Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AO4926

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
04-03-2004
Zaaknummer
00/00812
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

is belanghebbende voor het jaar 2000 verzekerde in de zin van de Ziekenfondwet?

Wetsverwijzingen
Ziekenfondswet 3
Ziekenfondswet 3d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 325
FutD 2004-0449
V-N 2004/16.3.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/00812

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, twaalfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van 21 januari 2000 van de Belastingdienst Ondernemingen Landelijk Punt Uitvoering Heffing Ziekenfondswet Voor Zelfstandigen te P (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de na te melden ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3d, lid 2, van de Ziekenfondswet (tekst 2000)(hierna: de Ziekenfondswet).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft bij beschikking met als dagtekening 9 november 1999 verklaard dat belanghebbende wat betreft het jaar 2000 voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3d, lid 1, van de Wet. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 21 januari 2000 de verklaring herroepen en in de plaats daarvan een nieuwe verklaring verstrekt met dezelfde inhoud.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Terzake van dit beroep heeft de griffier een griffierecht geheven van belanghebbende van fl. 60,--. De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 23 september 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, voorts gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan het Hof. De inhoud van die pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is vanaf 1 januari 1998 werkzaam als zelfstandig particulier verpleegkundige. In dat kader geniet zij sindsdien winst uit onderneming.

2.2. Het belastbare inkomen van belanghebbende over 1998, per de peildatum 1 oktober 1999 (artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet), bedroeg fl. 4.744,--.

2.3. In verband met het vorenstaande heeft de Inspecteur bij voormelde beschikking een verklaring afgegeven dat uit per 1 oktober 1999 bekende gegevens was gebleken dat belanghebbende voldeed aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen.

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

is belanghebbende voor het jaar 2000 verzekerde in de zin van de

Ziekenfondwet? Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. De Inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij geen andere gronden aangevoerd.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot

gegrond verklaring van haar beroep en vernietiging van voormelde beschikking. De Inspecteur concludeert tot ongegrond verklaring van belanghebbendes beroep.

4. Beoordeling van het geschil.

4.1. Belanghebbende is lid van het genootschap A.

4.2. Belanghebbendes enige grief, samengevat, is dat in de Ziekenfondswet door de wetgever niet is voorzien in de mogelijkheid dat zelfstandige personen die om levensbeschouwelijke redenen zich ertegen verzetten dat de Ziekenfondswet ook op hen van toepassing is, op hun verzoek worden uitgezonderd. Desgevraagd heeft belanghebbende daaromtrent ter zitting nader verklaard dat zij geen "gemoedsbezwaarde" is.

4.3. In het kader van voormelde grief heeft belanghebbende een beroep gedaan op de Grondwet en daarbij, met een beroep op de "innerlijke waarde" van de Ziekenfondswet, gesteld dat de rechter een rechtsvormende taak heeft. Voorts heeft belanghebbend een beroep gedaan op het EVRM, met name op de artikelen 8 en 9 van het EVRM.

4.4. Ingevolge artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, moet de rechter volgens de wet rechtspreken en mag hij in geen geval de

innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. In verband hiermee faalt de in 4.2 weergegeven grief van belanghebbende.

4.5. Artikel 120 van de Grondwet bepaalt dat de rechter niet treedt in de grondwettigheid van wetten en verdragen. Hij mag dus, anders dan belanghebbende van oordeel is, bij de uitleg van de regeling in de Ziekenfondswet niet "contra legem" oordelen. In verband daarmee faalt het in 4.3 weergegeven beroep op de Grondwet.

4.6. De omstandigheid dat in de Ziekenfondswet door de wetgever niet is voorzien in de mogelijkheid als door belanghebbende bedoeld, is niet in strijd met enige bepaling van het EVRM noch in strijd met enige bepaling van een ander verdrag. Anders dan door belanghebbende is gesteld, verhindert die omstandigheid belanghebbende niet uiting te geven aan haar levensbeschouwing en die levensbeschouwing in praktijk te brengen. Anders dan door belanghebbende is gesteld, is in verband met die omstandigheid voorts geen sprake van een aantasting van het privé-leven van belanghebbende dan wel van inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Het in 4.3 weergegeven beroep op het EVRM baat belanghebbende niet.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door T. Blokland, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 10 december 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 10 december 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.