Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9872

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
20.000889.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is door het gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar.

Bij het bepalen van de hoogte van de vrijheidsstraf heeft het hof onder andere het volgende mee laten wegen. Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen gedurende ongeveer een half jaar meermalen schuldig gemaakt aan het in georganiseerd verband uitvoeren van een grote hoeveelheid heroïne. Verdachte heeft zich, in de korte periode waarin het onderzoek zich mede op verdachte heeft gericht, duidelijk gemanifesteerd als een van de leiders van de criminele organisatie. Deze organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte en waarin hij een leidende rol had kenmerkte door een hoge organisatiegraad. Bij dit alles heeft verdachte kennelijk uitsluitend uit winstbejag gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 20.000889.03

datum uitspraak: 12 december 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Roermond van 18 februari 2003 in de strafzaak onder parketnummer 04/050499-02 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1962,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Oosterhoek" te Grave.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

Verzoek van de zijde van de verdediging

Door de verdediging is bij pleidooi en dupliek verzocht om door de advocaat-generaal de in - en uitreisgegevens met betrekking tot het zijdens de verdediging gestelde verblijf van verdachte in Turkije van 5 tot en met 21 januari 2002, welke gegevens, aldus de verdediging door de Turkse (grens)autoriteiten worden geregistreerd en enig en absoluut uitsluitsel terzake kunnen geven, op te laten vragen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Reeds in eerste aanleg is dit onderwerp een punt van bespreking geweest. Vervolgens is in hoger beroep op de regiezitting van 10 juli 2003 dit punt opnieuw aan de orde gekomen en zijn in dat verband op verzoek van de verdediging terzake een viertal getuigen gehoord door de rechter-commissaris.

Het hof acht uitvoering van het door de raadsman gedane verzoek niet noodzakelijk. Bij dit oordeel heeft het hof betrokken de, mede door toedoen van de verdediging, op dit punt reeds naar voren gekomen informatie alsmede de omstandigheid dat dit verzoek bij pleidooi is gedaan (en bij dupliek is herhaald), terwijl de verdediging in eerdere stadia van het onderzoek ruimschoots in de gelegenheid is geweest ter zake dienende informatie voorhanden te (doen) verkrijgen en toen deze mogelijkheden -kennelijk om haar moverende redenen- onbenut heeft gelaten.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Het verzoek wordt mitsdien afgewezen.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1. in de periode van 2 april 2002 tot en met 11 april 2002 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Engeland) heeft gebracht ongeveer 35 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. meermalen in of omstreeks de periode van 1 november 2001 tot en met 29 maart 2002 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Engeland) heeft gebracht telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. in de periode van 1 november 2001 tot en met 26 april 2002 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit [verdachte] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het buiten het grondgebied van Nederland (naar Engeland) brengen van heroïne en het verwerken en het afleveren en het vervoeren en het aanwezig hebben van heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, onder A(oud) van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid(oud), van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, onder A(oud) van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid(oud), van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 3 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet telkens worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf. Verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte wederom tot twaalf jaren gevangenisstraf te veroordelen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere

strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het

hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor

soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in

handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die

gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak

door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen,

waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Bij het bepalen van de hoogte van de vrijheidsstraf heeft het hof voorts het volgende mee laten wegen.

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen gedurende ongeveer een half jaar meermalen schuldig gemaakt aan het in georganiseerd verband uitvoeren van een grote hoeveelheid heroïne.

Verdachte heeft zich, in de korte periode waarin het onderzoek zich mede op verdachte heeft gericht, duidelijk gemanifesteerd als een van de leiders van de criminele organisatie. Deze organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte en waarin hij een leidende rol had kenmerkte door een hoge organisatiegraad.

Bij dit alles heeft verdachte kennelijk uitsluitend uit winstbejag gehandeld.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en 2(oud) en 10(oud) van de Opiumwet.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1:"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in

artikel 2, eerste lid, onder A(oud) van de Opiumwet gegeven

verbod",

2:"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in

artikel 2, eerste lid, onder A(oud) van de Opiumwet gegeven

verbod, meermalen gepleegd",

3:"Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen

van misdrijven".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van tien jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Eijsenga, als voorzitter

Mrs. Van Nierop en Bark - van Gink, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. De Ridder, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 december 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 04

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1962,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Is bij vonnis van de rechtbank te Roermond van 18 februari 2003 ter zake van:

sub 1:"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod",

sub 2"Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd",

sub 3:"Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven",

veroordeeld tot:

12 jrn. gev.str. OV. MAV.;