Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO3208

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2004
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
20.002807.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar voor het medeplegen van een diefstal met geweld, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 20.002807.03

datum uitspraak: 4 februari 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 5 augustus 2003 in de strafzaak onder parketnummer 03/005255-03 tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Geerhorst" te Sittard.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met dien verstande dat het hof in de vijfde regel van de bewezenverklaring het woord "met" verbeterd leest als "van", zijnde hier sprake van een kennelijke verschrijving en met dien verstande dat het hof het in de eenentwintigste regel van de tenlastelegging voorkomende woord "stoel" -overeenkomstig de door de rechtbank in de elfde regel van de bewezenverklaring reeds aangebrachte wijziging- verbeterd leest als "bank", en behalve voor wat betreft:

- de bewijsvoering;

- de kwalificatie van het bewezenverklaarde. De kwalificatie behoort te luiden als hieronder vermeld.

- de opgelegde straf en de strafmotivering,

en onder aanvulling van de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Om wille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen. De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft aangevoerd dat de snijwonden en de oppervlakkige steekwond veroorzaakt kunnen zijn door het gebroken glas en niet noodzakelijkerwijze door het mes behoeven te zijn veroorzaakt. Bewijs dat er daadwerkelijk met het mes is gestoken is, aldus de raadsman, niet aanwezig.

Het hof overweegt dienaangaande, dat uit de medische verklaring blijkt dat bij het slachtoffer onder meer is vastgesteld "een snijwonde linkerzijde onder het schouderblad van 12 cm lang met een aanzet van 5 cm die de huid niet doorboort, alsmede een steekwonde in de linker oksel van 1 cm".

Gezien de aard van de hiervoor omschreven verwondingen acht het hof het onaannemelijk dat deze door het in aanraking komen van het slachtoffer met op de grond liggende glasscherven zijn onstaan. Het hof acht op grond van de aard van het letsel bewezen dat dit door het steken met een mes is toegebracht.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de bij het slachtoffer aangetroffen verwondingen niet bewust zijn toegebracht door verdachte, doch dat deze verwondingen kunnen zijn ontstaan tijdens de worsteling met het slachtoffer.

Het hof overweegt dienaangaande dat, indien men met een mes in de hand een worsteling aangaat, men zich willens en wetens aan de aanmerkelijk kans blootstelt, dat er verwondingen als vastgesteld kunnen ontstaan en dat derhalve minstgenomen sprake is van voorwaardelijke opzet.

Met betrekking tot de vraag of in casu sprake is van zwaar lichamelijk letsel overweegt het hof dat het toebrengen van een snijwond van 7 cm op de linkerwang van het slachtoffer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, nu het slachtoffer hiervan een blijvend litteken heeft overgehouden en bovendien blijkens de medische verklaring volledig herstel van deze verwonding aan het gelaat twijfelachtig is.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat het slachtoffer in zijn eigen woning door verdachte en zijn mededader is overrompeld en daarbij ernstig is toegetakeld, en vervolgens in hulpeloze toestand in zijn woning is achtergelaten, met onder meer snijwonden aan het gezicht;

- dat het slachtoffer blijvende gevolgen van het toegebrachte letsel ondervindt;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de grote maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is;

- de omstandigheid dat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd gedurende de proeftijd terzake een eerdere veroordeling waarbij aan hem een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk was opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij

[Benadeelde partij] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Het hof verenigt zich met hetgeen de eerste rechter omtrent deze vordering heeft overwogen en beslist, met dien verstande dat daaraan wordt toegevoegd dat de aansprakelijkheid van verdachte ter zake een hoofdelijke is.

Dat wil zeggen dat indien en voor zover die vordering door een van de hoofdelijk aansprakelijke mededaders is voldaan, de verdachte in zoverre voor die vordering is gekweten.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 24c, 27, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis, doch alleen voor zover dit betreft de kwalificatie van het bewezen verklaarde en de aan de verdachte opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

"Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft".

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van

vier jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Bevestigt het beroepen vonnis voor al het overige, met inbegrip van de beslissing tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van € 1.500,00 en de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [naam] tot een bedrag van € 1.500,00, subsidiair 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat de aansprakelijkheid van verdachte terzake een hoofdelijke is.

Dit arrest is gewezen door Mr. Van Schaik-Veltman, als voorzitter

Mrs. Lo-Sin-Sjoe en Quaadvliet-van den Bongard, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Traa, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2004.

Mr. Quaadvliet-van den Bongard is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 13.30

verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Geerhorst" te Sittard.

Is bij vonnis van de rechtbank te Maastricht van 5 augustus 2003 ter zake van:

sub 1 subsidiair:

"Diefstal, voorafgegaan of vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd oor twee of meer verenigde personen, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft",

veroordeeld tot:

5 jr. gev.str. OV. - ma.

toew. vord. b.p. [naam] + schadeverg. maatregel ad € 1.500,= subs. 30 dgn. hecht.