Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AP0560

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
20.002245.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar wegens het handelen in vuurwapens. Het onrechtmatig bewijsverweer van verdachte is door het hof verworpen.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2003-12-19
Wet wapens en munitie 31, geldigheid: 2003-12-19
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2003-12-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 juli 2003 in de strafzaak onder parketnummer 01/089140-01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1950,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Oosterhoek" te Grave.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in eerste aanleg toegelaten wijzigingen begrepen.

Voor zover in de tenlastelegging schrijf- en of taalfouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd.

De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1. op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 december 2002 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, vuurwapens van categorie II en/of vuurwapens van categorie III en/of een hulpstuk dat specifiek bestemd is voor een van die wapens en dat van wezenlijke aard is en/of munitie van categorie III, heeft overgedragen aan een ander of anderen, te weten:

- op enig tijdstip gelegen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 1 december 2002 een revolver merk SMITH & WESSON, categorie III en 10 patronen categorie III aan een persoon genaamd [betrokkene 1] en

- op 3 oktober 2002 een enkelloops hagelgeweer merk F.N.-Browning, categorie III en 11 hagelpatronen kaliber 12, categorie III aan een persoon genaamd [betrokkene 2] en

- op 17 november 2002 een machinepistool merk INGRAM, categorie II en een machinepistool merk INTRATEC, categorie II en een machinepistool merk STEN, categorie II en een pistool merk ZASTAVA, categorie III en een pistool merk FN, categorie III en een pistool merk FN, categorie III en een aantal van 260 patronen van diverse kalibers, categorie III aan een persoon in het dossier bekend onder de naam "pseudokoper A.1119" en

- op 2 december 2002 een aantal van 25 patronen categorie III aan een persoon in het dossier bekend onder de naam "pseudokoper A.1119" en

- op 9 december 2002 een pistool merk WALTHER PPK, categorie III en een pistool merk MAKAROV/WALTHER, categorie III en een daarbij behorende geluiddemper, zijnde een hulpstuk dat specifiek bestemd is voor dat wapen en dat van wezenlijke aard is, en twee pistolen beide van het merk MANHURIN, categorie III en een pistool merk CZ, categorie III en 4518 patronen van diverse kalibers, categorie III aan een persoon in het dossier bekend onder de naam "pseudokoper A.1119",

en voormelde wapens en een hulpstuk dat specifiek bestemd is voor een van die vuurwapens en dat van wezenlijke aard is en voormelde munitie voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, van het in strijd met de wet anderszins dan door uitwisselen en/of verhuren ter beschikking stellen en het verhandelen van wapens en munitie, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt;

2. hij op 17 december 2002 te Eindhoven munitie van categorie III, te weten enig aantal patronen van diverse kalibers, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Van de zijde van de verdediging is naar voren gebracht dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat – kort samengevat – diverse in het dossier voorkomende bewijsmiddelen van het bewijs dienen te worden uitgesloten, na welke bewijsuitsluiting geen, in ieder geval onvoldoende bewijs overblijft om tot een veroordeling te kunnen komen.

De raadsman heeft hiertoe – zakelijk weergegeven - aangevoerd:

1. Aanvankelijk was er ruim voldoende verdenking om tegen verdachte een opsporingsonderzoek te starten. Voor de voortgezette inzet van de opsporingsmiddelen bedoeld in titel IV A van boek 1 van het Wetboek van strafvordering bestond in maart 2002 echter geen grond meer omdat in de daaraan voorafgaande periode deze inzet geen resultaat had gehad en derhalve een voortzetting achterwege diende te blijven. Al het na maart 2002 door deze inzet verkregen bewijs dient buiten beschouwing te blijven.

2. Nu de inzet van een pseudo-koper gericht dient te zijn op opsporing van reeds gepleegde strafbare feiten was er gelet op het vorenstaande evenmin voldoende grond om tot een dergelijke inzet over te gaan. Het aldus verkregen bewijs dient eveneens buiten beschouwing te blijven.

3. Tijdens de periode van inzet van de pseudo-koper, met name uit een afgeluisterd telefoongesprek op 19 juli 2003 en een afgeluisterd gesprek in de periode 13/14 september 2002, is voldoende naar voren gekomen dat verdachte de wapenhandel eigenlijk de rug had toegekeerd. De inzet van het middel pseudo-koop had toen gestaakt dienen te worden. De inzet c.q. voortzetting van de inzet na half september 2002 is onrechtmatig en de resultaten van die inzet dienen buiten beschouwing te worden gelaten.

4. De inzet van de pseudo-koper heeft verdachte gebracht tot het plegen van strafbare feiten (vuurwapenhandel) waarop de opzet van verdachte toen niet (meer) was gericht.

5. Er is sprake geweest van een schending van het in artikel 8 van het EVRM omschreven en aan verdachte toekomende recht op bescherming van zijn privacy doordat de pseudo-koper wist door te dringen tot de woning van verdachte, althans tot de woning waarin hij een “huisvrede” had opgebouwd.

6. De verklaringen van de anoniem gebleven pseudo-koper mogen niet tot bewijs gebezigd worden omdat zij niet of niet in belangrijke mate steun ondervinden in andersoortig bewijsmateriaal.

Het hof overweegt ten aanzien van het door de raadsman aangevoerde het navolgende:

1. Verdachte werd op de gronden aangegeven in de processtukken verdacht van het plegen van een ernstig misdrijf te weten het voortdurend delict van – kort gezegd – een beroep of gewoonte maken van de handel in vuurwapens. Uit hetgeen voorts ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen blijkt dat het tegen verdachte gestarte opsporingsonderzoek, ondanks de vele aanwijzingen, aanvankelijk geen resultaten opleverde. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie - toen ondanks deze aanwijzingen resultaten van enig opsporingsonderzoek uitbleven – tegen genoemde achtergrond terecht is voortgegaan met de opsporing en de daarbij behorende voortgezette inzet van reeds eerder ingezette opsporingsmethoden.

2. Het hof is voorts van oordeel dat – nu geen resultaten werden verkregen met minder ingrijpende opsporingsmethoden het openbaar ministerie daarnaast terecht tot het zware middel van “pseudo-koop” is overgegaan. Aan de daaraan te stellen normen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldoende voldaan. Tijdens de eerste fase van het onderzoek is naar het oordeel van het hof niet uit feiten of omstandigheden naar voren gekomen dat voor de oorspronkelijke verdenking geen gronden (meer) bestonden.

3. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de inhoud van de door de raadsman bedoelde – afgeluisterde gesprekken - de verdenking dat verdachte zich – in ieder geval in een vorige periode – had schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf, te weten het – kort gezegd – een beroep of gewoonte maken van het handelen in vuurwapens versterkte en niet zoals de raadsman kennelijk bedoelt te betogen zodanig verzwakte dat het opsporingsonderzoek, althans de inzet van het middel “pseudo-koop”, gestaakt diende te worden. Dit oordeel vindt zijn bevestiging in het feit dat verdachte – geobserveerd en afgeluisterd door de politie – omstreeks 3 oktober 2002 betrokken was bij de overdracht van een enkelloops hagelgeweer met de daarbij behorende munitie.

4. Het hof is voorts van oordeel dat verdachte noch degene(n) die verdachte met de pseudo-koper in contact heeft/hebben gebracht door het handelen van de ingezette “pseudo-koper” zijn gebracht tot het plegen van misdrijven waar de opzet niet reeds van te voren op was gericht. Niet alleen is er uit het onderzoek ter terechtzitting niet, althans onvoldoende van zodanig handelen door of namens de “pseudo-koper” gebleken maar bovendien komt uit dat onderzoek naar voren dat verdachte in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is gesteld niet te beschouwen was als “een handelaar in ruste” maar als iemand die zich nog volop bezig hield met het plegen van het hiervoor bedoelde voortdurend delict. Gebleken is dat omstreeks 8 november 2002 in een gesprek met derden voor het eerst ter sprake is gekomen dat de “pseudo-koper” geïnteresseerd was in vuurwapens en dat hij wel met verdachte in contact wilde komen. Degene die de pseudo-koper met verdachte in contact wilde brengen – [betrokkene 3] – deelde op 10 november 2002 – twee dagen later - aan de “pseudo-koper” mede dat hij de avond tevoren bij verdachte drie pistoolmitrailleurs had gezien. Tevens deelde genoemde [betrokkene 3] toen mede dat verdachte onlangs 15 vuurwapens verkocht zou hebben. Hieruit leidt het hof af, dat verdachte op dat moment geen “handelaar in ruste” was maar zich actief bezig hield met de handel in vuurwapens. Het vorenstaande vindt zijn bevestiging in het feit dat verdachte, die op 17 november 2002 de “pseudo-koper” voor het eerst ontmoette diezelfde dag – kennelijk uit voorraad – aan de “pseudo-koper” drie machinepistolen, drie pistolen en een hoeveelheid munitie heeft verkocht en afgeleverd. Ook heeft verdachte aan de “pseudo-koper” medegedeeld dat hij nog ergens 5 of 6 Ingrams (machinepistolen) had liggen. Tevens bleek verdachte – gelet op de levering(en) kort daarna - kennelijk nog grote hoeveelheden munitie "op voorraad" te hebben.

Voor de goede orde en wellicht ten overvloede wordt hier nog het navolgende aan toegevoegd.

Voor zover de verdediging in de onderhavige zaak bedoeld heeft te stellen dat met name verdachte [medeverdachte] door het handelen van de pseudo-koper gebracht is tot het medeplegen van medeplichtig zijn aan een misdrijf en alle strafbare handelingen daarna het gevolg zijn van die uitlokking merkt het hof meer specifiek ten aanzien van dat handelen nog het navolgende op. Door de raadsman is naar voren gebracht dat de pseudo -koper door het op 8 november 2002 tonen van een halsketting met als hanger een afbeelding van een pistool [medeverdachte] heeft uitgelokt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is ten aanzien van dit tonen op 8 november 2002 naar voren gekomen dat dit tonen na dan wel tijdens een gesprek tussen de "pseudo-koper" en [betrokkene 4] heeft plaatsgevonden en dat het genoemde sieraad uitsluitend aan die [betrokkene 4] is getoond. Vast staat voorts dat tijdens dit gesprek en voor het tonen van het sierraad genoemde [betrokkene 4] aan de "pseudo-koper" gevraagd heeft waar hij zich mee bezig hield en veronderstellenderwijs heeft gevraagd: "doe jij in wit".

Omtrent hetgeen zich daarna heeft afgespeeld hebben meergenoemde [betrokkene 4] en de "pseudo-koper" een andere mening. De pseudo-koper heeft, aldus de getuige [betrokkene 4], in een later stadium zacht tegen hem gezegd "ik doe dit" en daarbij de bewuste hanger getoond. Ook heeft de pseudo-koper toen, aldus de getuige, zijn vinger tegen de mond gehouden waaruit [betrokkene 4] begreep dat hij daar stil over moest zijn. Hierna is er – aldus de getuige [betrokkene 4] - verder over dat onderwerp gesproken. De "pseudokoper" heeft als getuige bij de rechter-commissaris medegedeeld dat dit tonen – zo het al is geschied – plaatsgevonden heeft nadat de getuige [betrokkene 4] over vuurwapens was begonnen. Het hof acht de verklaring van de pseudo-koper op dit punt geloofwaardig.

Verdachte [medeverdachte] heeft dit gesprek, waaraan hij geen deelnemer was kennelijk – gedeeltelijk – gehoord en heeft daarna zelf het initiatief genomen door spontaan en ongevraagd aan de pseudo-koper mede te delen: "[naam] als jij dat soort zaken doet, dan weet ik wel iemand die jou van alles kan leveren". Daarna heeft verdachte [medeverdachte] gevraagd of de pseudokoper [verdachte] kende. Later in de auto op weg naar huis is [medeverdachte] op dit onderwerp teruggekomen en heeft uiteindelijk aan de pseudokoper medegedeeld – nadat deze op zijn beurt tijdens dat gesprek had medegedeeld dat, wanneer "het geen zwetsverhaal was", hij wel in contact met [verdachte] wilde komen - dat het contact met [verdachte] via zijn broer [betrokkene 3] tot stand zou kunnen worden gebracht, want [betrokkene 3] zou wel wat willen bijverdienen. In een later stadium is vervolgens de pseudokoper daadwerkelijk door [betrokkene 3] benaderd. Naar het oordeel van het hof levert het bovenomschrevene niet op het brengen van een persoon, [medeverdachte], tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

5. Naar het oordeel van het hof is de privacy van verdachte niet door het handelen van de ingezette "pseudo-koper" geschonden. Verdachte hield zich bezig met het plegen van ernstige misdrijven. Verdachte diende er rekening mede te houden dat met inzet van alle wettelijk toegestane opsporingsmiddelen, waaronder “pseudo-koop” getracht zou worden deze misdrijven op te sporen. Onder die omstandigheden komt aan verdachte een beroep op een schending van zijn privacy door de “pseudo-koper”, die – zoals zijdens de verdediging naar voren is gebracht – is doorgedrongen tot een woning waarin verdachte een “huisvrede” had opgebouwd niet toe, zeker niet nu met deze woning kennelijk bedoeld wordt de plaats(en) waar de “pseudo-koop” telkenmale tot stand is gekomen.

6. Het verweer dat de verklaringen van de anoniem gebleven “pseudo-koper” niet tot bewijs gebezigd mogen worden omdat zij niet of niet in belangrijke mate steun ondervinden in andersoortig bewijsmateriaal vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.

Het/de zijdens de verdediging terzake naar voren gebrachte verweer/verweren wordt/worden door het hof op grond van het vorenstaande verworpen.

Door de verdediging is met betrekking tot het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit – zakelijk weergegeven - naar voren gebracht, dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat verdachte de bedoelde munitie niet onder zich had. Hij wist niet dat in zijn hondenhok munitie verborgen was; dit moet door anderen buiten zijn medeweten om zijn gebeurd.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer dat de plaats waar de munitie is gevonden een aan verdachte toebehorend hondenhok betreft, in ieder geval een hondenhok dat daadwerkelijk door hem als zodanig werd gebruikt en waarin zich ten tijde van het onderzoek ook daadwerkelijk honden bevonden. Verdachte heeft geen enkele aannemelijke verklaring kunnen geven voor de aan zijn stelling ten grondslag liggende aanname dat derden in staat zouden zijn geweest ongemerkt munitie in dat hondenhok te verbergen. Daarnaast merkt het hof op dat verdachte in de periode voorafgaande aan de inbeslagname daadwerkelijk – zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt – over grotere hoeveelheden munitie heeft beschikt. Op grond van het vorenstaande – gezien in onderling verband en samenhang – acht het hof het door verdachte gestelde ongeloofwaardig. Het verweer wordt derhalve verworpen.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien respectievelijk bij artikel 26(oud), eerste lid, en artikel 31(oud), eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55(oud), vierde lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 2 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 26(oud), eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55(oud), eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder en wel op 9 augustus 1979 terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;

- de maatschappelijke verontrusting die het gevolg is van handel in wapens en munitie in hoeveelheden als thans onder 1 bewezen is verklaard;

- de omstandigheid dat verdachte bij het plegen van het onder 1 bewezenverklaarde feit kennelijk uitsluitend heeft gehandeld uit winstbejag.

Van hetgeen in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal - voorzover daarvan geen afstand is gedaan - de teruggave aan de verdachte worden gelast.

De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken en dientengevolge de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen nu dit uit de hierna te geven beslissing voortvloeit en ook overigens de gronden die tot een voorlopige hechtenis heben geleid ook thans nog bestaan.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 27, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en 26(oud), 31(oud), 55(oud) van de Wet wapens en munitie.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1: "Handelen in strijd met artikel 26(oud), eerste lid, en met artikel 31(oud), eerste lid, van de Wet wapens en munitie en van het in strijd met de wet anderszins dan door uitwisselen, verhuren ter beschikking stellen en verhandelen van wapens en munitie een beroep of gewoonte maken, strafbaar gesteld bij artikel 55(oud), vierde lid, van de Wet wapens en munitie".

2: "Handelen in strijd met artikel 26(oud), eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55(oud), eerste lid, van de Wet wapens en munitie".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van

vier jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van de navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een adresboek,

- notities,

- een kladblok en

- 2 zwarte handschoenen

aan de verdachte.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door Mr. Eijsenga, als voorzitter

Mrs. Van Nierop en Bark - van Gink, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Traa, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 december 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 08

tijd : 13.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1950,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Oosterhoek" te Grave

Is bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 2 juli 2003 ter zake van:

sub 1:"Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en van het in strijd met de wet uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen of van het verhandelen van wapens en munitie een beroep of gewoonte maken",

sub 2:"Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitoe",

veroordeeld tot:

6 jr. gev.str. OV M.A.V..

€ 25.000,-- boete subs. 160 dgn. hecht OV.

last tot teruggave