Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AO6622

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-12-2003
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R200300824
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof acht het ambshalve vaststellen van een saneringsplan 2,5 maand na beëindiging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling weinig zinvol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WvR

l6 december 2003

Rekestenkamer

Rekestnummer R200300824

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

Y

wonende te

appellant,

procureur mr. W.M. Welage.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 november 2003, waarvan de inhoud bij de man bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 11 november 2003, heeft appellant verzocht voormeld vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende om de schuldsaneringsregeling te beëindigen en aan appellant de schone lei te verlenen.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2003. Bij die gelegenheid zijn appellant en zijn advocaat, alsmede de beer G.T.F. Kooijmans, bewindvoerder, gehoord. Tevens is mevrouw M. Van Oss, werkzaam bij Stichting Welzijnswerk Divers, gehoord.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

?- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het procesdossier in eerste aanleg, waaronder de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 juni 2003 en 6 oktober 2003, ingekomen ter griffie op 28 november 2003;

?- een brief met bijlagen van de procureur van appellant d.d. 28 november 2003;

- een brief met bijlage van de bewindvoerder d.d. 1 december 2003;

- een brief met bijlagen van de advocaat van appellant d.d. 3 december 2003;

- de door de advocaat van appellant ter zitting overgelegde aantekeningen en een brief van GGZ 's-Hertogenbosch d.d. 6 november 2002.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij vonnis van 7 februari 2000 is door de rechtbank te 's-Hertogenbosch ten aanzien van appellant de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 22 april 2003 heeft de rechtbank een schuldsaneringsplan vastgesteld, waarin de looptijd van de regeling is bepaald op drie jaar, derhalve tot 7 februari 2003. Tevens is in het schuldsaneringsplan opgenomen dat appellant zich zal inspannen een zo hoog mogelijk inkomen uit arbeid te verwerven en dat hij, indien hij van mening is om medische redenen niet te kunnen werken, binnen vier weken een medische verklaring zal overleggen.

4.2. In de brief van de bewindvoerder van 15 mei 2003 wordt het volgende vermeld. Nadat zijn gezondheid is verbeterd, is ervoor gekozen om appellant eerst vrijwilligerswerk te laten doen om van daaruit Nederlands te leren en langzaam aan naar de arbeidsmarkt door te stromen. In november 2002 heeft appellant echter weer last van zijn rug gekregen en is hij doorverwezen naar een fysiotherapeut. De bewindvoerder heeft in deze brief voorgesteld de schuldsaneringsregeling met een schone lei te beëindigen.

4.3. De rechter-commissaris heeft zich in zijn brief van 28 mei 2003 op het standpunt gesteld dat de schuldsaneringsregeling niet kan worden beëindigd met verlening van de schone lei, tenzij appellant alsnog een medische verklaring overlegt waaruit blijkt dat hij gedurende de regeling niet in staat is geweest om betaalde arbeid te verrichten.

4.4. Uit de rapportage van de GGD van 2 september 2003, die op verzoek van de rechtbank en na lichamelijk onderzoek van appellant is opgemaakt, komt naar voren dat appellant klachten heeft aan zijn rug en knieen en over moeheid klaagt. Appellant verricht circa twaalf uur per week vrijwilligerswerk. De keuringsarts van de GGD acht appellant in staat om werkzaamheden van lichte aard te verrichten. Het verrichten van zware arbeid en het werken onder tijdsdruk wordt ontraden.

4.5. Bij vonnis van 3 november 2003 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch de schuldsaneringsregeling ten aanzien van appellant beëindigd zonder verlening van de schone lei. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting om extra inkomsten middels het vinden van een betaalde baan te vergaren. Tegen dit vonnis komt appellant op.

4.6. Het hof merkt allereerst op dat een procesverloop waarbij bij vonnis van 22 april 2003 een saneringsplan wordt vastgesteld, waarin de looptijd van de schuldsaneringsregeling is bepaald op drie jaar, te weten tot 7 februari 2003, strijdig is met de bepalingen van de Faillissementswet. Immers de normale gang van zaken is dat de rechtbank tegelijk met het saneringsplan de termijn vaststelt gedurende welke de schuldsaneringsregeling wordt toegepast (art. 343 lid 2 Fw). Tegen het einde van deze termijn wordt op voordracht van de rechtercommissaris, op verzoek van de bewindvoerder of van de schuldenaar dan wel ambtshalve door de rechtbank een zitting bepaald (art. 352 lid 1 Fw). Binnen acht dagen na deze zitting doet de rechtbank uitspraak over de vraag of de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en of de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend (art. 354 lid 1 Fw). De toepassing van de schuldsanering eindigt van rechtswege zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (art. 356 lid 2 Fw). Het ambtshalve vaststellen van een saneringsplan 2½ maand na beëindiging van de looptijd van de schuldsanering acht het hof, zeker gezien de bedoeling van een dergelijk plan, weinig zinvol.

4.7. Appellant stelt in zijn beroepschrift dat niet valt in te zien waarom op grond van voornoemd rapport van de GGD, dat zeven maanden na het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling tot stand is gekomen, kan worden geconcludeerd dat appellant ook tijdens ae looptijd van de

schuldsaneringsregeling arbeidsgeschikt was. In verband met zijn bijstandsuitkering werd hij elk jaar door de GGD gekeurd en steeds werd vastgesteld dat het verrichten van betaald werk niet van hem kon worden verlangd. Ondanks zijn arbeidsongeschiktheid heeft appellant zich in augustus 2002 gewend tot Stichting Divers met het verzoek hem te begeleiden in een mogelijk reintegratietraject. Toen arbeidsbemiddeling gezien zijn lichamelijke en geestelijke toestand niet mogelijk bleek, is appellant op advies van een orthopedagoog van GGZ 's-Hertogenbosch via Stichting Divers vrijwilligerswerk gaan doen.

4.8. Het hof overweegt als volgt.

4.8.1. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat appellant at zijn verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling is nagekomen. Ook de bewindvoerder is van mening dat appellant gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet in staat was om ander werk dan vrijwilligerswerk te verrichten. Voorts is uit de stukken gebleken dat appellant gedurende de looptijd van de regeling steeds getracht heeft om aan het arbeidsproces deel te nemen. Dit is echter als gevolg van zijn lichamelijke en geestelijk beperkingen niet gelukt. Appellant is bovendien gedurende de looptijd van de regeling door de sociale dienst vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Weliswaar acht de keuringsarts van de GGD blijkens zijn rapportage van 2 september 2003 appellant geschikt tot het verrichten van betaald werk, echter deze rapportage is zeven maanden na de beeindiging van de schuldsaneringsregeling op 7 februari 2003 opgemaakt en ziet op de situatie van appellant in september 2003.

4.8.2. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het bovenstaande, dan ook niet geconcludeerd worden dat appellant gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling tekort is geschoten in zijn verplichting tot het zoeken naar betaald werk. Het hof is mitsdien van oordeel dat aan appellant de `schone lei' kan worden verleend.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 november 2003;

en opnieuw rechtdoende:

stelt vast dat appellant niet in de nakoming van één of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van appellant reeds zijn geëindigd op 7 februari 2003.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Griensven, Lamers en Draijer-Udo en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 december 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.