Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AO9152

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
20.002438.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

t.a.v. sub 1 primair:"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B en C van de Opiumwet (oud) gegeven verbod",

t.a.v. sub 2:"Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven".

5 jaar en 6 maanden gevangenisstraf, rekening houdend met overschrijding redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wetboek van Strafrecht 140
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.002438.01

uitspraakdatum : 29 april 2003

tegenspraak

na aanh: oip

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Breda van 22 november 2000 in de strafzaak onder parketnummer 004258-99 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1961,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Boschpoort" te Breda.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de redelijke termijn waarin een verdachte recht heeft op afdoening van de tegen hem ingestelde strafrechtelijke vervolging, geschonden is. Immers, verdachte is op 22 november 2000 in eerste aanleg veroordeeld door de rechtbank te Breda. Tevens heeft verdachte op die dag hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis.

De processtukken zijn bij dit hof ontvangen op 27 november 2001, aldus meer dan acht maanden na de uitspraak van de eerste rechter. Deze schending van de redelijke termijn kan, volgens de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, worden gecompenseerd. Aan overschrijding van de inzendingstermijn behoeven geen rechtsgevolgen te worden verbonden indien een zaak in hoger beroep alsnog met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting wordt aangebracht en behandeld.

In deze zaak werd de eerste terechtzitting echter gehouden op 4 december 2002. Op verzoek van de verdediging werd het onderzoek ter terechtzitting op die dag geschorst teneinde een aantal getuigen te laten horen door de rechter-commissaris. Indien de verdediging dit verzoek niet zou hebben gedaan, zou het arrest van dit hof zijn gewezen op 18 december 2002, aldus 2 jaren en zesentwintig dagen na het instellen van het hoger beroep. Ook de termijn om een strafzaak - in dit geval in hoger beroep - binnen twee jaren af te doen is aldus geschonden.

Verdachtes raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in haar vervolging wegens de beide schendingen van de redelijke termijn. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht om met de straftoemeting rekening te houden met het tijdsverloop in deze strafzaak.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende:

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad behoort overschrijding van de redelijke termijn in de regel te leiden tot strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats. Van een zodanig geval is het hof niet gebleken, mede gelet op het feit dat de vertraging die na 4 december 2002 bij de behandeling in hoger beroep is ontstaan door het op verzoek van de verdediging horen van getuigen voor rekening van de verdachte dient te blijven.

Het hof is dan ook van oordeel er in deze zaak geen sprake is van ernstige overschrijdingen van de redelijke termijn, en dat het beroep op niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in haar strafvervolging moet worden afgewezen. Het hof zal echter in haar strafmaat deze overschrijdingen van de redelijke termijn laten meewegen.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij in de periode van 1 februari 1998 tot en met 26 november 1999 te Oud-Gastel en te Rijsbergen tezamen en in vereniging met anderen meermalen opzettelijk heeft vervaardigd, hoeveelheden amfetamine en/of MDMA,

en te Sprundel en te Breda en te Oud-Gastel en te Rijsbergen opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden amfetamine en/of MDMA, zijnde Amfetamine en MDMA middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2. hij in de periode van 1 maart 1998 tot en met 11 oktober 1999 in het arrondissement Breda heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit een duurzaam samenwerkingsverband van personen, te weten hem, verdachte en [medeverdachten], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen, en

- het opzettelijk vervaardigen, en

- het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden amfetamine en MDMA, zijnde amfetamine en MDMA middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B en C van de Opiumwet (oud) en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van die wet juncto artikel 47, eerste lid en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat harddrugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend;

- het feit dat verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld binnen het georganiseerde criminele verband van de groepering [medeverdachte] met betrekking tot het productieproces van amfetamine en MDMA;

- het feit dat verdachte het bewezenverklaarde heeft gepleegd gedurende diverse hem opgelegde proeftijden.

Het hof heeft hierbij overwogen dat een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, als door de rechtbank opgelegd, op zichzelf genomen passend zou zijn. Echter, gezien het feit dat er sprake is van schendingen van de redelijke termijn - waarbij het hof een korting heeft toegepast van vier maanden - en het feit dat verdachte gedeeltelijk heeft toegegeven betrokken te zijn geweest bij hetgeen bewezen is verklaard, zal het hof verdachte een straf opleggen als hierna te noemen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

t.a.v. sub 1 primair:"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B en C van de Opiumwet (oud) gegeven verbod",

t.a.v. sub 2:"Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaar en zes maanden.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Aarts, als voorzitter

Mrs. Otten en Bark - van Gink, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Hoekstra, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 april 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 01

tijd : 13.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1961,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda

Is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 22 november 2000 ter zake van:

t.a.v. sub 1:"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod", t.a.v. sub 2:"Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven";

veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;