Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO2776

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2004
Datum publicatie
02-02-2004
Zaaknummer
R200300601
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling behoefte aan partneralimentatie op basis van uitgavenpatroon tijdens huwelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

FB

15 januari 2004

Rekestenkamer

Rekestnummer R200300601

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J.E. Lenglet,

t e g e n :

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. M.L.A. van Opstal.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 mei 2003, zoals verbeterd bij beschikking van diezelfde rechtbank van 8 juli 2003, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2003, heeft de man verzocht voormelde beschikking van 27 mei 2003 te vernietigen ten aanzien van de daarbij bepaalde partneralimentatie, en opnieuw rechtdoende, te beslissen dat de onderhoudsbijdrage voor de vrouw op nihil wordt gesteld, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 september 2003, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde beroep en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2003. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn raadsman mr. C.A.M. Swagemakers,

- de vrouw, bijgestaan door haar raadsman mr. M.L.A. van Opstal.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg op 8 oktober 2002 en 24 maart 2003;

- de namens de vrouw verstuurde brief met bijlagen van mr. C.M. van Beers van 19 november 2003.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 21 december 1979 met elkaar gehuwd. De tussen hen gewezen echtscheidingsbeschikking van 18 oktober 2002 van de rechtbank te 's-Hertogenbosch is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 13 februari 2003.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [Kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [datum](hierna te noemen: [kind 1]);

- [Kind 2], geboren te [geboorteplaats] op [datum](hierna te noemen: [kind 2])

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. [Kind 1] heeft zijn hoofdverblijf bij de man, [kind 2] verblijft bij de vrouw.

4.3. Bij vervolgbeschikking van 27 mei 2003 (zoals verbeterd bij beschikking van 8 juli 2003) heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch - onder meer en voorzover thans van belang - bepaald dat de man vanaf de dag van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, met een bedrag van E. 3.084,= per maand dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.

4.4. De man stelt zich allereerst op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de alimentatie voor de vrouw heeft doen ingaan op het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers. Volgens de man kan de alimentatie eerst ingaan met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank van 27 mei 2003, waarbij de onderhoudsbijdrage voor de vrouw uiteindelijk is vastgesteld.

Met de vrouw is het hof van oordeel dat de rechter bij het bepalen van de ingangsdatum van een na echtscheiding aan een echtgenoot toe te

kennen alimentatie een grote mate van vrijheid toekomt. Deze vrijheid is slechts in zoverre beperkt dat - zoals ook strookt met art. 1:157 BW - de rechter deze niet kan doen ingaan vóór de datum van inschrijving van de echtscheidingsbe-schikking (HR 8 juli 1996, NJ 1997, 120). In de omstandigheden van het geval, waarin de (voor de beoordeling van de draagkracht van de man in beginsel van belang zijnde) jaarstukken van diens ondernemingen over 2000 eerst in een laat stadium in de procedure beschikbaar kwamen, de man heeft nagelaten te reageren op de vragen van de raadsman van de vrouw met betrekking tot de financiële omstandigheden van die ondernemingen, en de vrouw zich immer op het standpunt heeft gesteld behoefte te hebben aan een partneralimentatie van E. 5.000,= per maand, stond het de rechtbank vrij de ingangsdatum te bepalen op de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Ook het hof zal van deze ingangsdatum (13 februari 2003) uitgaan, indien hij tot het oordeel mocht komen dat er gronden aanwezig zijn om een onderhoudsbijdrage voor de vrouw te bepalen.

4.5. De man heeft de behoefte van de vrouw betwist. Zo stelt hij dat de vrouw - mede gelet op de leeftijd van de bij haar verblijvende dochter van partijen - in staat moet worden geacht arbeid te verrichten. Verder stelt de man dat de rechtbank bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw (en overigens ook bij de vaststelling van zijn draagkracht) er ten onrechte van is uitgegaan dat hij buiten zijn arbeidsinkomsten als statutair directeur van [X] Nederland BV inkomsten heeft uit de vennootschappen waarin hij middellijke dan wel onmiddellijke zeggenschap heeft. Tenslotte stelt de man zich op het standpunt dat partijen op veel te grote voet hebben geleefd en zij meer hebben uitgegeven dan hun inkomsten rechtvaardigden. Daardoor hebben zij ingeteerd op het vermogen, onder meer door opnamen in rekening-courant. Deze mogen volgens de man niet meetellen bij de bepaling van de behoefte van de vrouw, omdat dat geld slechts eenmaal kan worden uitgegeven.

De vrouw heeft deze stellingen betwist. Zij stelt dat haar in maart 1998 een ernstig auto-ongeluk is overkomen en dat zij daardoor verregaande beperkingen ondervindt bij het verrichten van werkzaamheden. Verder stelt de vrouw dat zij niet gelooft dat er geen ruimte was voor de levensstijl, welke partijen er tijdens hun huwelijk op na hielden.

Het hof overweegt als volgt. Maatgevend voor de omvang van de behoefte van de vrouw is de mate van welstand waarin partijen ten tijde van het huwelijk hebben geleefd. Ter bepaling van die mate van welstand kan worden aangesloten bij het uitgavenpatroon tijdens het huwelijk. Onjuist is dan ook de stelling van de man dat de onttrekkingen welke tijdens het huwelijk aan diens vennootschappen zijn gedaan, geen gevolgen dienen te hebben voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw. Blijkens de eigen stellingen van de man staat immers vast dat partijen mede van die onttrekkingen hebben geleefd, waardoor de vrouw dus per saldo heeft meegeprofiteerd van de - kennelijk grote - uitgaven die partijen feitelijk hebben verricht, en haar behoefte nu juist mede daardoor wordt bepaald. Dat de man zich daarbij thans op het standpunt stelt dat er is ingeteerd op het vermogen en dat hij het geld maar één keer kan uitgeven is niet relevant en speelt bovendien enkel een rol bij de beoordeling van zijn draagkracht.

Vast staat derhalve dat partijen tijdens het huwelijk veel geld hebben uitgegeven. Door de vrouw is in dat kader zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een beschrijving gegeven van het huishouden. Daarbij heeft zij gesteld dat tijdens het huwelijk in feite alles kon, dat partijen een grote, vrijstaande villa met 1 hectare grond en paardenstallen bewoonden, dat partijen twaalf eigen paarden hadden met alle toebehoren, dat zij tenminste drie keer per jaar meerdere weken met vakantie gingen waarbij zij meestal verre reizen maakten, dat zij een au pair hadden (die een auto ter beschikking kreeg), dat zij hulp in de huishouding en een tuinman hadden, dat de vrouw meerdere auto's van de man kreeg, waaronder twee Mercedessen Cabriolet en dat ook de kinderen zonder enige financiële beletselen alle gewenste hobby's konden uitoefenen. Gelet op dit door de vrouw omschreven - en door de man niet weersproken - beeld van de huishouding van partijen, komt het hof het, zij het op andere gronden, door de rechtbank tot uitgangspunt genomen behoeftebedrag van E. 5.000,= bruto per maand niet onredelijk voor.

De beantwoording van de vraag of de man gehouden is volledig in deze behoefte te voorzien is afhankelijk van zijn eigen draagkracht en van de verdiencapaciteit van de vrouw. Het hof zal eerst op dat laatste aspect ingaan.

4.6. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw, behoudens een korte periode waarin zij als - ongediplomeerd - thuiskapster werkte, niet gewerkt. In maart 1998 is de vrouw een auto-ongeval overkomen, ten gevolge waarvan de vrouw een posttraumatisch whiplashsyndroom heeft opgelopen. Uit de door prof. dr. J.C. Koerier opgemaakte rapportage over de vrouw blijkt dat de vrouw ten gevolge van het ongeval beperkingen kent in het dagelijks leven, en dat haar carrièremogelijkheden ten aanzien van het lichamelijke aspect beperkt zijn. Niet gebleken is verder dat de vrouw over enige relevante opleiding of diploma's beschikt. Mede gelet op de huidige situatie op de arbeidsmarkt voor ongeschoolden, komt het hof, alles afwegende, tot het oordeel dat de vrouw niet in staat is om zelfstandig binnen een overzienbare periode geheel of gedeeltelijk in haar door het huwelijk bepaalde behoefte te voorzien.

De man heeft daarnaast nog gesteld dat de vrouw mogelijk bij de verzekeraar van de veroorzaker van het auto-ongeval verlies van arbeidsvermogen heeft geclaimd en dat, nu zij daarover geen stukken in het geding heeft gebracht, zulks gevolgen dient te hebben voor de vaststelling van haar behoefte. Nog daargelaten dat vast is komen staan dat de vrouw ten tijde van het ongeval niet werkte en derhalve een claim wegens verlies van arbeidsvermogen op voorhand problematisch kan worden geacht, is ter zitting namens de man het verlies van het arbeidsvermogen van de vrouw geschat op een bedrag van E. 500,= per maand. De vrouw heeft echter ook dan - zelfs indien daar rekening mee gehouden zou worden - nog immer behoefte aan de door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdrage van E. 3.084,= per maand.

Tenslotte heeft de man ter zitting gesteld dat de vrouw samenwoont met een ander zoals bedoeld in artikel 1:160 BW, hetgeen de vrouw heeft ontkend. De door de man ter zitting genoemde omstandigheden zijn onvoldoende om aan te nemen dat de vrouw duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert met iemand anders en dat er sprake zou zijn van een wederzijdse verzorging. Nu man verder geen bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden en hij ter zitting heeft gesteld ook geen nader bewijs te kunnen leveren, faalt zijn beroep op artikel 1:160 BW.

4.7. Ten aanzien van de vaststelling van de draagkracht van de man is diens centrale stelling dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat hij naast zijn inkomen als statutair directeur van [X] Nederland BV salaris ontvangt uit de BV's waarvan hij als directeur-grootaandeelhouder (DGA) kan worden beschouwd. De vrouw stelt daarentegen dat de rechtbank juist terecht tot dat oordeel is gekomen.

Uit de beschikking van de rechtbank blijkt dat zij aansluiting heeft gezocht bij het salaris dat de man in 1997 en 1998 als DGA ontving van ƒ 115.791,= (E. 52.543,67) bruto per jaar. De rechtbank was daarbij van oordeel dat de man niet, althans onvoldoende, aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt dat hij geen salaris meer ontvangt als DGA van zijn vennootschappen, daar hij geen gegevens van zijn vennootschappen van na 2000 noch zijn aangifte inkomstenbelasting 2001 in het geding heeft gebracht en hij voorts heeft nagelaten te reageren op de door de accountant van de vrouw bij brief van 30 oktober 2002 geformuleerde vraagpunten ten aanzien van zijn inkomen. Deze accountant gaat ervan uit, dat de man - gelet op het bepaalde in artikel 12a LB - inkomen uit zijn vennootschappen moet hebben.

Nu de man van mening is dat zijn financiële omstandigheden de betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw niet toelaten, had het - zeker daar waar de hoogte van zijn inkomen ook in eerste aanleg uitgebreid ter discussie heeft gestaan - op zijn weg gelegen zowel de vrouw als het hof volledige inzage te verstrekken in zijn financiële situatie. Ook in hoger beroep heeft de man echter nagelaten tijdig bewijsstukken in het geding te brengen met betrekking tot de toestand van zijn vennootschappen van na 2000 en met betrekking tot zijn fiscaal inkomen. Het hof is daarnaast van mening dat het op de weg van de man had gelegen antwoorden te formuleren op de door de accountant van de vrouw naar voren gebrachte vragen. De man heeft evenwel ter zitting aangegeven dat zijn prioriteiten op een ander vlak liggen.

Nu de man voldoende gelegenheid heeft gehad de hiervoor bedoelde stukken in het geding te brengen, doch deze gelegenheid niet te baat heeft genomen, is het hof van oordeel dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat hij niet tenminste een bijkomend salaris als DGA van zijn vennootschappen ontvangt van E. 52.543,67 per jaar.

De stelling van de man dat hij bij [X] geen bonussen meer ontvangt, moet hetzelfde lot delen. Ook die stelling heeft de man niet aannemelijk kunnen maken middels in rechte geloof verdienende bewijsstukken, zoals een verklaring van zijn werkgever.

De man heeft ter zitting van het hof nog wel aangeboden stukken in het geding te brengen ter nadere onderbouwing van zijn stellingen, doch het hof acht daarvoor onder de hiervoor geschetste omstandigheden, waarin de man reeds ruim voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn stellingen aan de hand van in rechte geloof verdienende bescheiden te onderbouwen, geen enkele aanleiding.

4.8. De man heeft in zijn beroepschrift verder nog gesteld dat de rechtbank zijn representatiekosten niet in aanmerking heeft genomen. Nog daargelaten dat de man deze stelling - voorzover deze reeds als grief dient te worden aangemerkt - ook in hoger beroep niet nader heeft onderbouwd middels bewijsstukken van die kosten, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden (welke het hof overneemt) gewezen op de arbeidsovereenkomst van de man, waaruit blijkt dat de man het recht heeft om de door hem gemaakte kosten te declareren en op het feit dat de man niet heeft aangetoond dat hij daarnaast nog andere kosten heeft.

4.9. Tenslotte heeft de man nog gesteld - kennelijk met het oog op de vaststelling van zijn draagkracht - dat, nu hij met een bedrag van E. 500,= per maand bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van dochter [kind 2], er ook rekening gehouden dient te worden met eenzelfde ten laste van hem komend bedrag voor zoon [kind 1]. De man gaat er daarbij evenwel aan voorbij dat bij de vaststelling van zijn draagkracht reeds rekening is gehouden met de (hogere) bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder, dat bovendien rekening wordt gehouden met een lager draagkrachtpercentage, en dat de man vanwege het verblijf van [kind 1] bij hem, in aanmerking komt voor extra heffingskortingen (aan welk aspect de rechtbank overigens nog is voorbijgegaan). Met de door de man genoemde internaatkosten houdt het hof geen rekening, nu de man deze kosten niet heeft aangetoond en de vrouw ter zitting onweersproken heeft gesteld dat [kind 1] in elk geval thans niet op een internaat zit.

4.10. Gelet op al het voorgaande, falen alle door de man naar voren gebrachte grieven. De bestreden beschikking dient derhalve te worden bekrachtigd. De proceskosten van dit hoger beroep zullen worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 mei 2003, zoals verbeterd bij beschikking van diezelfde rechtbank van 8 juli 2003;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Soest-van Dijkhuizen, Van Teeffelen en Van der Velden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 januari 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.