Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AO6360

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2003
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
20.001001.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar, wegens overtreding van de Opiumwet. Verdachte voert een onrechtmatig verkregen bewijsverweer, dit verweer wordt verworpen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 56
Wetboek van Strafrecht 55
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

tegenspraak;

na aanh: oip

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 maart 2003 in de strafzaak onder parketnummer 01/089064-02 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1973,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring P.I. Nieuw-Vosseveld te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover thans nog aan de orde, dat hij:

in de periode van 1 april 2002 tot en met 23 april 2002 te Eersel en/of Best althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch en/of te Zierikzee, althans in het arrondissement Middelburg en/of te Spijkenisse en/of te Rotterdam en/of te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of vervoerd en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in de zin van artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet),

in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid (van in totaal ongeveer 425 kilo) MDMA en/of MDEA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine en/of MMDA (in de vorm van in totaal ongeveer 1.568.600 tabletten), althans (telkens) zijnde een of meer middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte -op gronden zoals verwoord in de pleitnota- aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard, nu zonder nadere feitelijke omschrijving niet duidelijk is aan welke wijze van binnen danwel buiten Nederland brengen van harddrugs verdachte zich heeft schuldig gemaakt.

Het hof overweegt ten aanzien van voornoemd verweer als volgt.

De tenlastelegging dient er onder meer voor om aan de verdachte duidelijk te maken van welk feitencomplex hij verdacht wordt en hem in de gelegenheid te stellen zich daartegen te verweren. In de onderhavige zaak is de omschrijving van het feitencomplex zoals opgenomen in de inleidende dagvaarding, beoordeeld tegen de achtergrond van het dossier, duidelijk en voldoende feitelijk. Ter terechtzitting in hoger beroep is immers gebleken dat verdachte en zijn raadsman wisten welk verwijt verdachte werd gemaakt en hebben zij daartegen zowel in eerste aanleg als ter zitting in hoger beroep ook de verdediging gevoerd. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

in de periode van 1 april 2002 tot en met 23 april 2002 te Best en/of te Zierikzee, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk heeft vervoerd en/of afgeleverd en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in de zin van artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), een hoeveelheid van in totaal ongeveer 425 kilo MDMA (in de vorm van in totaal ongeveer 1.568.600 tabletten), zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte -op gronden zoals in de pleinota verwoord- een aantal verweren gevoerd die, kort gezegd, het volgende inhouden.

A. Verdachte wist tijdens het eerste, tweede vervoer en derde vervoer niet (ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet) dat het om xtc-pillen ging, zodat geen veroordeling kan volgen voor het opzettelijk vervoeren van deze goederen;

B. De verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd mogen -voor zover zij bekentenissen inhouden- niet voor het bewijs gebruikt worden, nu deze tot stand zijn gekomen op een wijze die zich niet verdraagt met een integer en zorgvuldig politieonderzoek;

C. Verdachte wist niet (ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de goederen die hij aan boord van de boot heeft gebracht naar het buitenland zouden gaan, zodat geen veroordeling kan volgen voor het buiten het grondgebied brengen van de xtc-pillen;

D. Als het hof bewezen acht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het buiten het grondgebied brengen van de xtc-pillen, kan dat slechts in de vorm van medeplichtheid;

E. Niet bewezen kan worden dat verdachte de tenlastegelegde hoeveelheid van ruim 1,5 miljoen xtc-pillen aan boord heeft gebracht nu niet uitgesloten kan worden dat, onafhankelijk van verdachte, hoeveelheden pillen aan boord van het schip zijn gebracht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ad. A. en B.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast komen te staan dat verdachte drie keer een lading xtc-pillen vanuit Best naar Zierikzee heeft vervoerd. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij achter zijn flat door een hem onbekend persoon werd aangesproken en werd gevraagd om een aantal keren goederen te vervoeren, voor welk vervoer hij fl. 1000,- per keer zou krijgen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij van meet af aan wist dat hij xtc-pillen vervoerde. Het hof ziet geen aanleiding deze verklaringen niet voor het bewijs te gebruiken, nu de door de verdediging daartoe aangevoerde feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof niet aannemelijk zijn geworden. De raadsman heeft daartoe betoogd dat ten aanzien van dat onderdeel slechts gebruik mag worden gemaakt van de verklaring door verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris op 18 februari 2003. Het hof merkt echter op dat de verklaring die verdachte bij de rechter-commissaris hierover heeft afgelegd feitelijk onjuist is. Verdachte verklaart daar immers dat hij pas bij de laatste rit heeft geconstateerd dat er pillen in de dozen zaten die hij op dat moment vervoerde. Uit observaties van die dag blijkt echter dat tijdens die laatste rit geen dozen, maar tassen zijn vervoerd.

Uit de hierboven omschreven omstandigheden, dat verdachte goederen is gaan vervoeren voor een voor hem onbekend persoon, voor veel geld en dit gecombineerd met zijn verklaring afgelegd bij de politie, leidt het hof af dat verdachte vanaf het eerste moment wist dat hij xtc-pillen vervoerde.

Ad. C.

Na de eerste rit kwam verdachte in Zierikzee aan en had hij bij een molen contact met een hem onbekend persoon die gebrekkig Engels sprak. Deze man gebaarde verdachte dat hij de auto voorbij het kantoor van de havenmeester moest rijden en maakte hem daarbij duidelijk dat hij oplettend moest zijn omdat de havenmeester elk moment het kantoor kon verlaten. Uiteindelijk heeft verdachte de auto geparkeerd op een plaats die de onbekende man aangaf. Samen reden zij met kruiwagens met daarop de dozen met xtc-pillen over een steiger naar een boot. Daar zag verdachte dat de pillen aan boord van de boot gingen. Verdachte en de onbekende man zijn meerdere keren op en neer gelopen naar de boot met gevulde kruiwagens.

Naar het oordeel van het hof leiden de hierboven omschreven omstandigheden dat verdachte samen met een hem onbekend, gebrekkig Engels sprekend persoon in de haven van Zierikzee die via de Oosterschelde in verbinding staat met internationaal vaarwater meerdere malen dozen met xtc-pillen naar een aldaar gelegen boot heeft gebracht ertoe, dat hij zich -voor wat betreft dit per kruiwagen vervoeren van de dozen met xtc-pillen- willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat de dozen met xtc-pillen naar het buitenland zouden worden gebracht en voorts ook dat hij die aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

Verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de volgende twee transporten dezelfde bestemming hadden. Derhalve kan gesteld worden dat die twee transporten enkel op de uitvoer van die drugs gericht waren.

Ad. D.

Zoals uit bovenstaande naar voren komt heeft verdachte in de haven van Zierikzee drie keer samen met een ander xtc-pillen uit zijn auto op kruiwagens geladen, om vervolgens deze kruiwagens naar een boot te rijden alwaar de pillen door een derde man aan boord van de boot werden gebracht. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van bewuste samenwerking aan en gezamenlijke uitvoering bij de export van xtc-pillen.

Ad. E.

De raadsman van verdachte gaat in zijn pleitnota uit van een hoeveelheid van 10 dozen en 8 tassen die door verdachte naar de haven in Zierikzee zijn gebracht. Het hof merkt op dat tijdens de observaties is waargenomen dat verdachte meer dozen en tassen in de haven heeft gebracht dan door de raadsman is gesteld. De berekening van de raadsman berust derhalve op verkeerde gegevens. Voorts heeft medeverdachte Pawel bij de politie verklaard dat de pillen in drie transporten aan boord van de boot zijn gebracht. Verdachte heeft ook drie transporten verzorgd. Het hof is derhalve van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er, buiten de transporten van verdachte, nog andere transporten van pillen zijn geweest.

Gelet op het bovenstaande worden alle door de raadsman gevoerde bewijsverweren verworpen.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde:

- is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A (oud), van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid (oud), van voornoemde wet in samenhang met artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht.

en

- is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B (oud), van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid (oud), van voornoemde wet in samenhang met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte zich -mede- heeft beziggehouden met de uitvoer van een zéér grote hoeveelheid xtc-pillen en hij zich daarbij enkel en alleen heeft laten leiden door winstbejag.

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren.

Bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvoor de verdachte is vervolgd, zijn de in de beslissing als zodanig te noemen voorwerpen in beslag genomen. Zij behoren aan de verdachte toe, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Uit de aard van de voorwerpen volgt dat zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven. Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 27, 36b, 36d, 47, 56, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Eerste rit:

"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B (oud), van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid (oud), van de Opiumwet,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A (oud), van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid (oud), van de Opiumwet,

in voortgezette handeling gepleegd".

Tweede en derde rit telkens:

"Eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B (oud), van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid (oud), van de Opiumwet,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A (oud), van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid (oud), van de Opiumwet".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen voorkomende op de aan dit arrest gehechte kopie van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1, 2, 7 en 8.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen voorkomende op de aan dit arrest gehechte kopie van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 3, 4, 5 en 6.

Dit arrest is gewezen door Mr. Harmsen, als voorzitter

Mrs. De Lange en Goossens, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Lemmers, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 november 2003.

Mr. Goossens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 01

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1973,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring P.I. Nieuw-Vosseveld te Vught

Is bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 maart 2003 ter zake van:

sub 1:"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd van een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd",

en

"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod",

veroordeeld tot:

5 jrn. gev.str. OV. MAV., onttrekking a/h verkeer, gelast teruggave aan verdachte

vrijspraak van sub 2