Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AZ0187

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2003
Datum publicatie
16-10-2006
Zaaknummer
C0100936
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil omtrent betaling rekeningen voor accountantswerkzaamheden. Kwaliteit dienstverlening. Bekendheid met algemene voorwaarden. Comparitie ivm mogelijke schikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. AW

rolnr. C0100936/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

derde kamer, van 24 juni 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

h.o.d.n. [bedrijf appellante],

wonende en zaakdoende te [plaats],

appellante,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

h.o.d.n. [bedrijf geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] en kantoorhoudende te [plaats], [gemeente],

geïntimeerde,

procureur: mr. C.E.M. Renckens,

op het bij exploot van dagvaarding d.d. 9 augustus 2001 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te Maastricht tussen appellante – [appellante] - als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] - als eiser op 17 mei 2001 gewezen vonnis onder nummer 48210/1999.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, aan partijen genoegzaam bekend.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven (met 6 producties) heeft [appellante] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het het hof behage het vonnis waarvan beroep te vernietigen en alsnog bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen, als ongegrond en/of onbewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord (met 1 productie) heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd dat het het hof behage het vonnis waarvan beroep zonodig onder aan-vulling of verbetering van de gronden te bekrachtigen met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instan-ties.

2.3. Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en uit-spraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven luiden:

Grief 1

De rechtbank te Maastricht heeft in haar vonnis van 17 mei 2001 ten onrechte geoordeeld dat de door [geïntimeerde] overlegde leverings- en betalingsvoorwaarden tussen partijen van toepassing zijn. In dit kader overweegt de rechtbank ten onrechte dat zij het niet aannemelijk acht dat [appellante] niet bekend was met de door [geïntimeerde] gehanteerde voorwaar-den. En dat [appellante] reeds in een veel eerder stadium bezwaar had dienen te maken, indien zij van oordeel was dat [geïntimeerde] die voorwaarden ten onrechte op de tussen hen bestaande relatie van toepassing achtte en [appellante] zich daar thans niet meer op kan beroepen.

Grief 2

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen:

"Nu de rechtbank van oordeel is dat de door [geïntimeerde] over-gelegde leverings- en betalingsvoorwaarden tussen partijen van toepassing zijn, dient vervolgens te worden beoordeeld of [appellante] binnen de ingevolge artikel K geldende termijn heeft gereclameerd over de hoogte van de haar toegezonden facturen."

Grief 3

Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis van 17 mei 2001 overwogen:

"[appellante] heeft echter nagelaten om deze stelling (dat de hoogte van de door [geïntimeerde] aan haar verstuurde facturen zeer lang en hevig onderwerp van discussie is geweest) nader te onderbouwen met bijvoorbeeld data, brieven of iets dergelijks, waaruit kan blijken dat [appellante] inder-daad binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd tegen de van [geïntimeerde] ontvangen facturen. Nu niet kan worden vastgesteld dat door of namens [appellante] eerder dan bij brief van de raadsman van 21 januari 1999 is gereclameerd tegen de in het geding zijnde facturen, dient te worden geconcludeerd dat op dat moment de daarvoor geldende termijn reeds ten aanzien van alle facturen, met uitzondering van de factuur van 23 december 1998, was verstreken en de door [geïntimeerde] middels die facturen in rekening gebrachte bedragen door [appellante] verschuldigd zijn geworden".

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [geïntimeerde] heeft vanaf 1983 in opdracht van [appellante] accountantswerkzaamheden verricht voor de eenmanszaak van [appellante]. Voor vergoeding van verrichte werkzaamheden heeft [geïntimeerde] onder meer de volgende facturen aan [appellante] verzonden:

factuur d.d. 27-11-1997 ten bedrage van fl. 6.748,91

factuur d.d. 25-02-1998 ten bedrage van fl. 6.706,31

factuur d.d. 13-05-1998 ten bedrage van fl. 11.287,34

factuur d.d. 26-08-1998 ten bedrage van fl. 8.091,34

factuur d.d. 10-11-1998 ten bedrage van fl. 8.415,94

factuur d.d. 23-12-1998 ten bedrage van fl. 80,07 (overgelegd als productie 1 bij CvA, m.u.v. de factuur d.d. 23-12-1998).

Het totaal van de factuurbedragen is fl. 41.329,91.

4.1.2. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat [appellante] ondanks herhaalde aanmaningen en ingebrekestelling nalatig is gebleven met betaling van deze facturen.

4.1.3. Bij brief van 18 januari 1999 (prod. 2 CvA) heeft [geïntimeerde] [appellante] onder meer bericht:

"Met referte aan ons telefonisch onderhoud van heden in-zake de onbetaalde rekeningen aan ons kantoor, met een totaal saldo van fl. 36.300,--, bevestig ik U hierbij dat wij als volgt zijn overeengekomen.

Gezien Uw moeilijke liquiditeitspositie van het moment bent U niet in staat om Uw schuld op korte termijn geheel in te lossen en ook niet om een forse aanbetaling hierop te doen. U heeft echter dringend behoefte aan de beschik-king over Uw gegevens die nog in ons bezit zijn.

Met het oog op deze feiten zijn wij slechts bereid om de betreffende stukken aan U af te staan als wij er zeker van kunnen zijn dat U Uw schulden betaalt. Wij hebben met U een uiterste betalingsregeling afgesproken die luidt als volgt (....)".

4.1.4. Bij brief van 21 januari 1999 (niet overgelegd) heeft de toenmalige raadsvrouwe van [appellante], mr.

S. Salvador, gereclameerd tegen voormelde facturen. Bij brief van 26 januari 1999 (eveneens niet overgelegd) heeft de raadsvrouwe van [geïntimeerde] laten weten deze bezwaren onge-grond te vinden.

4.1.5. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg op 28 april 1999 was door [appellante] een be-drag van fl. 5.029,-- in mindering voldaan, zodat er op die datum nog een bedrag van fl. 36.300,91 van de facturen openstond.

4.1.6. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] voor de rechtbank te Maastricht gevorderd [appellante] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen een be-drag van fl.37.899,55, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding. Het gevorderde bedrag van fl.37.899,55 is blijkens de inleidende dagvaarding in eerste aanleg samengesteld uit een bedrag van

fl. 36.300,91 terzake hoofdsom, een bedrag van fl. 1.398,64 aan berekende wettelijke rente, gerekend vanaf 30 dagen na factuurdatum tot aan de dag van dagvaar-ding, en een bedrag van fl. 200,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, welke beide laatstgenoemde bedragen worden gevorderd op grond van de volgens [geïntimeerde] toepasselijke algemene voorwaarden.

4.1.7. In de loop van de procedure in eerste aanleg heeft [appellante] op 25 november 1999 en op 12 januari 2000 een bedrag van fl. 5.000,-- aan [geïntimeerde] voldaan. Naar aanlei-ding hiervan heeft [geïntimeerde] de gevorderde hoofdsom vermin-derd met een bedrag van fl.10.000,--(CvR, punt 7), zodat de vordering thans nog fl. 27.899,55 in hoofdsom bedraagt.

4.1.8. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank te Maastricht geoordeeld dat de algemene Leverings- en Betalingsvoorwaarden van toepassing zijn en vervolgens naar de kern geoordeeld dat [appellante] niet binnen de ingevolge artikel K van voormelde voorwaarden geldende termijn van 30 dagen na de verzenddata van de facturen heeft gereclameerd, met uitzondering van de factuur d.d. 23 december 1998. Daarop heeft de rechtbank [appellante], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag (in hoofdsom) van fl. 27.899,55.

4.2. Aan haar eerste grief legt [appellante] - kort samengevat - ten grondslag dat de relatie tussen partijen gekwalifi-ceerd dient te worden als een duurovereenkomst met gevolg dat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden enkel aangenomen kan worden indien deze bij het aangaan van de relatie in 1983 is voorgesteld en door [appellante] is aan-vaard. Dit is volgens [appellante] niet het geval aangezien [geïntimeerde] de algemene voorwaarden eerst medio 1994 is gaan hanteren, zonder dat [appellante] kenbaar te maken en zonder haar de gelegenheid te bieden de wijziging van de tussen partijen bestaande overeenkomst te aanvaarden. Nu [geïntimeerde] dat nagelaten heeft, zijn de algemene voorwaarden niet van toepassing, aldus [appellante]. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

4.2.1. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] vanaf medio 1994 onderaan op de regelmatig aan [appellante] toegezonden facturen verwezen heeft naar algemene leverings- en betalingsvoorwaarden met vermelding dat deze zijn gedeponeerd onder [nummer] bij de KvK te 's-Gravenhage. Dit kan ook worden afgeleid uit de als producties 1,2,3,4 en 6 bij de memorie van grieven in afschrift overgelegde facturen. Volgens vaste rechtspraak kan verwijzing naar algemene voorwaarden op facturen onder omstandigheden wel degelijk meebrengen dat deze voorwaar-den op de overeenkomst van toepassing zijn. Bij de beant-woording van die vraag gelden geen andere maatstaven dan die voor de totstandkoming van overeenkomsten. Het komt er derhalve op aan of de algemene voorwaarden door [appellante] zijn aanvaard. Op grond van artikel 6:231 sub c BW is sprake van aanvaarding indien de wederpartij, in casu [appellante], door ondertekening van een geschrift of op andere wijze de gelding van algemene voorwaarden heeft aanvaard. Van aanvaarding door ondertekening is in het onderhavige geval geen sprake.

Nu gesteld noch gebleken is dat [appellante] nadat [geïntimeerde] vanaf medio 1994 op zijn facturen naar algemene voorwaar-den heeft verwezen daartegen heeft geprotesteerd, kan daaruit worden afgeleid dat [appellante] de gelding van deze algemene voorwaarden stilzwijgend heeft geaccepteerd. Dit geldt in ieder geval voor de facturen waarvan [geïntimeerde] thans betaling vordert en die [appellante] vanaf 1997 zijn toegezon-den, derhalve na herhaaldelijke verwijzing naar de algeme-ne voorwaarden op de daaraan voorafgaande facturen. De omstandigheid dat het van toepassing worden van algemene voorwaarden een aanzienlijke wijziging heeft teweegge-bracht in de tussen partijen voortdurende rechtsverhouding - los van de vraag of daarvan in dit geval sprake is - kan, anders dan [appellante] stelt, niet ertoe leiden dat die voorwaarden niet van toepassing zijn. Toegegeven kan worden, dat het in zo een situatie correct kan zijn de wederpartij te attenderen op de introductie van algemene voorwaarden, maar er bestaat geen rechtsplicht om zulks te doen. Het niet attenderen brengt dan ook niet met zich dat de voorwaarden buiten toepassing zouden moeten blijven (HR 5 juni 1992, NJ 1992/565, Noord- en Zuidhollandsche Lloyd - AEG Telefunken). De eerste grief faalt mitsdien.

4.3. Aan haar tweede grief legt [appellante] primair ten grondslag dat zij de vernietigbaarheid inroept van arti-kel K van de algemene voorwaarden, waarin de termijn van reclame is geregeld, aangezien [geïntimeerde] heeft nagelaten [appellante] een redelijke mogelijkheid te bieden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.

4.3.1. Artikel 6:233 aanhef en onder sub b BW bepaalt dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke moge-lijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Ingevolge artikel 6: 234, aanhef en lid 1 sub a BW heeft de gebruiker een redelijke mogelijkheid tot kennisneming geboden indien hij de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de weder-partij ter hand heeft gesteld. Tussen partijen staat vast dat een terhandstelling van de algemene voorwaarden niet is geschied. Met name vanwege de omvang van de in het geding gebrachte algemene voorwaarden, die uit 4 pagina's bestaan (prod. 1 CvR), kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat het voor [geïntimeerde] redelijkerwijs niet mogelijk is geweest om [appellante] daarvan een exemplaar te verstrekken. Gelet op het bepaalde in artikel 6:234, aanhef en lid 1 sub b BW betekent dit dat het niet meer van belang is of [geïntimeerde] [appellante] een mogelijkheid tot kennisneming heeft geboden door op de aan [appellante] toege-zonden facturen aan te geven waar de algemene voorwaarden zijn gedeponeerd en dient aangenomen te worden dat [appellante], nu [geïntimeerde] verstrekking van de algemene voorwaarden heeft nagelaten, op goede gronden de vernietiging van artikel K van de algemene voorwaarden heeft ingeroepen wegens het ontbreken van een redelijke mogelijkheid tot kennisneming daarvan. Gesteld noch gebleken is dat [appellante] met voormeld beding bekend was dan wel geacht kon worden daarmee bekend te zijn (HR 1 oktober 1999, NJ 2000/207, Geurtzen-Kampstaal). De tweede grief slaagt derhalve.

4.4. Nu de tweede grief gegrond is, brengt de devolutieve werking van het appèl met zich dat het hof opnieuw heeft te beslissen over de in eerste instantie berechte vor-dering, die in hoger beroep wordt gehandhaafd.

4.4.1. Allereerst dient beantwoord te worden de partijen verdeeld houdende vraag of [appellante], ook in het geval dat artikel K van de algemene voorwaarden, waarin de termijn van reclame is geregeld, niet van toepassing is, binnen bekwame tijd na ontvangst van de facturen diende te re-clameren en zo ja, of zij dat heeft gedaan.

4.4.2. In zijn algemeenheid kan niet worden aangenomen dat de schuldenaar, die de juistheid van een hem toegezonden factuur wil betwisten, onder alle omstandigheden gehouden is zulks te doen binnen bekwame tijd na ontvangst van die factuur. Het opstellen en het verzenden van een factuur gelden immers niet als een prestatie, zoals bedoeld in artikel 6:89 BW. Dit laat echter naar het oordeel van het hof onverlet dat van [appellante] verwacht mag worden dat zij haar bezwaren tegen de in haar visie vanaf 27 november 1997 (datum van de eerste factuur die wordt betwist) ten onrechte in rekening gebrachte werkzaamheden en de (mede in verband daarmee) teveel gerekende uren binnen een redelijke termijn na ontdekking daarvan aan [appellante] kenbaar maakt. [appellante] stelt dat zij reeds voorafgaand aan de brief d.d. 21 januari 1999 van haar raadsvrouwe- welke brief overigens niet is overgelegd - bij [geïntimeerde] heeft gereclameerd tegen de volgens haar teveel in reke-ning gebrachte uren. Conform haar bewijsaanbod zal [appellante] tot het bewijs daarvan worden toegelaten.

4.4.3. Ingeval in rechte mocht komen vast te staan dat [appellante] tijdig heeft gereclameerd, dient beoordeeld te worden of haar bezwaren tegen de haar in rekening gebrachte werkzaamheden en het aantal gedeclareerde uren doel treffen. Om proceseconomische redenen zal het hof deze thans reeds bespreken. Naar het hof begrijpt gaat het daarbij om de volgende posten.

4.4.3.1. [appellante] stelt dat partijen voor de door [geïntimeerde] zelf te verrichten werkzaamheden niet het haar in rekening gebrachte uurtarief van fl. 150,--, zoals vermeld op de toelichting (prod. 2 CvR), maar een uurtarief van

fl. 135,-- zijn overeengekomen, wat tot gevolg heeft dat haar een bedrag van fl. 1.414,41 teveel in rekening is gebracht. [geïntimeerde] betwist deze stelling. Op [geïntimeerde] rust de bewijslast dat partijen voor de door [geïntimeerde] zelf te ver-richten werkzaamheden een uurtarief van fl. 150,-- zijn overeengekomen. [geïntimeerde] zal tot dat bewijs worden toegelaten.

4.4.3.2. [appellante] stelt dat in het door [geïntimeerde] gehanteerde declaratiesysteem wordt gerekend in eenheden van 0,25 uur, 0,50 uur, 0,75 uur etc. Zij is echter van mening dat con-form hetgeen bij accountants gebruikelijk is, gerekend dient te worden in eenheden van 5 minuten. Mogelijk is op dit punt een deskundigenbericht noodzakelijk, maar eerst wenst het hof bij gelegenheid van de hierna te melden comparitie op dit punt nader te worden geïnformeerd.

4.4.3.3. Met verwijzing naar de door [geïntimeerde] overgelegde specificaties (gehecht aan het proces-verbaal van compa-ritie van partijen in eerste aanleg) stelt [appellante] dat [geïntimeerde] vanaf de tweede helft van 1997 structureel teveel uren in rekening heeft gebracht. Bij conclusie van repliek heeft [geïntimeerde] een bij de specificaties behorende codering-staat(prod. 2 CvR) overgelegd. Bij memorie van antwoord (blz. 9) stelt [geïntimeerde] dat zijn systeem van codering niet uiterst verfijnd is en dat achter de werkcodes vaak nog een nadere omschrijving ligt die terug te vinden is in de werkboeken. Voor zover partijen van mening verschillen over de juistheid van het aantal in rekening gebrachte uren is het hof van oordeel dat het op de weg van [geïntimeerde] ligt om mede aan de hand van zijn werkboeken een nadere deugdelijke onderbouwing te geven van het aantal in rekening gebrachte uren, waarna ook op dit punt zonodig een deskundigenbericht ingewonnen dient te worden, teneinde vast te stellen of het aantal door [geïntimeerde] gede-clareerde uren ook door een redelijk bekwame en een rede-lijk handelende beroepsgenoot zou zijn gedeclareerd.

4.4.3.4. [appellante] betwist dat [geïntimeerde] betrokken is geweest bij sollicitatieprocedures en dat [geïntimeerde] adviezen heeft gegeven over het aannemen, ontslag en disfunctioneren van personeel. Het bedrag van fl. 1.910,-- zoals vermeld op de factuur d.d. 7-11-1997 is derhalve ten onrechte gedeclareerd, aldus [appellante].

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat [appellante] met [geïntimeerde] uitvoerig sollicitanten aan de hand van over hen bekende informatie heeft doorgesproken en dat [appellante] [geïntimeerde] terzake uitdrukkelijk om advies heeft gevraagd. Op [geïntimeerde] rust de last om te bewijzen dat partijen ook het verrichten van deze werkzaamheden, die niet (direct) op het terrein van zijn vakgebied zijn gelegen, zijn overeen-gekomen en dat hij deze werkzaamheden ook heeft uitgevoerd in de omvang zoals door hem gesteld. [geïntimeerde] zal tot dat bewijs worden toegelaten. Indien hij daarin slaagt zal mogelijk een deskundigenbericht noodzakelijk zijn om vast te stellen of het aantal terzake gedeclareerde uren redelijk is.

4.4.3.5. Voorts bestrijdt [appellante] dat door [geïntimeerde] in de periode augustus 1997 tot en met april 1998, op welke periode de in geding zijnde facturen betrekking hebben, extra werkzaamheden zijn verricht in het kader van de financiering van het door haar aangekochte woonhuis. Voor deze werkzaamheden is reeds bij factuur d.d. 26-8-1997 een bedrag van fl. 3.666,-- in rekening gebracht, aldus [appellante]. Ter weerlegging van deze stelling verwijst [geïntimeerde] naar een door hem aan de Rabobank verzonden brief d.d. 18 juni 1998 (prod. 3 CvA). Naar het hof begrijpt betwist [appellante] in feite de met deze brief gemoeide werkzaamheden niet, doch stelt zij zich op het standpunt dat dit extra werkzaamheden betreft die [geïntimeerde] heeft verricht als gevolg van door hem gemaakte fouten en die derhalve niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Ook op dit onder-deel heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen.

4.4.3.6. Voorts noemt [appellante] nog enkele specifieke be-zwaren (punt 11 MvG). Dit betreft de jaarcijfers 1997, terzake waarvan [geïntimeerde] in de facturen van 27-11-1997, 13-05-1998 en 26-08-1998 teveel uren in rekening zou hebben gebracht. Hierop is het hof reeds ingegaan in r.o. 4.4.3.3. Verder betwist [appellante] met name de tijdsbeste-ding van [geïntimeerde] aan volgende posten: het schaderapport Bonbonnière, de loonadministratie diversen inzake ontslag [naam] en "afwerken [naam]", de financiële administratie, aparte zaken onder andere besprekingen zoals vermeld op factuur d.d. 13-05-1998 en tussentijdse cijfers 1997 zoals vermeld op factuur d.d. 10-11-1998. Ook wat deze posten betreft ligt het op de weg van [geïntimeerde] om, zoals hiervoor in 4.4.3.3. is overwogen, een deugdelijke onderbouwing van het aantal in rekening gebrachte uren te geven, waarna zonodig een deskundigenbericht ingewonnen dient te worden. Op de post onder de benaming aparte zaken, diversen in verband met kredietuitbreiding zoals vermeld op factuur d.d. 26-08-1998 is het hof reeds hiervoor in r.o. 4.4.3.5. ingegaan. Ten aanzien van de stelling van [appellante], dat [geïntimeerde] haar teveel uren heeft berekend, wordt verwezen naar r.o. 4.4.3.3. Ook de post loonadministratie (solli-citatie c.a.) is reeds aan de orde gesteld in r.o. 4.4.3.4.

4.5. Voor zover [appellante] er over klaagt dat [geïntimeerde] gebrek-kig heeft gepresteerd, geldt ingevolge artikel 6:89 BW dat zij binnen bekwame tijd nadat zij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken bij [geïntimeerde] diende te reclameren. [geïntimeerde] betwist dat [appellante] dit heeft ge-daan. Ook op dit punt zal [appellante] conform haar bewijsaan-bod tot het bewijs worden toegelaten van haar stelling dat zij voorafgaande aan de brief d.d. 21 januari 1999 van haar raadsvrouwe bij [geïntimeerde] heeft gereclameerd. Ook zal zij moeten bewijzen op welk(e) tijdstip(pen) zij heeft gereclameerd. Naar het hof begrijpt heeft het in de ogen van [appellante] ondeugdelijk presteren van [geïntimeerde] betrekking op het verstrekken van foutieve financiële gegevens met betrekking tot de financiering van het door haar aange-kochte woonhuis, terwijl [geïntimeerde] voor het herstellen van die fouten ten onrechte uren in rekening heeft gebracht blijkens de specificatie d.d. 3-08-1998. Hierop is het hof reeds ingegaan in r.o. 4.4.3.5. Voorts heeft het door [appellante] gestelde gebrekkig presteren, naar het hof begrijpt, betrekking op het rapport Bonbonnière, voor zover [appellante] stelt dat de kwaliteit van dit rapport te wensen overliet. Ook op dit punt heeft het hof behoefte aan nadere inlich-tingen.

4.6. In het licht van het hiervoor overwogene acht het hof het aangewezen een comparitie van partijen te gelasten om van partijen nadere inlichtingen te verkrijgen en om te onderzoeken of partijen geheel of ten dele tot een minne-lijke regeling kunnen komen, waartoe de zaak zich naar het oordeel van het hof uitstekend leent. Voorts zal de comparitie worden gebruikt om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het aantal en de persoon c.q. personen van de te benoemen deskundige(n).

4.7. Partijen wordt verzocht bescheiden waarop zij ter comparitie een beroep wensen te doen, uiterlijk één week voor de zittingsdatum toe te zenden aan de procureur van de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris. Partijen wordt daarbij met name verzocht de brieven zoals vermeld in r.o. 4.1.4. in afschrift over te leggen.

5. De beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat partijen zullen verschijnen voor mr. Gründemann, raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder r.o.4.6. vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 8 juli 2003 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en van hun raads-lieden op alle werkdagen in de maanden september tot en met november 2003;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzit-ting dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. Zwitser-Schouten, Gründemann en H. Vermeulen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 24 juni 2003.