Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AO8952

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-05-2003
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
20.002605.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ripdeal. Verdachte wordt veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf voor diefstal in vereniging met geweld. Verdachte en een aantal mededaders hebben het voornemen opgevat om tijdens een drugstransactie, waarbij de koper in de veronderstelling was dat door verdachte en zijn handlangers cocaïne zou worden geleverd, de koper van zijn geld te beroven. Verdachte en één van zijn mededaders hebben zich daartoe bewapend, ieder met een vuurwapen. Tijdens de feitelijke uitvoering van de transactie heeft bedoelde mededader de koper beschoten en met twee kogels geraakt. Het slachtoffer is als gevolg hiervan overleden. Het buitgemaakte geld is nadien door verdachte verdeeld onder een aantal van zijn handlangers.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 288
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.002605.02

uitspraakdatum : 1 mei 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Breda van 16 september 2002 in de strafzaak onder parketnummer 02/004570-01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1971,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1. is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat de tenlastelegging onder 1 primair (gekwalificeerde doodslag in verband met het misdrijf diefstal) partieel nietig is, nu daarin het woord diefstal is opgenomen zonder vermelding van de juridische bestanddelen ervan, terwijl de term ‘diefstal’ onvoldoende feitelijk en slechts kwalificatief is.

Het hof verwerpt dit verweer.

De tenlastelegging onder 1 primair is toegesneden op art. 288 Sr. Dit artikel stelt strafbaar – kort gezegd - doodslag gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om bij betrapping op heterdaad straffeloosheid of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Het misdrijf doodslag is omschreven in art. 287 Sr en kent een strafmaximum van 15 jaren gevangenisstraf, terwijl de doodslag onder de strafverzwarende omstandigheden als omschreven in art. 288 Sr bedreigd is met levenslange gevangenisstraf.

Een op art. 288 Sr toegesneden tenlastelegging moet de bestanddelen bevatten van het gronddelict doodslag. De strafverzwarende omstandigheid dat deze doodslag gepaard gaat met een strafbaar feit – het 'oorsprongsfeit' - moet voldoende feitelijk in de tenlastelegging worden vermeld, opdat de verdachte weet waartegen hij zich moet verweren. Evenwel behelst deze strafverzwarende omstandigheid niet de tenlastelegging van het oorsprongsfeit zodat het niet noodzakelijk is dat de juridische bestanddelen van dat strafbare feit in de tenlastelegging zijn opgenomen. De term 'diefstal' in de onderhavige tenlastelegging wordt omschreven in art. 310 Sr en maakt in verband met de overige omschrijving van het 'oorsprongsfeit' – diefstal van 30.000 gulden en/of van 500 gram cocaïne - voldoende duidelijk op welke strafverzwarende omstandigheid de tenlastelegging doelt.

De bewezenverklaring

Het hof zal verdachte vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde, nu niet is bewezen dat verdachte, al dan niet samen met een ander, het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Het hof acht niet bewezen dat verdachte op het slachtoffer heeft geschoten en acht evenmin bewezen dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met de schutter met het opzet het slachtoffer te doden.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 oktober 2001 te Breda tezamen en vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen enig geldbedrag, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat zijn mededader met een pistool kogels heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer], terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Verdachte heeft betwist dat hij het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit (diefstal in vereniging met geweld) heeft gepleegd. Hij zou slechts hebben bemiddeld om de verkoop van 500 gram cocaïne aan het latere slachtoffer mogelijk te maken en hij zou het slachtoffer niet hebben bestolen.

Het hof acht echter het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen.

Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Blijkens de verklaring van [naam 1] (“[alias]”) en van [naam 2] heeft verdachte tevoren gezegd dat "ze die mannen van hun geld gaan beroven" ([naam 1]), respectievelijk "hun spullen zullen afpakken" ([naam 2]). Voorts heeft [naam 1] verklaard dat verdachte al bij de snackbar, enige tijd voordat het slachtoffer werd neergeschoten, zei: “We pakken ze nu”.

Verder neemt het hof aan dat verdachte gewapend was. Dit blijkt uit de verklaringen van [naam 3] en van [naam 1] inhoudende dat, na het delict, verdachte en [naam 1] bij [naam 3] in de auto zijn gestapt waarbij [naam 1] achterin is gaan zitten en verdachte voorin naast de bestuurder, in samenhang met de verklaring van [naam 4] – een niet betrokken buurtbewoonster – die een man, die geheel voldoet aan het signalement van verdachte en die een wapen in de rechterhand had, na het schieten heeft zien instappen voorin de auto en een andere man achterin. Voorts heeft [naam 1] verklaard dat hij bij de snackbar heeft gezien dat verdachte een revolver bij zich had. Het feit dat verdachte gewapend was onderstreept de uit andere bewijsmiddelen reeds blijkende bedoeling van verdachte om zonodig geweld te plegen.

Het hof acht verder van belang dat verdachte tijdens de autoritten van het station naar de snackbar en van de snackbar naar de Joris Nempestraat regelmatig heeft gebeld met zijn mededaders.

[naam 1] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat er zonodig suiker in plaats van cocaïne moest komen. Dit duidt erop dat de drugs of de suiker een middel was het slachtoffer te kunnen beroven. Het is immers onaannemelijk dat de koper van een zo grote partij drugs voor die partij betaalt zonder te verifiëren of het wel kwalitatief goede cocaïne is.

Tenslotte blijkt uit de verklaringen van [naam 5], [naam 3] en [naam 2] dat verdachte na het delict aan verschillende personen geld heeft gegeven voor hun medewerking aan de beroving dan wel als zwijggeld of als beloning voor het vervoer per auto naar en van de plaats van het misdrijf. Daarbij is van belang dat die betalingen gedeeltelijk in Belgische franken geschiedden, terwijl uit de verklaring van [naam 1] blijkt dat het slachtoffer, toen deze wilde betalen voor de door hem bestelde drugs, zowel Nederlands als Belgisch geld liet zien.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste lid, junctis het tweede lid onder 2°, en het derde lid van dat artikel. Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte en een aantal mededaders hebben het voornemen opgevat om tijdens een drugstransactie, waarbij de koper in de veronderstelling was dat door verdachte en zijn handlangers cocaïne zou worden geleverd, de koper van zijn geld te beroven. Verdachte en één van zijn mededaders hebben zich daartoe bewapend, ieder met een vuurwapen. Tijdens de feitelijke uitvoering van de transactie heeft bedoelde mededader de koper beschoten en met twee kogels geraakt. Het slachtoffer is als gevolg hiervan overleden. Het buitgemaakte geld is nadien door verdachte verdeeld onder een aantal van zijn handlangers.

Door het bewezenverklaarde feit is groot leed en verlies toegebracht aan de naaste omgeving van het overleden slachtoffer, die zich geconfronteerd zag met de gewelddadige dood van een dierbare.

Het onderhavige delict betreft een gewelddadig feit waardoor de rechtsorde zeer ernstig is geschokt en dat in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengt.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is tevens rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte bij de voorbereiding en uitvoering van het feit een voorname en actieve rol heeft gespeeld, onder meer door het contact tussen koper en leverancier van een (al dan niet bestaande) partij cocaïne te leggen, zijn voornemen om de koper te beroven kenbaar te maken aan één of meer van zijn handlangers, en gewapend met een vuurwapen ter plaatse aanwezig te zijn;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake vermogens- en geweldsdelicten, alsmede terzake het bezit van een vuurwapen, is veroordeeld.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het 1. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het 1. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte 1. subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"Diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Bergkotte, als voorzitter

Mrs. Claassens en Weerkamp, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Boekelman, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 mei 2003.

Mr. Weerkamp is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 02

tijd : 10.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1971,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda

Is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 16 september 2002 ter zake van:

t.a.v. sub 1 subsidiair: "Diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft";

veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, vrijspraak van het sub 1 primair, sub 2 en sub 3 tenlastegelegde, vrijspraak van hetgeen onder sub 1 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd;