Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AX2170

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
17-05-2006
Zaaknummer
C0201230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt voorop dat de stelling van [appellant] dat onderhandelingen (na een voorafgaande aansprakelijkheidstelling) op zichzelf de verjaring kunnen stuiten, niet als juist kan worden aanvaard (HR 1 februari 2002, NJ 2002, 195). Het is echter niet uitgesloten dat het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een schuldenaar, die voordat de verjaringstermijn is voltooid met de schuldeiser in onderhandeling treedt, zich erop beroept dat op enig moment gedurende de onderhandelingen de verjarings-termijn is voltooid. Naar 's hofs oordeel heeft [appellant] evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, terwijl daarvan evenmin is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. AW

rolnr. C0201230/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 18 november 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van

13 november 2002,

procureur: mr. C.J.T. Smeets,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. C.W.M. Vergouwen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank te 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 28 augustus 2002 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 65454/HA ZA 01-1026)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij appeldagvaarding heeft [appellant] geconcludeerd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van appellant alsnog zal toewij-zen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van grieven heeft [appellant] één grief aangevoerd.

2.3. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grief bestreden.

2.4. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grief houdt, kort en zakelijk weergegeven, in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de rechtsvor-dering van [appellant] is verjaard, omdat tussen de brieven van mr. Smeets d.d. 2 april 1999 en 3 april 2001 een periode van twee jaar is verstreken waarin de verjaring niet is gestuit.

4. De beoordeling

4.1.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Op 6 februari 1997 heeft [appellant] samen met zijn echtgenote van [geïntimeerde] een woning in [plaats] gekocht, welke op 1 april 1997 aan hen is geleverd.

b. Bij brief van 10 maart 1998 (cvr, prod. 10) heeft mr. Smeets, advocaat van [appellant], [geïntimeerde] medegedeeld dat de vochtigheid in de woning gemiddeld twee keer zo hoog is dan normaal waardoor in de woning schade is ontstaan. Verder heeft mr. Smeets [geïntimeerde] bij die brief aansprakelijk gesteld voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade.

c. In vervolg op de brief van 10 maart 1998 hebben mr. Smeets en mr. Vergouwen, advocaat van [geïntimeerde], met elkaar onderhandeld over een mogelijke minnelijke regeling.

d. Partijen hebben uiteindelijk geen overeenstemming bereikt over een minnelijke regeling.

4.1.2. Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om aan [appellant] schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

4.1.3. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de woning niet de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn, zodat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden en nog zal lijden.

4.1.4. [geïntimeerde] heeft de vordering gemotiveerd bestreden, onder meer stellende dat de rechtsvordering ingevolge artikel 7:23 lid 2 BW is verjaard omdat [appellant], nadat de onderhandelingen in 1999 op niets waren uitgelopen, ruim twee jaar heeft stilgezeten.

4.1.5. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen, oordelende dat deze is verjaard nu in de periode van 11 maart 1998 tot 20 april 2001, de dag van de inleidende dagvaarding, een periode van meer dan twee jaar is verstreken zonder dat daarin de verjaring is gestuit.

4.2.1. Tegen dit oordeel van de rechtbank is de grief gericht. Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

4.2.2. Op grond van artikel 7:23 lid 2 BW verjaart de rechtsvordering van [appellant] door verloop van twee jaar nadat hij [geïntimeerde] er kennis van heeft gegeven dat de woning niet aan de koopovereenkomst beantwoordt, zij het dat deze verjaringstermijn ingevolge lid 3 van genoemd artikel niet gaat lopen zolang [appellant] zijn rechten niet zou kunnen uitoefenen als gevolg van opzet van [geïntimeerde].

4.2.3. Nu geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 2.6 van het beroepen vonnis dat er geen sprake is van opzet van [geïntimeerde] in de zin van artikel 7:23 lid 3 BW en nu voorts als onbetwist vaststaat dat [appellant] [geïntimeerde] bij brief van 10 maart 1998 van zijn klachten omtrent de woning in kennis heeft gesteld, is de verjaringstermijn van twee jaar op 11 maart 1998 gaan lopen.

4.2.4. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of de rechtsvordering van [appellant] is verjaard, beslissend is of in de periode vanaf 11 maart 1998 tot 20 april 2001 een periode van twee jaar is verstreken zonder dat in die periode stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden.

4.2.5. Het hof stelt voorop dat de stelling van [appellant] dat onderhandelingen (na een voorafgaande aansprakelijkheidstelling) op zichzelf de verjaring kunnen stuiten, niet als juist kan worden aanvaard (HR 1 februari 2002, NJ 2002, 195). Het is echter niet uitgesloten dat het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een schuldenaar, die voordat de verjaringstermijn is voltooid met de schuldeiser in onderhandeling treedt, zich erop beroept dat op enig moment gedurende de onderhandelingen de verjarings-termijn is voltooid. Naar 's hofs oordeel heeft [appellant] evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, terwijl daarvan evenmin is gebleken. Voorts neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerde] zich er niet op heeft beroepen dat de verjaring gedurende de onderhandelingen is voltooid maar eerst (ruimschoots) ná het eindigen van de onderhandelingen in 1999. In dit kader is voorts van belang dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet heeft gesteld dat [geïntimeerde] in de periode tussen 2 april 1999 (datum van de voorlaatste brief van mr. Smeets) en 3 april 2001 (datum van de laatste brief van mr. Smeets) aansprakelijkheid heeft erkend, zodat het hof ervan uitgaat dat de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] tijdens besprekingen aansprakelijkheid heeft erkend, ziet op erkenning vóór 2 april 1999. Het hof passeert daarom het bewijsaanbod dat [appellant] ter zake heeft gedaan (cvr, nr. 16) als niet ter zake dienend, omdat ook indien komt vast te staan dat [geïntimeerde] vóór 2 april 1999 aansprakelijkheid heeft erkend, zulks er op zichzelf niet toe leidt dat het beroep op voltooiing van de verjaringstermijn (ruimschoots) ná 2 april 1999, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.2.6. Het voorgaande brengt mee dat voor stuiting van de verjaring van de rechtsvordering van [appellant] ingevolge artikel 3:317 lid 1 BW een schriftelijke aanmaning was vereist of een schriftelijke mededeling waarin [appellant] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming c.q. schadevergoeding had voorbehouden.

4.2.7. Het hof is van oordeel dat van de bij conclusie van repliek overgelegde correspondentie, de faxbrief van

mr. Smeets aan mr. Vergouwen d.d. 1 maart 1999 (cvr, prod. 21) de laatste brief was die stuitende werking had, nu daaruit ondubbelzinnig blijkt dat [appellant] zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). De brieven van 2 april 1999 en 3 april 2001 hebben een dergelijke inhoud niet. Verder hebben de faxen van mr. Vergouwen aan mr. Smeets d.d. 7 april 1999 en 23 april 1999 (cvr, prod. 24 en 25) de verjaring niet op de voet van artikel 3:318 BW gestuit, omdat die faxen op geen enkele wijze erkenning van aansprakelijkheid door [geïntimeerde] inhouden, ook niet indien die faxen in onderling verband worden bezien met de overige brieven en faxen van mr. Vergouwen en mr. Smeets welke bij conclusie van repliek in het geding zijn gebracht. Bovendien heeft [appellant] als hiervoor onder 4.2.5. geconstateerd, niet gesteld dat [geïntimeerde] in de periode tussen 2 april 1999 en 3 april 2001 aansprakelijkheid heeft erkend, terwijl daarvan evenmin is gebleken. Nu ook overigens gesteld noch gebleken is dat [appellant] (via mr. Smeets) in de periode van 2 april 1999 tot 3 april 2001 [geïntimeerde] (via mr. Vergouwen) schriftelijk heeft aangemaand of een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW heeft gestuurd, staat ook in appel vast dat de verjaringstermijn reeds vóór het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 20 april 2001 was voltooid. De grief faalt derhalve.

4.3. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op E. 230,-- aan verschotten en E. 771,-- aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-Van Dijken, Hendriks-Jansen en Fikkers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 november 2003.