Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AO2386

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-12-2003
Datum publicatie
27-01-2004
Zaaknummer
C0200928-MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd te bepalen dat het hem per 1 juli 2000 door Sappi gegeven ontslag kennelijk onredelijk was in verband met de voor hem getroffen financiële voorzieningen alsmede tot veroordeling van Sappi om aan hem te betalen een (schade)vergoeding van f 202.135,--, althans een door de rechter te bepalen bedrag.

Sappi heeft deze vordering gemotiveerd betwist.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2004/32
JAR 2004, 32
PJ 2004/137

Uitspraak

typ. AW

rolnr. C0200928/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 9 december 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 4 juli 2002,

procureur: mr. F.L.L. Vermeeren,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SAPPI NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Maastricht,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht gewezen vonnis van 17 april 2002 tussen appellant, ook te noemen [appellant] als eiser en geïntimeerde, hierna te noemen Sappi, als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 85891/rolnr. 277/01)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van de vordering van [appellant], met veroordeling van Sappi in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van grieven heeft Sappi, onder overlegging van productie, de grieven bestreden en heeft zij geconcludeerd het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.3. Vervolgens hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] aan de hand van een overgelegde pleitnotitie, waarna de uitspraak is bepaald op heden.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst daartoe naar de inhoud van de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd te bepalen dat het hem per 1 juli 2000 door Sappi gegeven ontslag kennelijk onredelijk was in verband met de voor hem getroffen financiële voorzieningen alsmede tot veroordeling van Sappi om aan hem te betalen een (schade)vergoeding van f 202.135,--, althans een door de rechter te bepalen bedrag.

Sappi heeft deze vordering gemotiveerd betwist.

De kantonrechter te Maastricht heeft de vordering van [appellant] afgewezen.

Daartegen richt zich het hoger beroep.

4.2. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter in het vonnis vastgestelde feiten, behoudens een kleine verbete-ring wat betreft de door [appellant] ontvangen maandelijkse toeslag, die naar onbetwist vaststaat f 590,91 bedroeg, zodat het totale basissalaris van [appellant] bij Sappi f 8.669,91 bruto per maand bedroeg.

4.3. [appellant] heeft in appel verzocht de vordering in volle omvang te beoordelen, zonder specifieke grieven te formuleren.

Uit de memorie van grieven blijkt dat [appellant] zich niet kan verenigen met het oordeel van de kantonrechter dat het hem gegeven ontslag mede gezien de voor hem getroffen voorziening op basis van het overeengekomen Sociaal Plan niet als onbillijk, laat staan als apert onbillijk moet worden gekwalificeerd, alsmede met de daartoe door de kantonrechter gegeven motivering.

Sappi heeft blijkens haar verweer deugdelijk op de aange-voerde bezwaren gereageerd en is derhalve niet in haar verdediging benadeeld door de algemene inhoud van de memorie van grieven.

4.4.1. Het gaat in dit geding om de vraag of het aan [appellant] regelmatig gegeven ontslag uit de arbeidsovereen-komst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt op grond van het gevolgencriterium als bedoeld in art.7:681 lid sub b BW.

4.4.2. [appellant] is van oordeel dat zulks het geval is en voert daartoe het volgende aan.

Hij is ruim 27 jaar in dienst geweest van Sappi als process engineer en heeft zijn technische kennis aldaar eenzijdig ontwikkeld. De door Sappi aan hem krachtens het Sociaal Plan toegekende vergoeding, het zogenoemde persoonlijk budget van f 110.000,-- bruto is in zijn geval onredelijk, gezien de aard van de functie, het hogere daarbij behorende salaris, en de vooruitzichten op een andere vergelijkbare functie ten tijde van de ontslagverlening. [appellant] was eenzijdig geschoold en ontwikkeld in de papierbranche waardoor een nieuwe functie voor hem moeilijk zou zijn te vinden.

Hij stelt dat hij geen baat heeft gehad van de door de werkgever georganiseerde outplacement, en stelt op eigen kracht na ruim 9 maanden zoeken een andere functie met aanmerkelijk mindere arbeidsvoorwaarden te hebben kunnen vinden bij Meerssen Papier B.V..

Gezien zijn arbeidsverleden is de in het Sociaal Plan voor hem getroffen voorziening, die geen rekening houdt met de hoogte van het verdiende salaris, niet passend en veel te bescheiden van omvang.

Hij vergelijkt deze vergoeding met de vergoedingen toegekend krachtens de zogenoemde kantonrechtersformule in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bovendien wijst hij op de nadelige inkomensgevolgen in verband met het verplichte pre-pensioen op 63-jarige leeftijd bij zijn nieuwe werkgever.

Sappi heeft volgens [appellant] zonder financiële noodzaak een met de bonden een voordelig sociaal plan gesloten zonder zijn belangen te respecteren.

De kantonrechter heeft met deze belangen van [appellant] onvoldoende rekening gehouden. Bovendien bestrijdt [appellant] de overweging van de kantonrechter dat gegeven doelstelling van het Sociaal Plan zeer wel te verdedigen was dat in de overeengekomen vergoeding geen rekening werd gehouden met de hoogte van het salaris.

4.4.3. Sappi heeft onder verwijzing naar het met de vak-bonden en de ondernemingsraad overeengekomen Sociaal Plan Sur "Five" aangevoerd dat deze voor [appellant] getroffen voorziening redelijk is en dat aan het tot stand komen van het Sociaal Plan het vermoeden kan worden ontleend dat de getroffen voorziening toereikend is.

Zij verwerpt de vergelijking met de kantonrechtersformule in geval van een collectief ontslag en wijst op de doel-stelling in het Sociaal Plan om via bemiddeling werk te vinden voor de af te vloeien werknemers. Daartoe is een outplacementtraject georganiseerd, waarvoor de noodzakelijke gelden ter beschikking zijn gesteld. In het kader van het totaal van de getroffen maatregelen is het aan [appellant] toegekende persoonlijk budget billijk en verantwoord en brengt het gelijkheidsbeginsel en solidariteits-beginsel met zich dat voor [appellant] geen uitzondering op zijn plaats is. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden van [appellant] die een afwijking rechtvaardigen is volgens Sappi niet gebleken.

4.5.1. Het hof oordeelt als volgt.

De noodzaak tot reorganisatie van een technische afdeling van Sappi Maastricht als gevolg van slechte resultaten is niet in geschil. Ten gevolge van de reorganisatie dienden 26 werknemers af te vloeien, waarvoor het Sociaal Plan Sur "Five" 1999-2000 is opgesteld. Van de 26 werknemers hadden drie werknemers een hogere functie, waaronder [appellant]. Één collega van [appellant] werd overgeplaatst naar een andere vestiging van Sappi, en met een andere collega in een hogere functie is een aparte financiële regeling getroffen volgens [appellant].

Het Sappi concern is wereldwijd werkzaam, daarin werken ongeveer 700 mensen. Het bedrijf heeft in 1999 aanzien-lijke winst gemaakt (latere gegevens zijn niet overgelegd). Deze feitelijke gegevens zijn ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep gesteld en niet gemotiveerd weersproken.

Het Sociaal Plan dat is afgesproken in overleg met de vakbonden en de ondernemingsraad voorziet in een bemiddelingstraject naar werk, een seniorenregeling voor 55-plussers, en een persoonlijk gebonden budget voor werknemers onder de 55 jaar. [appellant] valt in die laatste categorie met een aantal dienstjaren tussen de 25 t/m 29 jaar en ontving een vergoeding van f 110.000,-- bruto, deels als suppletie op een eventueel te ontvangen WW-uitkering.

Genoemde vergoeding houdt geen verband met de hoogte van het bij Sappi verdiende salaris.

Het feit dat het Sociaal Plan is overeengekomen met de vakbonden en de ondernemingsraad vormt een aanwijzing dat de in het Sociaal Plan toegekende vergoeding toereikend is. Bij de beoordeling van de voor [appellant] in het plan getroffen voorziening dient mee te wegen de door [appellant] aangevoerde persoonlijke omstandigheden, te weten het eenzijdig ontwikkelde carrière verloop waardoor hij een zeer specifieke technische kennis op het gebied van de Papierindustrie heeft, de duur van het dienstverband, zijn leeftijd en de mogelijkheden om elders een vergelijkbare functie te vinden. Gegeven die omstandigheden was de in het Sociaal Plan getroffen voorziening waarbij geen enkele rekening werd gehouden met de factor hoogte van het salaris een ongenoegzame voorziening voor [appellant].

Ook indien rekening wordt gehouden met de te respecteren doelstelling van het Sociaal Plan om via bemiddeling zoveel mogelijk werknemers aan een nieuwe functie te helpen ("Werk voor Werk") is de getroffen voorziening voor [appellant] met ruim 27 dienstjaren in het bedrijf zodanig mager, dat het ontslag met die voorziening als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. De financiële omstandigheden van het Sappi concern, voorzover in rechte gebleken, vormden geen noodzaak tot deze beperkte regeling.

Het feit dat [appellant] sedert oktober 1999 van werkzaamheden was vrijgesteld teneinde elders te kunnen solliciteren maakt zulks niet anders.

Ook het feit dat [appellant] op grond van eigen inspanningen op 16 augustus 2000 bij Meerssen Papier tegen aanzienlijk slechtere arbeidsvoorwaarden in dienst is getreden maakt zulks niet anders, nu het gegeven ontslag moet worden beoordeeld naar de omstandigheden ten tijde van het geven van het ontslag en op dat moment geen vooruitzicht bestond op het vinden van werk.

4.5.2. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het ge-geven ontslag gezien de voor [appellant] getroffen voorzieningen kennelijk onredelijk is. Het hof zal rekening houdend met de duur van het dienstverband, de reden van beëindiging van het dienstverband, de hoogte van het laatstverdiende salaris, alsmede de vooruitzichten om een vergelijkbare functie te vinden, naast de krachtens het Sociaal Plan toegekende vergoeding, een schadevergoeding van

€ 45.000,-- bruto toekennen aan [appellant].

Voor het aanknopen bij de zogenoemde kantonrechtersformule bestaat geen reden, nu de vordering is gebaseerd op een kennelijk onredelijk ontslag en sprake is van een collectief ontslag als gevolg een noodzakelijk gebleken reorganisatie.

Het door Sappi gedane bewijsaanbod wordt als niet relevant verworpen, nu vast is komen te staan dat [appellant] zich, vergeleken met zijn af te vloeien collega's wel degelijk in een nadelige positie bevindt en de persoonlijke omstandigheden van [appellant] van belang zijn bij de beoordeling van het onderhavige ontslag.

4.5.3. Het vonnis waarvan beroep zal derhalve worden vernietigd met veroordeling van Sappi als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van beide instanties.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, van 17 april 2002;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat het door Sappi aan [appellant] met ingang van

1 juli 2000 verleende ontslag kennelijk onredelijk is;

veroordeelt Sappi om aan [appellant] tegen bewijs van kwijting te betalen een (schade) vergoeding van € 45.000,-- (vijfenveertig duizend euro) bruto;

veroordeelt Sappi in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 143,-- wegens verschotten en op € 1.452,-- wegens salaris gemachtigde, en in hoger beroep op € 270,56 wegens verschotten en op

€ 2.313,-- wegens salaris procureur;

verklaart dit arrest voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koster-Vaags, Waaijers en Spoor en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 december 2003.