Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AO1779

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-11-2003
Datum publicatie
16-01-2004
Zaaknummer
KG C0300297-RO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Het enkele feit dat de gemeente [appellant] heeft aangeschreven in verband met de overschrijding van de geluidsnormen houdt niet in dat er sprake is van een gebrek van het pand dat door [geïntimeerde] op grond van de wettelijke regeling hersteld dient te worden. Door [appellant] is tegenover de betwisting van [geïntimeerde] voorshands niet aannemelijk gemaakt dat zich hier een dergelijke situatie voordoet, zodat ook zijn beroep daarop geen grondslag voor zijn vordering biedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. AW

rolnr. KG C0300297/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 25 november 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.C.M. van der Ven,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. T.W.H.M. Weller,

op het bij dagvaarding van 27 februari 2003 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo tussen appellant, [appellant], als eiser en geïntimeerde, [geïntimeerde], als gedaagde onder zaaknummer 101279\CV EXPL 03-18 gewezen vonnis in kort geding van 5 februari 2003.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is [appellant] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij appeldagvaarding heeft [appellant] onder overlegging van zes producties vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de appeldagvaarding nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van zeven producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten (met rente) van het geding in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten door hun raadslieden aan de hand van pleitnota's doen bepleiten.

Na beraad over een mogelijke minnelijke regeling van het geschil hebben partijen uitspraak verzocht en heeft [geïntimeerde] haar procesdossier overgelegd.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding. De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Zij lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

4. De beoordeling

4.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten:

a) [appellant] huurt sinds 1 mei 1994 van [geïntimeerde] een pand aan de [straatnaam] [huisnummer] te [plaats].

b) In de schriftelijke huurovereenkomst van 29 april 1994 (prod. 1 inl. dagv.) is vermeld dat het pand is bestemd tot café.

c) Deze huurovereenkomst bevat onder meer de volgende bepaling:

"De verhuurder dient er voor zorg te dragen, dat het gehuurde tijdens de duur van deze overeenkomst bij voortduring overeenkomstig zijn bestemming zal kunnen worden gebruikt en dat het derhalve steeds zal vol-doen aan de voorschriften van de overheid en/of open-bare nutsbedrijven. De huurder zal onverminderd haar overige rechten steeds het recht hebben deze huur-overeenkomst onmiddellijk te beëindigen, wanneer het gehuurde als gevolg van het feit, dat het niet (meer) voldoet aan bedoelde voorschriften, te eniger tijd niet meer overeenkomstig zijn bestemming mocht kunnen worden gebruikt."

d) Bij brief van 29 maart 1996 heeft de gemeente [gemeente] aan [appellant] laten weten dat er bij het gebruik van het café sprake is van een (forse) overschrijding van de geluidsnorm. Verder wordt hierin aan [appellant] verzocht binnen twee maanden ófwel afdoende maatregelen te treffen ofwel een akoestisch rapport op te doen stellen. Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven.

e) Naar aanleiding van latere geluidsmetingen waaruit aanzienlijke overschrijdingen bleken, heeft de ge-meente [appellant] aangeschreven en hem een last onder dwangsom opgelegd om te voldoen aan de voorschriften. De thans geldende beschikking is [appellant] op 13 november 2002 toegezonden (prod. 5 inl. dagv.).

f) [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst tegen 1 mei 2004 opgezegd. [appellant] heeft hier niet mee ingestemd, waarop [geïntimeerde] een procedure tot beëindiging is gestart.

g) Tussen partijen is overleg geweest over de aankoop van het pand door [appellant], maar dit heeft (vooralsnog) niet tot resultaat geleid.

4.2 [appellant] vordert in deze procedure [geïntimeerde] te veroordelen om te voldoen aan al datgene waartoe de gemeente in het kader van de aanschrijving als overgelegd onder productie 5 verzoekt, meer in het bijzonder door binnen 14 dagen na betekening van het vonnis resp. arrest een plan van aanpak als door de gemeente verzocht in te dienen, welk plan van aanpak vervolgens dient te worden nageleefd; dit op straffe van een dwangsom van € 3.000,= voor iedere dag dat [geïntimeerde] in gebreke blijft aan voornoemde veroordeling te voldoen, alsmede [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten.

4.3 [appellant] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het aan [geïntimeerde] als verhuurster is om de door de gemeente gewenste maatregelen te nemen. Hij wijst in dit verband met name op artikel 10 van de huurovereenkomst (hierboven aangehaald in 4.1 onder c).

4.4 De vordering is door [geïntimeerde] bestreden. Volgens haar voldoet het pand aan de overeengekomen bestemming van café, meer specifiek een bruin café, en zijn de problemen veroorzaakt doordat [appellant] een veel te hoog geluidsniveau hanteert. Artikel 10 van de huurovereenkomst brengt volgens haar niet mee dat zij gehouden is aan de eisen van de gemeente gevolg te geven; dit ligt volgens haar op de weg van [appellant].

4.5 De kantonrechter is er in het beroepen vonnis van uitgegaan dat de discussie tussen partijen zich toespitst op indiening van het plan van aanpak, geoordeeld dat [appellant] de meest gerede partij is hiervoor op korte termijn zorg te dragen en de vordering van [appellant] afgewezen.

4.6 [appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat het hem bij zijn vordering niet alleen gaat om het opstellen van het plan van aanpak, maar ook om de uitvoering van de noodzakelijke maatregelen. De kantonrechter heeft zijn vordering te beperkt opgevat, aldus [appellant]. [geïntimeerde] dient volgens hem voor beide zorg te dragen, zowel op grond van de wettelijke gebrekenregeling als op grond van meerge-noemd artikel 10 van de huurovereenkomst.

4.7 Partijen verschillen van mening over de reikwijdte van artikel 10 van de huurovereenkomst. Het standpunt van [appellant] komt erop neer dat [geïntimeerde] er op grond van deze bepaling voor dient in te staan dat hij het gehuurde op de huidige wijze kan gebruiken, zonder dat hem aanschrijvingen als de onderhavige ten deel vallen. Volgens [geïntimeerde] gaat de bepaling niet verder dan dat de verhuurder er in beginsel voor moet zorgen dat aan de voorschriften van de overheid wordt voldaan voor zover dit noodzakelijk is om het gehuurde overeenkomstig zijn bestemming als bruin café te gebruiken. Door de overheid is niet gezegd dat het gehuurde niet als bruin café mag worden gebruikt, zodat artikel 10 niet aan de orde komt.

4.8 Het hof overweegt hierover het volgende. [geïntimeerde] heeft de uitleg van artikel 10 van de huurovereenkomst, zoals door [appellant] aan zijn vordering ten grondslag gelegd, gemotiveerd betwist. De juistheid van de uitleg van [appellant] blijkt niet zonder meer uit de tekst van de be-paling. Ook op grond van hetgeen [appellant] in dit verband verder heeft aangevoerd, kan vooralsnog niet met voldoen-de mate van zekerheid worden aangenomen dat deze bepaling de door [appellant] bepleite strekking heeft. Voor bewijs-levering is in een kort geding in het algemeen geen plaats. Die regel lijdt in dit geval geen uitzondering. Het dient er naar het voorlopig oordeel van het hof dan ook voor gehouden te worden dat artikel 10 van de huur-overeenkomst onvoldoende grondslag biedt voor de vorde-ring van [appellant].

4.9 Het enkele feit dat de gemeente [appellant] heeft aangeschreven in verband met de overschrijding van de geluidsnormen houdt niet in dat er sprake is van een gebrek van het pand dat door [geïntimeerde] op grond van de wettelijke regeling hersteld dient te worden. Door [appellant] is tegenover de betwisting van [geïntimeerde] voorshands niet aannemelijk gemaakt dat zich hier een dergelijke situatie voordoet, zodat ook zijn beroep daarop geen grondslag voor zijn vordering biedt.

4.10 Hetgeen [appellant] verder naar voren heeft gebracht, zowel in eerste aanleg als thans in hoger beroep, biedt naar het voorlopig oordeel van het hof evenmin een voldoende grondslag voor de vordering zoals door hem ingesteld. De conclusie is dan ook dat deze vordering afgewezen dient te worden. Dit brengt mee dat de grieven geen doel treffen en dat het beroepen vonnis bekrachtigd dient te worden, met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 205,= aan verschotten en op € 2.313,= aan sa-laris procureur te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest tot de dag der voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskosten-veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kranenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 november 2003.