Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AO9101

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-05-2003
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
20.003266.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf voor een aantal overvallen.Tevens schadevergoedingen en tenuitvoerlegging eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.003266.02

uitspraakdatum : 30 mei 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 december 2002 in de strafzaak onder parketnummer 01/045198-02 en 01/045206-99(TUL) tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1969,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw Vosseveld / "De Leij" te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.

op 05 augustus 2002 te Nuland, gemeente Maasdonk, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een BP tankstation aan de Hoogstraat een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] (medewerkster van dat tankstation), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] dreigend een mes heeft voorgehouden en (daarbij) dreigend heeft geroepen: "Dit is een overval, la open, snel, snel", althans soortgelijke dreigende woorden;

2.

op 09 augustus 2002 te 's-Hertogenbosch, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een winkel van Giraffe aan de Orthenseweg een hoeveelheid geld, toebehorende aan Giraffe, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] (medewerkster van die winkel) en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] (bedrijfsleider van die winkel), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer 4] dreigend een mes heeft voorgehouden en die [slachtoffer 4] dreigend een mes heeft voorgehouden;

3.

op 10 augustus 2002 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen uit een Total tankstation aan de Oude Vlijmenseweg, een hoeveelheid geld, toebehorende aan Total Self Servicestation Den Bosch, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen een of meer medewerkers van dat tankstation, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, [slachtoffer 5], medewerkster van dat tankstation, dreigend een mes heeft voorgehouden en/of dreigend heeft geroepen "Dit is een overval. Geld, nu", althans soortgelijke dreigende woorden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

op 11 augustus 2002 te Helvoirt, gemeente Haaren, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een Esso tankstation aan de Rijksweg 15 een hoeveelheid geld, toebehorende aan Argos Servicestation Helvoirt, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6], medewerkster van dat tankstation, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer 6] dreigend een mes heeft voorgehouden en (daarbij) dreigend heeft geroepen "Dit is een overval. De kassa openen dan gebeurt jou niks", althans soortgelijke dreigende woorden;

5.

op 20 juli 2002 te 's-Hertogenbosch met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een Q8 tankstation aan de Aartshertogenlaan een hoeveelheid geld, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [adres], medewerkster van dat tankstation, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer 7] dreigend een mes heeft voorgehouden en (daarbij) dreigend heeft geroepen "Dit is een overval. Maak de kassa open", althans soortgelijke dreigende woorden;

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde onder 1 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

Het bewezen verklaarde onder 2 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

Het bewezen verklaarde onder 3 primair is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 312, eerste lid, juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

Het bewezen verklaarde onder 4 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

Het bewezen verklaarde onder 5 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Het hof houdt voorts rekening met de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht voor de slachtoffers in deze, het gewelddadige karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is.

Gelet op vorenstaande is er dan ook geen plaats voor toewijzing van het verzoek van de raadsman om aanhouding van de zaak teneinde rapportage met betrekking tot behandelingsmogelijkheden van verdachte in samenhang met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te doen stellen.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ten aanzien van feit 1:

[slachtoffer 2], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De vordering, belopende een bedrag van € 2.647,- is door de rechter toegewezen tot een bedrag van € 1.400,-. De vordering duurt in hoger beroep van rechtswege voort voor zover deze is toegewezen.

Deze vordering strekt tot verkrijging van een bedrag van € 1.400,-, bestaande uit een bedrag van € 650,-, als voorschot terzake materiële en een bedrag van € 750,-, terzake immateriële schade.

De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.400,- te betalen ten behoeve van het slachtoffer, bestaande uit een bedrag van € 650,- als voorschot terzake materiële schade en een bedrag van € 750,- terzake immateriële schade.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Ten aanzien van feit 2:

[slachtoffer 3], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De vordering, belopende een bedrag van € 1.000,- is door de rechter toegewezen tot een bedrag van € 750,-. De vordering duurt in hoger beroep van rechtswege voort voorzover deze is toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep-binnen de grenzen van haar eerste vordering-opnieuw gevoegd terzake van het niet toegewezen bedrag van € 250,-. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van een bedrag van in totaal € 1.000,-.

Deze vordering strekt tot verkrijging van een bedrag van € 1.000,-, als voorschot op een immateriële schadevergoeding.

Aan de benadeelde partij is door het onder 2 bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 BW van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De verdachte heeft de hoogte van de vordering betwist. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op na te melden bedrag.

De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.000,-, als voorschot op een immateriële schadevergoeding, te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Ten aanzien van feit 3:

V.o.f. [benadeelde partij], gevestigd te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep-binnen de grenzen van haar eerste vordering-opnieuw gevoegd voor een bedrag van € 250,-.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade in verband met inkomstenderving ten bedrage van € 250,-.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat voormelde vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit geding.

Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

[slachtoffer 5], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van strafvordering in eerste aanleg gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500,-.

De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering is voor toewijzing vatbaar, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij.

Het hof zal aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 500,-, te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Ten aanzien van feit 4:

[slachtoffer 6], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van strafvordering in eerste aanleg gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

De vordering strekt vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 750,-.

De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering is voor toewijzing vatbaar, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij.

Het hof zal aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 750,-, te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Ten aanzien van feit 5:

[adres], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De vordering, belopende een bedrag van € 2.000,-, is door de rechter toegewezen tot een bedrag van € 750,-. De vordering duurt in hoger beroep van rechtswege voort voor zover deze is toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep-binnen de grenzen van haar eerste vordering-opnieuw gevoegd terzake van het niet toegewezen bedrag van € 1.250,-. De vordering in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van een bedrag van in totaal € 2000,-.

De vordering strekt tot vergoeding van € 2000,-, terzake immateriële schade.

Aan de benadeelde partij is door het onder 5 bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De verdachte heeft de hoogte van de vordering betwist. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op na te melden bedrag. De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.500,-. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. Voor wat betreft het meer of anders gevorderde, is gebleken dat dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat die zich leent voor behandeling in dit geding, en derhalve, tot een bedrag van € 500,- niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bij de vaststelling van de door [adres], geleden immateriële schade, weegt het hof in het bijzonder mee dat [adres], in korte tijd, twee maal is overvallen.

De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Het hof zal aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.500,-, te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De vordering tot tenuitvoerlegging

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de beslissing welke de eerste rechter heeft genomen op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van een gevangenisstraf van 12 maanden, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch d.d. 28 maart 2002 onder parketnummer 01/045206-99 gewezen. De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan zijn niet aanwezig. Het hof zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 14g, 14h, 14i, 14j, 24c, 27, 36f, 45, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

sub 1, 4 en 5 telkens: "Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken",

sub 2: "Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren",

sub 3: "Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken",

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaren .

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2], wonende te [adres], een bedrag van € 1.400,-,(zegge: veertienhonderd euro).

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], wonende te [adres], te betalen een bedrag van € 1.400,-(zegge:veertienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 28 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Ten aanzien van feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan: [slachtoffer 3], wonende te [adres], een bedrag van € 1.000,-,(zegge: duizend euro) zijnde een voorschot op een immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], wonende te [adres], te betalen een bedrag van € 1.000,-(zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Ten aanzien van feit 3:

Verklaart de benadeelde partij genaamd V.o.f. [benadeelde partij], gevestigd te 's-Hertogenbosch aan de [adres], niet-ontvankelijk in haar vordering onder de bepaling dat de benadeelde partij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte tot op heden gemaakt en begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan: [slachtoffer 5], wonende te [adres], een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], wonende te [adres], te betalen een bedrag van € 500,-(zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Ten aanzien van feit 4:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan: [slachtoffer 6], wonende te [adres], een bedrag van € 750,-(zegge: zevenhonderdenvijftig euro).

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], wonende te [adres], te betalen een bedrag van € 750,-(zegge: zevenhonderdenvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

ten aanzien van feit 5:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan: [adres], wonende te [adres], een bedrag van € 1.500,-(zegge: vijftienhonderd euro).

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het meer of anders gevorderde onder de bepaling dat de benadeelde partij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerleggingb nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [adres], wonende te [adres], te betalen een bedrag van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Gelast de tenuitvoerlegging alsnog van de bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch d.d. 28 maart 2000, in de zaak met parketnummer 01/045206-99 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf maanden.

Dit arrest is gewezen door Mr. Eijsenga, als voorzitter

Mrs. Van Nierop en Bark - van Gink, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Van der Meijs, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 mei 2003.

Mr. Eijsenga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 02

tijd : 10.10

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1969,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw Vosseveld / "De Leij" te Vught

Is bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 december 2002 ter zake van:

sub 1, 4 en 5 telkens: "Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om doe diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken",

sub 2: "Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te ebreiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren",

sub 3: "Poging tot diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren",

veroordeeld tot:

vier jaar gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht,

ten aanzien van sub 1:

met verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] van een ebdrag van veertienhonderd euro subsidiair achtentwintig dagen hechtenis,

de toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op,

met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het hierna te noemen bedrag en veroordeling van verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 2], wonende te [adres], van een bedrag van viiertienhonderd europ, bestaande uit immateriele schade ten ebdrage van zevenhonderdenvijftig euro en (bij wijze van voorschot) materiele schade van zeshonderdenvijftig euro zijnde dit de kosten van de psycholoog,

met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op ehden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil,

met bepaling dat de bandeelde partij in de vordering ter zake de overige metriele schade[posten niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen,

met afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het overige deel van de immateriele schade,

verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde gekweten tot het bedrag waarvoor hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van deze schade,

ten aanzien van sub 2:

met verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], wonende te [adres] van een bedrag van zevenhonderdenvijftig euro subsidiair vijftien dagen hechtenis,

de toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op,

met toepaasing van de vordering van de benadeelde partij tot het hierna te noemen bedrag en veroordeling van verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 3], wonende te [adres] van een bedrag van zevenhonderdenvijftig gulden bestaande uit materiele schade,

met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil,

met afwijzing van de vordering voor het overige,

verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde gwkweten tot het bedrag waarvoor hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van deze schade,

ten aanzien van sub 3 primair:

met verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 5] van een bedrag van vijfhonderd euro subsidiair tien dagen hechtenis,

de toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op,

met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 5] en veroordeling van verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende te [adres] van een bedrag van vijfhonderd euro,

met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil,

verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde gekweten tot het bedrag waarvoor hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van deze schade,

ten aanzien van sub 3 primair:

met niet ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij genaamd V.O.F. [benadeelde partij], wonende te [adres] te 's-Hertogenbosch in de vordering onder de bepaling dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerllijke rechter kan aanbrengen,

met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten door de verdachte tot op heden gemaakt en begroot op nihil,

ten aanzien van sub 4:

met verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 6] van een bedrag van zevenhonderdenvijftig euro subsidiair vijftien dagen hechtenis,

de toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op,

met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 6] en veroordeling van verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende te [adres] van een bedrag van zevenhonderdenvijftig euro,

met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil,

verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde gekweten tot het bedrag waarvoor hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van deze schade,

ten aanzien van sub 5:

met verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 7] van een bedrag van zevenhonderdenvijftig euro subsidiair vijftien dagen hechtenis,

de toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op,

met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het hierna te noemen bedrag en veroordeling van verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 7], wonende te [adres], van een bedrag van zevenhonderdenvijftig euro,

met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil,

met afwijzing van de vordering voor het overige

verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde gekweten tot het ebdrag waarvoor hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van deze schade,

met last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de Meervoudige Kamer te 's-Hertogenbosch d.d. 28 maart 2002, gewezen onder parketnummer 01/045206-99, te weten: twaalf maanden gevangenisstraf,

met vrijspraak van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard;