Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO2782

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-02-2004
Datum publicatie
02-02-2004
Zaaknummer
20.001659.03
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2003:AF7813
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof heeft in hoger beroep de hoofdverdachte in de zaak Steegmans -onder andere- veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar en terbeschikkingstelling met dwangverpleging terzake doodslag.

Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging onder andere het volgende overwogen. Ten gevolge van de handelwijze van verdachte is volstrekt zinloos een einde gemaakt aan het leven van een 22 jarige man, die een heel leven voor zich had. Hierdoor is enerzijds aan de nabestaanden van het slachtoffer ondraaglijk leed toegebracht, maar is anderzijds ook de rechtsorde ernstig geschokt. De gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving zijn door het gedrag van verdachte versterkt. Uitspraken van politici, zoals door de raadsvrouwe geciteerd, -hoe onverstandig wellicht ook- beschouwt het hof als een uiting van de geschoktheid van de rechtsorde en geven het hof –evenmin als de media-aandacht- geen aanleiding om een lagere straf op te leggen.

Bovenstaande is voor het hof reden om het verzoek van de verdediging tot oplegging van een lagere gevangenisstraf af te wijzen. Tevens wijst het hof het verzoek van de verdediging tot oplegging van terbeschikkingstelling met voorwaarden (een mildere vorm van TBS) af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 20.001659.03

datum uitspraak: 2 februari 2004

tegenspraak;

na aanh.: oip

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 25 april 2003 in de strafzaak onder parketnummer 04/060357-02 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1984,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring "Overmaze" te Maastricht.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep op 29 april 2003 ingesteld door de officier van justitie is bij akte d.d. 15 mei 2003, derhalve tijdig, ingetrokken.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, en met de gronden waarop dit berust, met inbegrip van de beslissing op de vordering van de [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel, behalve voor wat betreft de bewijsvoering en de strafmotivering.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Om wille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen. De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in eerste aanleg toegelaten wijzigingen begrepen.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de raadsvrouwe is betoogd dat verdachte niet kan worden veroordeeld voor het primair ten laste gelegde feit –de doodslag- nu voor bewezenverklaring van dat feit is vereist dat de opzet van verdachte gericht moet zijn geweest op het ingetreden gevolg: de dood van het slachtoffer.

Bij verdachte heeft -blijkens door hem afgelegde verklaringen daaromtrent- nimmer de opzet bestaan [slachtoffer] te doden. Dit te meer nu hij ontkent te hebben geschopt en dit schoppen niet overtuigend uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Het hof overweegt als volgt.

Dr. J.L.J.M. Teepen, neuropatholoog, werkzaam bij het Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg, heeft -samen met mevrouw A. Maes, als patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, en mevrouw dr. B. Kubat, neuropatholoog- in een brief aan de advocaat-generaal, d.d. 3 december 2003 rapport uitgebracht naar aanleiding van de vraag van de advocaat-generaal om een nadere verduidelijking van de in de samenvatting van het sectierapport, d.d. 24 oktober 2002, voorkomende passage dat het geweld op het hoofd en de hals zowel een botsende als een rotationele component moet hebben gehad. Ter terechtzitting in hoger beroep is dr. Teepen gehoord als getuige-deskundige. In die hoedanigheid heeft hij verklaard:

“In de mede door mij opgestelde brief aan het openbaar ministerie, d.d. 3 december 2003, wordt vermeld dat bij het neuropathologisch onderzoek van de hersenen van [slachtoffer] een ‘axonale beschadiging’, te weten een verscheuring van de tussenwand van de twee hersenkamers, gevonden is.

Deze beschadiging is onverenigbaar met het leven. De beschadiging was met het blote oog zichtbaar en is ontstaan door overrekking van uitlopers van de zenuwcellen in de hersenen tengevolge van een roterende beweging van de hersenen waarbij de periferie sneller beweegt dan het centrum. Dit doet zich voor indien er op het hoofd een forse botsende kracht wordt uitgeoefend waardoor een plotselinge, roterende beweging van het hoofd ontstaat. Het met kracht tegen het hoofd slaan of het tegen het hoofd schoppen is -als dit met voldoende kracht gebeurt, wat bij schoppen eerder het geval zal zijn dan bij slaan- voldoende om deze beschadiging te laten ontstaan en zodoende de dood van het slachtoffer te veroorzaken. Het risico op deze beschadiging is groter indien het slachtoffer buiten bewustzijn is en de spieren in hals en nek ontspannen zijn”.

Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd heeft geslagen en geschopt, ook toen hij al op de grond lag.

De hevige mate van geweld en de kracht waarmee verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer] sloeg en/of schopte, met name toen hij al op de grond lag, blijkt niet alleen uit de verklaringen van de getuigen, zoals opgenomen in de bewijsmiddelen, maar ook uit de heftigheid van uitingen van ontzetting over dit geweld door omstanders: “Hou op gek, nou is het genoeg” ([betrokkene 1]] bij de rechter-commissaris, d.d. 23 december 2003), “Ik hoorde mensen roepen: “schei uit, hou op”,. Ik heb dat zelf ook geroepen” ( [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris, d.d. 23 december 2003), “Ik raakte in paniek en heb geschreeuwd: “hee, doe wat” ( [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris, d.d. 23 december 2003).

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een bijzonder kwetsbaar deel van lichaam vormt en dat aanwending van geweld tegen het hoofd zeer risicovol is. Verdachte die eerder oosterse gevechtsporten had beoefend, moet zich van het risico van het door hem uitgeoefende excessieve geweld bewust zijn geweest. Het hof is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] tengevolge van zijn handelwijze zou komen te overlijden. Verdachtes opzet –in de zin van voorwaardelijk opzet- was derhalve gericht op de levensberoving van [slachtoffer].

Het hof verwerpt het verweer.

Door de raadsvrouwe is onder punt 3.2. van haar in hoger beroep overgelegde pleitnota en tevens in haar in eerste aanleg gevoerde pleidooi verwezen naar de mogelijkheid van andere factoren -dan het door verdachte aangewende geweld- welke van invloed geweest zouden kunnen zijn op het intreden van de dood bij [slachtoffer].

Het hof schaart zich achter het eerder genoemde oordeel van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuige-deskundige dr. J.L.J.M. Teepen, neuropatholoog, wat betreft de doodsoorzaak van het [slachtoffer] –welk oordeel eenduidig is en zonder voorbehoud- en verwerpt het verweer.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Door de raadsvrouwe van verdachte is -met verwijzing naar de rapporten van dr. J.C. Zwemstra, forensisch psychiater, d.d. 16 maart 2003, inclusief post scriptum, en 5 januari 2004 en de rapporten van drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/neuropsycholoog, d.d. 14 februari 2003 en 23 december 2003- betoogd dat het feit verdachte enerzijds verminderd valt toe te rekenen en anderzijds dat -gezien de door beide deskundigen gesignaleerde recente positieve ontwikkeling bij verdachte met betrekking tot de vastgestelde psychische stoornis en de motivatie tot behandeling- de maatregel van TBS met voorwaarden –in combinatie met een detentie voor de duur van maximaal 3 jaren- een passende reactie zou zijn.

De raadsvrouwe merkt nog op dat -mocht het hof toch een TBS met dwangverpleging gelasten- een combinatie van een lange gevangenisstraf met een TBS ongewenst is. Zij voert daartoe aan dat bij een lang verblijf in de gevangenis de geestestoestand van verdachte zal verslechteren hetgeen contraproductief zal zijn voor het slagen van de behandeling in het kader van de TBS. In een dergelijke matiging van de straf zal tevens uitdrukking komen aan het verminderd schuldverwijt vanwege de bij verdachte aanwezige psychische stoornis.

De raadsvrouwe heeft er voorts op gewezen dat door de wijze waarop door enkele politici en in verscheidene media is gesproken over dit feit en over de straf die verdachte zou verdienen, inbreuk is gedaan op het recht van verdachte op een eerlijk proces en dat zulks dient te leiden tot een lagere straf.

Het hof overweegt met betrekking tot dit strafmaatverweer als volgt.

De verdachte heeft zich -na een volstrekt normale opmerking van [slachtoffer] over verdachtes gedrag- laten gaan in het aanwenden van ongeremd geweld tegen [slachtoffer]. Verdachte is naar eigen zeggen “door het lint gegaan” en heeft zich blind van woede –ten aanschouwen van winkelend publiek, waaronder kinderen- overgegeven aan zijn agressie jegens het slachtoffer. Het hof acht deze explosie van agressie –tengevolge waarvan een persoon is komen te overlijden- zo ernstig en zo verwijtbaar dat een vrijheidstraf voor lange duur is geboden. De door de verdediging voorgestelde TBS met voorwaarden is door de in artikel 38, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht voorgeschreven beperking van de duur van een tevens op te leggen vrijheidstraf tot maximaal 3 jaren daarom al geen reële optie.

Het hof rekent de verdachte verder aan dat hij eerder ter zake van geweldsmisdrijven is veroordeeld.

Het hof ziet in het bezwaar van de raadsvrouwe tegen de combinatie van een gevangenisstraf voor langere duur en de maatregel van TBS geen reden tot het opleggen van een lagere straf nu uit het wettelijk systeem –in casu artikel 42, lid 1, van de Penitentiaire maatregel- volgt dat inbeginsel de overplaatsing van de veroordeelde naar een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden geschiedt nadat een derde van de opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd.

Voorts overweegt het hof dat ten gevolge van de handelwijze van verdachte volstrekt zinloos een einde is gemaakt aan het leven van een 22 jarige man, die een heel leven voor zich had. Hierdoor is enerzijds aan de nabestaanden van het slachtoffer ondraaglijk leed toegebracht, maar is anderzijds ook de rechtsorde ernstig geschokt. De gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving zijn door het gedrag van verdachte versterkt. Uitspraken van politici, zoals door de raadsvrouwe geciteerd, -hoe onverstandig wellicht ook- beschouwt het hof als een uiting van de geschoktheid van de rechtsorde en geven het hof –evenmin als de media-aandacht- geen aanleiding om een lagere straf op te leggen.

Bij de straftoemeting heeft het hof anderzijds rekening gehouden met de jeugdige leeftijd en de omstandigheden en de persoon van verdachte –met name de geconstateerde verminderde toerekeningsvatbaarheid- zoals daarvan blijkt uit de rapportages van de deskundigen dr. Zwemstra en drs. Zwegers en het milieurapport, d.d. 10 maart 2003, van A.L.J.J. Jansen, milieurapporteur van de Stichting Reclassering, unit ’s-Hertogenbosch.

Uit de rapportages komt verdachte naar voren als iemand met een beeld van zichzelf als een goede, goed voor zijn ouders en broertjes zorgende, jongen die weliswaar kortdurend werkeloos is, maar die bewust bezig is een goede plek in de maatschappij te vinden (Zwemstra); als iemand die overtuigd is van zijn eigen grootheid en goedheid en die van zijn omgeving bevestiging verwacht van zijn hoge zelfgevoel (Zwegers). Terwijl er in werkelijkheid sprake was van een neergaande spiraal, zoals het hof afleidt uit de milieurapportage van A. Janssen.

Bij lezing van de rapportages ontstaat bij het hof het beeld van een jongen die door ernstige pedagogische en affectieve verwaarlozing, onvoldoende begeleiding en een ontbrekend referentiekader een geheel eigen invulling heeft gegeven aan wat goed is en hoe men respect verdient en verliest. Hij ervaart zich overeenkomstig die eigen invulling als een goed mens die respect voor anderen heeft maar bovenal dat respect ook zelf verdient.

Juist op het ontbreken van respect werd hij door [slachtoffer] aangesproken. Het is tekenend, maar ook schrijnend, te moeten constateren dat verdachte vanuit zijn eigen invulling van wat goed is en respect inhoudt, geen kans heeft gezien verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag en het verwerpelijke daarvan in te zien. Dit is te verklaren vanuit zijn narcistische persoonlijkheid –zoals hierna beschreven- hetgeen onder omstandigheden kennelijk leidt tot een heftige krenking van zijn gevoel van zelfrespect.

Dit onderstreept de noodzaak om naast strafoplegging tot een behandeling te komen.

Terbeschikkingstelling

Ter beoordeling van de door strafbaarheid van verdachte zijn de eerder genoemde rapportages opgemaakt door dr. J.C. Zwemstra, forensisch psychiater, d.d. 16 maart 2003, en drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/neurospycholoog, d.d. 14 februari 2003.

Het rapport van dr. J.C. Zwemstra houdt onder meer in –zakelijk weergegeven-:

Er is sprake van zeer forse, emotioneel psychologische scheefgroei en onrijpheid, die de kleur heeft aangenomen van ernstige narcistische problematiek, te benoemen als een beginnende narcistische persoonlijkheidsstoornis.

Onbehandeld is er zeker recidivekans op nieuwe gewelddadige incidenten, waarbij overigens de kans op een nieuwe doodslag niet overmatig groot wordt geacht gezien het feit dat betrokkene al op basis van leeftijd psychologisch rijper en volwassener zal worden. Anderzijds zijn de zeer grote krenkbaarheid en de narcistische aspecten in de persoonlijkheid zeker luxerende factoren voor recidief geweldsincidenten.

Gezien de ernst van het feit en een zeker recidiverisico op nieuwe geweldsincidenten enerzijds en de ernst van de scheefgroei en narcistische persoonlijkheidsproblematiek anderzijds lijkt intensieve behandeling gerechtvaardigd, ook al vanwege de kans dat een dergelijke behandeling in een relatief begrensde episode kan leiden tot duidelijke groei en emotionele psychologische rijping.

Behandelinhoudelijk lijkt hierbij gedacht te kunnen worden aan de zeer behandelintensieve programma's van een van de meer op groei gerichte TBS- klinieken.

Gezien de ernst van het feit is het enige kader wat deze behandeling faciliteert een TBS met verpleging.

Advies

Rapporteur adviseert om de betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met

verpleging op te leggen.

Het rapport van drs. A.F.J.M. Zwegers houdt onder meer in

-zakelijk weergegeven-:

De betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens die in diagnostische zin zijn te beschrijven als een narcistische persoonlijkheidsstoornis.

Gelet op de wijze waarop drang tot vergelding en woede gemobiliseerd kunnen worden vanuit betrokkene's gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling, is duidelijk dat hij in de toekomst gemakkelijk tot een geweldsdelict zal kunnen komen. Om gewelddadig gedrag in de toekomst te voorkomen is een behandeling aangewezen, gericht op de gebrekkige ontwikkeling van betrokkene's persoonlijkheidsstructuur. Het spreekt voor zich dat betrokkene's overwaardige zelfbeeld onverenigbaar is met intrinsieke motivatie ten aanzien van een dergelijke behandeling. Immers verwijst een indicatie tot behandeling naar onvolwaardigheid en de betrokkene kan niet anders dan die indicatie als een krenkende beoordelingsfout ervaren. Dit wordt onderstreept door het gegeven dat de betrokkene tijdens het onderzoek, zelfs niet in de geringste mate, het delictscenario in verband brengt met eventuele fouten of tekortkomingen van hemzelf.

Indien de betrokkene tot behandeling te motiveren zou zijn, dan zal die motivatie waarschijnlijk zo weinig werkelijk door hem gedragen worden, dat daarmee een solide basis voor therapeutisch succes ontbreekt. Er is echter nog een belangrijke factor die de continuïteit van een behandeling in gevaar brengt. Het is namelijk niet te vermijden dat op enig punt in het behandelingstraject, de betrokkene zich door de therapeutische benadering zo gekrenkt voelt, waardoor er een aanzienlijke kans bestaat dat hij zich tegen continuering zal verzetten en de behandeling voortijdig zal afbreken.

Gelet op bovenstaande overwegingen is het niet mogelijk om behandeling veilig te stellen binnen enig voorwaardelijk kader. Rapporteur ziet geen andere mogelijkheid dat te adviseren om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging op te leggen. Hoewel de veiligheid gedurende het behandelingstraject daarbij ook een overweging is, mag niet onvermeld blijven dat de prognose binnen een gedwongen kader niet ongunstig is. Omdat betrokkene's persoonlijkheidsstructuur nog niet vast gevormd is, kan men therapeutisch effect verwachten, zodanig dat de behandeling daadwerkelijk het recidivegevaar zal kunnen reduceren tot een aanvaardbaar niveau.

Advies

Rapporteur adviseert om de betrokkene de maatregel van ter beschikkingstelling met verpleging op te leggen.

De deskundigen dr. Zwemstra en drs. Zwegers zijn ook in hun latere rapportages van 5 januari 2004 en 23 december 2003 duidelijk en consistent in hun conclusies dat bij verdachte sprake is van een ernstige psychologische schreefgroei en narcistische persoonlijkheidsproblematiek. Beiden geven aan dat deze stoornis weliswaar behandelbaar is en dat zich voorzichtig positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan, maar dat de problematiek niet eenvoudig op te lossen zal zijn.

De deskundige Zwemstra merkt op dat de narcistische problematiek aan scherpte is verminderd, maar blijkt nog steeds van oordeel dat een klinische behandeling noodzakelijk is. De deskundige Zwegers geeft aan dat niet geconcludeerd mag worden dat verdachtes persoonlijkheidsstoornis niet meer aanwezig is of dat deze beduidend in ernst is afgenomen. Ook hij acht een behandeling –en wel in een gedwongen kader- nog steeds noodzakelijk

Het hof neemt de conclusies en het advies van de rapporteurs over.

Op grond van het oordeel dat ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en gelet op de kans op recidive van geweldsdelicten, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van ter beschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege, eist.

Het hof ziet , gelet op de terzake geldende wettelijke regeling, geen aanleiding om in haar uitspraak een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen, nu zoals hierboven overwogen, bijzondere redenen daarvoor ontbreken.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De oplegging van straf en maatregel is gegrond op de artikelen: 24c, 27, 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Bevestigt het beroepen vonnis.

Dit arrest is gewezen door Mr. Ficq, als voorzitter

Mrs. De Poorter en Nieuwenhuijsen, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Waals, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 februari 2004.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 01

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1984,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring "Overmaze" te Maastricht.

Is bij vonnis van de rechtbank te Roermond van 25 april 2003 ter zake van:

"Doodslag";

veroordeeld tot:

8 jrn. gev.str. OV. MAV., TBS met bevel tot verpleging, toewijzing vordering ben.p., oplegging maatregel verpl. a/d staat tbv slachtoffer