Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AP0519

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
20.001155.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In oktober 1996 is verdachte de uitlokker geweest van een granaataanslag op de woning van de [slachtoffers]. De granaat is omstreeks 23.30 uur ontploft in de woonkamer, terwijl [slachtoffers 1 en 2] in diezelfde kamer op een bank zaten en hun twee kinderen boven lagen te slapen. Door de ontploffing zijn twee, in voormelde woonkamer aanwezige, huisdieren gedood en zijn [slachtoffers 1 en 2] beiden gewond geraakt. Het is aan een gelukkige samenloop van omstandigheden te danken geweest dat de aanslag [slachtoffers 1 en 2] niet fataal is geworden. Voorts is grote schade aangericht in de woning.

In de periode die aan de aanslag voorafging heeft verdachte gepoogd een tweetal personen te bewegen om voor hem een aanslag met dodelijke afloop te plegen.

Ten slotte heeft verdachte in mei 2002 gepoogd [slachtoffer 1] te vermoorden. Met een pistool zijn door hem een aantal scherpe patronen op [slachtoffer 1] afgevuurd. Deze is in levensbedreigende toestand naar het ziekenhuis overgebracht.

10 jaar gevangenisstraf + schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 46a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 27 maart 2003 in de strafzaak onder de parketnummers 03/005337-02 en 03/008228-02, voorzover betrekking hebbend op de zaak met parketnummer 03/005337-02 onder 1 en onder 2 en op de zaak met parketnummer 03/008228-02 onder 1, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1964,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overmaze" te Maastricht.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het door de verdachte ingestelde hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als niet te zijn gericht tegen de vrijspraak van het onder parketnummer 03/005337-02 onder 2 ten laste gelegde.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Op de terechtzitting in hoger beroep is het onder parketnummer 03/008228-02 sub 2 tenlastegelegde feit gesplitst van de overige feiten. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op de bij dagvaarding met parketnummer 03/005337-02 sub 1 en sub 2 tenlastegelegde feiten en het bij dagvaarding met parketnummer 03/008228-02 sub 1 tenlastegelegde feit.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- zal worden vernietigd, reeds omdat - na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep - de grondslag waarop het hof recht doet anders is komen te luiden.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - voorzover thans aan de orde - ten laste gelegd: PRO MEMORIE.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in hoger beroep toegelaten wijzigingen begrepen.

Voor zover in de tenlastelegging schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De bewezenverklaring

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 03/005337-02 onder 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03/005337-02 onder 1 meer subsidiair en onder 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 03/008228-02 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 03/005337-02:

1. [medeverdachte] op 19 oktober 1996 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg een ruit van de woning van die [slachtoffers 1 en 2] heeft vernield en een handgranaat die woning heeft binnengegooid via de ruit van de kamer waarin die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] verbleven, terwijl de uitvoering van dat door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk feit hij, verdachte, in het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 19 oktober 1996 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen, immers heeft hij, verdachte, in dat tijdvak aldaar genoemde [medeverdachte] een geldbedrag beloofd en die [medeverdachte] ten behoeve van het plegen van dat feit een scooter, een helm, een hamer en/of een handgranaat verschaft en die [medeverdachte] inlichtingen verschaft waar dat feit gepleegd moest worden;

2. hij in het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 19 oktober 1996 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, meermalen telkens ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door beloften en/of het verschaffen van inlichtingen tot het plegen van het navolgende strafbare feit te bewegen, te weten het opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] althans (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) na kalm beraad en rustig overleg van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [betrokkene 1 en 2] een geldbedrag en/of verdovende middelen en/of kwijtschelding van schulden in het vooruitzicht heeft gesteld en/of genoemde [betrokkene 1 en 2] inlichtingen heeft verschaft op welke manier genoemd voorgenomen misdrijf gepleegd kon worden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

in de zaak met parketnummer 03/008228-02:

1. hij op 22 mei 2002 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen gericht met een, met scherpe patronen geladen, vuurwapen op genoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 03/005337-02 sub 1 meer subsidiair en sub 2 en in de zaak met parketnummer 03/008228-02 sub 1 primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 03/008228-02 sub 1 primair overweegt het hof nader als volgt.

In aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de periode na de onder 1 bewezenverklaarde uitlokking van een aanslag op [slachtoffers 1 en 2], nog immer de intentie had [slachtoffer 1] naar het leven te staan, alsmede gelet op het feit dat uit de verklaring tegenover de politie van [getuige 1] blijkt dat verdachte de beschikking had over een soortgelijk wapen als het wapen waaruit, blijkens technisch onderzoek, de kogel die [slachtoffer 1] bij de aanslag op 22 mei 2002 trof, is verschoten, acht het hof het resultaat van de gehouden geursorteerproef, waarbij geurovereenkomst werd vastgesteld tussen verdachte en het op de plaats van het delict aangetroffen pistool doorslaggevend voor het bewijs dat verdachte de dader is geweest van de aanslag in mei 2002 op [slachtoffer 1]. Aan dit oordeel draagt bij dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft willen of kunnen geven voor het vastgestelde geurspoor op het pistool alsmede dat hij ten aanzien van zijn verblijfplaats ten tijde van het delict een kennelijk onjuiste verklaring heeft afgelegd.

Gelet op het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het veiligstellen van het pistool en van het geurmateriaal alsmede de inhoud van het proces-verbaal aangaande de uitvoering van de geursorteerproef in aanmerking genomen heeft het hof - anders dan door de raadsvrouwe is betoogd - geen reden tot twijfel aan de betrouwbaarheid van die veiligstelling of van de geursorteerproef als zodanig.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het in de zaak met parketnummer 03/005337-02 onder 1 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht junctis de artikelen 45 en 47, eerste lid, aanhef en onder 2e, van dat wetboek.

Het in de zaak met parketnummer 03/005337-02 onder 2 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht junctis de artikelen 45, 46a en 57 van dat wetboek.

Het in de zaak met parketnummer 03/008228-02 onder 1 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 45 van dat wetboek.

Het bewezen verklaarde moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In oktober 1996 is verdachte de uitlokker geweest van een granaataanslag op de woning van de [slachtoffers]. De granaat is omstreeks 23.30 uur ontploft in de woonkamer, terwijl [slachtoffers 1 en 2] in diezelfde kamer op een bank zaten en hun twee kinderen boven lagen te slapen. Door de ontploffing zijn twee, in voormelde woonkamer aanwezige, huisdieren gedood en zijn [slachtoffers 1 en 2] beiden gewond geraakt. Het is aan een gelukkige samenloop van omstandigheden te danken geweest dat de aanslag [slachtoffers 1 en 2] niet fataal is geworden. Voorts is grote schade aangericht in de woning.

In de periode die aan de aanslag voorafging heeft verdachte gepoogd een tweetal personen te bewegen om voor hem een aanslag met dodelijke afloop te plegen.

Ten slotte heeft verdachte in mei 2002 gepoogd [slachtoffer 1] te vermoorden. Met een pistool zijn door hem een aantal scherpe patronen op [slachtoffer 1] afgevuurd. Deze is in levensbedreigende toestand naar het ziekenhuis overgebracht.

Door verdachtes handelen is de [slachtoffers] veel leed toegebracht.

Voorts is de rechtsorde door feiten als de onderhavige op buitengemeen ernstige wijze geschokt en zijn grote verontrusting en gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft hierbij mede het oog gehad op de noodzakelijke beveiliging van de maatschappij in verband met het gevaar voor recidive.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer 1], wonende te [adres], als gevolg van het in de zaak met parketnummer 03/005337 onder 1 bewezen verklaarde feit, immateriële schade heeft geleden, welke het hof naar billijkheid begroot op Eur. 3.000,--.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van Eur. 3.000,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer 2], wonende te [adres], als gevolg van het in de zaak met parketnummer 03/005337 onder 1 bewezen verklaarde feit, immateriële schade heeft geleden, welke het hof naar billijkheid begroot op Eur. 3.000,--.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van Eur. 3.000,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer 1], wonende te [adres], als gevolg van het in de zaak met parketnummer 03/00828-02 onder 1 bewezen verklaarde feit, materiële schade heeft geleden tot een bedrag van Eur. 120,15.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van Eur. 120,15 te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de zaak met parketnummer 03/005337-02 onder 1

[slachtoffer 1], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van Eur. 3.000,--. De eerste rechter heeft deze vordering integraal toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in eerste aanleg gedane vordering.

Aan de benadeelde partij is door het in de zaak met parketnummer 03/005337-02 sub 1 bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen, ook al zou ook een andere dader daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die vervat in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag. De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal bepalen dat, indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Het hof zal voorts bepalen dat indien de door de benadeelde partij geleden schade door de hoofdelijk aansprakelijke mededader -al of niet door tussenkomst van de Staat- geheel of ten dele is voldaan, de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat ook de daarop betrekking hebbende schadevergoedingsmaatregel in zoverre komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de zaak met parketnummer 03/005337-02 onder 1

[slachtoffer 2], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van Eur. 3.000,--. De eerste rechter heeft deze vordering integraal toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar in eerste aanleg gedane vordering.

Aan de benadeelde partij is door het in de zaak met parketnummer 03/005337-02 sub 1 bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen, ook al zou ook een andere dader daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die vervat in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag. De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal bepalen dat, indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Het hof zal voorts bepalen dat indien de door de benadeelde partij geleden schade door de hoofdelijk aansprakelijke mededader -al of niet door tussenkomst van de Staat- geheel of ten dele is voldaan, de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat ook de daarop betrekking hebbende schadevergoedingsmaatregel in zoverre komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de zaak met parketnummer 03/008228-02 onder 1

[slachtoffer 1], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade ten bedrage van Eur. 120,15,--. De eerste rechter heeft deze vordering integraal toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in eerste aanleg gedane vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het in de zaak met parketnummer 03/008228-02 onder 1 bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering is voor toewijzing vatbaar, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij.

Het hof zal bepalen dat, indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De toegepaste wettelijke voorschriften

De oplegging van straf en maatregelen is gegrond op de artikelen: 24c, 27, 36f, 45, 46a, 47, 57, 60a, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03/005337-02 sub 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03/005337-02 sub 1 meer subsidiair en sub 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 03/008228-02 sub 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 03/005337-02 sub 1 meer subsidiair en sub 2 en in de zaak met parketnummer 03/008228-02 sub 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

in de zaak met parketnummer 03/005337-02:

sub 1: "Opzettelijke uitlokking van poging tot moord door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen";

sub 2: "Poging om een ander door beloften en het verschaffen van inlichtingen te bewegen een moord te begaan, meermalen gepleegd";

in de zaak met parketnummer 03/008228-02:

sub 1: "Poging tot moord".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van tien jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

in de zaak met parketnummer 03/005337-02 sub 1:

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], wonende te [adres], te betalen een bedrag van Eur. 3.000,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zestig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] voornoemd een bedrag van Eur. 3.000,--.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Bepaalt dat indien de door de benadeelde partij geleden schade door de hoofdelijk aansprakelijke mededader -al of niet door tussenkomst van de Staat- geheel of ten dele is voldaan, de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat ook de daarop betrekking hebbende schadevergoedingsmaatregel in zoverre komt te vervallen.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], wonende te [adres], te betalen een bedrag van Eur. 3.000,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zestig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] voornoemd een bedrag van Eur. 3.000,--.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Bepaalt dat indien de door de benadeelde partij geleden schade door de hoofdelijk aansprakelijke mededader -al of niet door tussenkomst van de Staat- geheel of ten dele is voldaan, de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat ook de daarop betrekking hebbende schadevergoedingsmaatregel in zoverre komt te vervallen.

in de zaak met parketnummer 03/008228-02 sub 1:

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], wonende te [adres], te betalen een bedrag van Eur. 120,15,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van twee dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] voornoemd een bedrag van Eur. 120,15,--.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Van Schaik-Veltman, als voorzitter

Mrs. Begheyn en Urlings, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Looijmans, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 december 2003.

Mr. Urlings is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 10.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1964,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overmaze" te Maastricht

Is bij vonnis van de rechtbank te Maastricht van 27 maart 2003 ter zake van:

t.a.v. 03/005337-02 onder 1: "Medeplegen van poging tot moord", t.a.v. 03/008228-02 sub 1: "Poging tot moord", sub 2: "Poging om een ander door giften te bewegen een moord te begaan",

veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar, met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen alsmede oplegging van schadevergoedingsmaatregelen zoals in voormeld vonnis staat omschreven, met vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03/005337-02 onder 2 ten laste gelegde.