijn, immers eerst op 5 maart 2003 is ingesteld, kan de veroordeelde niet in het hoger beroep worden ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 20.000991.03 O.W.V.

datum uitspraak: 16 januari 2004

tegenspraak;

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 november 2003 in de strafzaak onder parketnummer 01/089134-01 tegen:

[verdachte],

gevestigd te [adres].

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen genoemd vonnis ex artikel 36e, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De behandeling van de zaak heeft ter terechtzitting plaatsgevonden op tegenspraak.

Volgens artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering moet in een geval als het onderhavige het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van 7 november 2002 van de eerste rechter.

Nu het hoger beroep pas na het verstrijken van die termijn, immers eerst op 5 maart 2003 is ingesteld, kan de veroordeelde niet in het hoger beroep worden ontvangen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de veroordeelde gemotiveerd bestreden dat hij niet zou kunnen worden ontvangen in het hoger beroep omdat -kort gezegd- niet blijkt dat ten aanzien van de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel enige discussie ter terechtzitting van 27 september 2002 is geweest en aan de veroordeelde niet -hoorbaar- is medegedeeld dat de uitspraak in de ontnemingszaak zou plaatsvinden op 7 november 2003 te 09.45 uur.

Het hof heeft in verband met voormeld verweer de beslissing op de ontvankelijkheid van het appel aangehouden en nader onderzoek bevolen als omschreven in het proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof van 28 augustus 2003 en voorts de oproeping van twee getuigen bevolen.

Uit het nader onderzoek, met name uit het terzake opgemaakte -verkort- proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, de aanvulling daarop en de daarbij gevoegde persoonlijke aantekeningen van de griffier, alsmede uit een door de griffier aan de advocaat-generaal alhier gezonden toelichting, is komen vast te staan dat de voorzitter van de rechtbank op 27 september 2002 heeft medegedeeld dat de uitspraak van de rechtbank zal plaatsvinden op 7 november 2002 te 09.45 uur.

De verdachte was op die terechtzitting van 27 september 2002 verschenen in de persoon van haar vertegenwoordiger [naam].

Voorts blijkt uit de aantekeningen van de griffier dat de betreffende vordering van de officier van justitie -anders dan is betoogd- ook onderwerp van gesprek is geweest tijdens de terechtzitting van 27 september 2002 voornoemd.

Het verhoor van de ter terechtzitting van het hof dd. 16 januari 2004 verschenen getuigen in dit kader, heeft geen ander licht op de feiten en omstandigheden geworpen, nu zij omtrent de bestreden mededeling van de voorzitter, zowel in de ontnemingszaak als ook in de hoofdzaken, geen herinnering hebben.

Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel, dat de veroordeelde binnen veertien dagen na 7 november 2002 in hoger beroep had moeten gaan van de beslissing van de rechtbank en dat zij, nu zij zich daarvan eerst op 5 maart 203 heeft voorzien, daarin niet kan worden ontvangen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd of anderszins aannemelijk geworden op grond waarvan het hof tot een ander oordeel zou moeten komen.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep

Dit arrest is gewezen door Mr. Huurman-van Asten, als voorzitter

Mrs. Brandenburg en Rijken, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. De Bruijn, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 januari 2004.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte],

gevestigd te [adres],

Is bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 november 2003 ter zake van:

veroordeeld tot:

Legt aan [verdachte]. de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van EUR 129.326,00;