Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AP0512

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
20.002397.03
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2003:AF5836
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot moord.

In oktober 1996 heeft verdachte een granaataanslag gepleegd op de woning van de familie [slachtoffers]. De granaat is omstreeks 23.30 uur ontploft in de woonkamer, terwijl [slachtoffers 1 en 2] in diezelfde kamer op een bank zaten en hun twee kinderen boven lagen te slapen. Door de ontploffing zijn twee, in voormelde woonkamer aanwezige, huisdieren gedood en zijn [slachtoffers 1 en 2] beiden gewond geraakt. Het is aan een gelukkige samenloop van omstandigheden te danken geweest dat de aanslag [slachtoffers 1 en 2] niet fataal is geworden. Voorts is grote schade aangericht in de woning.

5 jaar gevangenisstraf + schadevergoedingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2003-12-23
Wetboek van Strafrecht 45, geldigheid: 2003-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 14 maart 2003 in de strafzaak onder parketnummer 03/005338-02 tegen:

[adres],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1975,

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 19 oktober 1996 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg een ruit van de woning van die [slachtoffers 1 en 2] heeft vernield en een handgranaat de woning van die [slachtoffers 1 en 2] heeft binnengegooid via de ruit van de kamer waarin die [slachtoffers 1 en 2] verbleven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 45 van dat wetboek.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In oktober 1996 heeft verdachte een granaataanslag gepleegd op de woning van de familie [slachtoffers]. De granaat is omstreeks 23.30 uur ontploft in de woonkamer, terwijl [slachtoffers 1 en 2] in diezelfde kamer op een bank zaten en hun twee kinderen boven lagen te slapen. Door de ontploffing zijn twee, in voormelde woonkamer aanwezige, huisdieren gedood en zijn [slachtoffers 1 en 2] beiden gewond geraakt. Het is aan een gelukkige samenloop van omstandigheden te danken geweest dat de aanslag [slachtoffers 1 en 2] niet fataal is geworden. Voorts is grote schade aangericht in de woning.

Door verdachtes handelen is de familie [slachtoffers] veel leed toegebracht.

Voorts is de rechtsorde door een feit als het onderhavige op buitengemeen ernstige wijze geschokt en zijn grote verontrusting en gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

De namens verdachte aangevoerde omstandigheid dat de onderhavige strafzaak grote gevolgen heeft gehad voor het welzijn van de verdachte en zijn gezin acht het hof in het licht van de ernst van het gepleegde strafbare feit niet van een zodanig gewicht dat daarin aanleiding kan worden gevonden de op te leggen straf te matigen.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer 1], wonende te [adres], als gevolg van het bewezen verklaarde feit, immateriële schade heeft geleden, welke het hof naar billijkheid begroot op Eur. 3.000,--.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van Eur. 3.000,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [slachtoffer 2], wonende te [adres], als gevolg van het bewezen verklaarde feit, immateriële schade heeft geleden, welke het hof naar billijkheid begroot op Eur. 3.000,--.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van Eur. 3.000,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van Eur. 3.000,--. De eerste rechter heeft deze vordering integraal toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in eerste aanleg gedane vordering.

Aan de benadeelde partij is door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen, ook al zou ook een andere dader daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die vervat in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag. De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal bepalen dat, indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Het hof zal voorts bepalen dat indien de door de benadeelde partij geleden schade door de hoofdelijk aansprakelijke mededader -al of niet door tussenkomst van de Staat- geheel of ten dele is voldaan, de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat ook de daarop betrekking hebbende schadevergoedingsmaatregel in zoverre komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van Eur. 3.000,--. De eerste rechter heeft deze vordering integraal toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar in eerste aanleg gedane vordering.

Aan de benadeelde partij is door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen, ook al zou ook een andere dader daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die vervat in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag. De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal bepalen dat, indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Het hof zal voorts bepalen dat indien de door de benadeelde partij geleden schade door de hoofdelijk aansprakelijke mededader -al of niet door tussenkomst van de Staat- geheel of ten dele is voldaan, de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat ook de daarop betrekking hebbende schadevergoedingsmaatregel in zoverre komt te vervallen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De oplegging van straf en maatregelen is gegrond op de artikelen: 24c, 27, 36f, 45, 60a, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"Poging tot moord".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], wonende te [adres], te betalen een bedrag van Eur. 3.000,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zestig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] voornoemd een bedrag van Eur. 3.000,--.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Bepaalt dat indien de door de benadeelde partij geleden schade door de hoofdelijk aansprakelijke mededader -al of niet door tussenkomst van de Staat- geheel of ten dele is voldaan, de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat ook de daarop betrekking hebbende schadevergoedingsmaatregel in zoverre komt te vervallen.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], wonende te [adres], te betalen een bedrag van Eur. 3.000,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zestig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] voornoemd een bedrag van Eur. 3.000,--.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Bepaalt dat indien de door de benadeelde partij geleden schade door de hoofdelijk aansprakelijke mededader -al of niet door tussenkomst van de Staat- geheel of ten dele is voldaan, de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat ook de daarop betrekking hebbende schadevergoedingsmaatregel in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door Mr. Van Schaik-Veltman, als voorzitter

Mrs. Begheyn en Urlings, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Looijmans, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 december 2003.

Mr. Urlings is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 02

tijd : 10.30

verdachte:

[adres],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1975,

wonende te [adres],

Is bij vonnis van de rechtbank te Maastricht van 14 maart 2003 ter zake van:

veroordeeld tot:

vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.