Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9557

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-11-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
C0200461-BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In maart 1998 heeft Brameco van DAF een trekker gekocht. Deze trekker is (..) aan Brameco geleverd. Op 1 april 1998 heeft Brameco bij DAF geklaagd, dat de geleverde trekker niet goed functioneerde in combinatie met de bij Brameco in gebruik zijnde (Floor) oplegger (..).Naar aanleiding van deze klacht heeft (..) een testrit plaatsgevonden. Bij deze testrit was de oplegger van Brameco gekoppeld aan een DAF trekker, die DAF voor deze gelegenheid van een derde had geleend. Tijdens deze testrit heeft een ongeval plaatsgevonden. Brameco acht DAF aansprakelijk voor de schade, die zij voorafgaand en ten gevolge van dit ongeval heeft geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SK

rolnr. C0200461/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 25 november 2003,

gewezen in de zaak van:

de

besloten vennootschap TRUCKLAND MIDDEN-BRABANT B.V.,

voorheen genaamd DAF BEDRIJFSWAGEN TILBURG B.V.,

gevestigd te Tilburg,

appellante bij exploten van dagvaarding van

11 en 12 april 2002,

procureur: mr. F.H.M. Dillen,

tegen:

1.

DE BRABANTSE MENGVOEDER COÖPERATIE BRAMECO U.A.,

gevestigd te Diessen, gemeente Hilvarenbeek,

2. COÖPERATIE BRAMECO Z.O.N. U.A.,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerden bij gemelde exploten,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

op het hoger beroep van de door de rechtbank te Breda

gewezen vonnissen

van 18 januari 2000 en 15 januari 2002 tussen appellante - DAF

- als gedaagde

en De Brabantse Mengvoeder Coöperatie Brameco U.A.

als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 69181/HA ZA 99-240

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft DAF elf grieven aangevoerd, producties overgelegd, en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen in conventie van Brameco en tot toewijzing van de vordering in reconventie van DAF, met veroordeling van Brameco tot terugbetaling van het reeds door DAF aan Brameco betaalde.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde sub 2 de grieven bestreden.

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, DAF door mr. F.H.M. Dillen en Brameco c.s. door mr. A.C. van Schaick. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte tekst van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. Bij pleidooi d.d. 25 september 2003 is zijdens geïntimeerde sub 2 medegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2000 de rechtsopvolger is van geïntimeerde sub 1, die op 1 januari 2000 heeft opgehouden te bestaan. Dit brengt mee dat DAF niet kan worden ontvangen in haar appel tegen geïntimeerde sub 1.

Geïntimeerde sub 2 zal hierna worden aangeduid als Brameco.

4.1.2. De rechtbank heeft de reconventionele vordering van DAF in het dictum van haar vonnis van 18 januari 2000 afgewezen. In zoverre is dit vonnis derhalve een eindvonnis. Nu DAF daartegen niet binnen drie maanden hoger beroep heeft ingesteld, dient zij in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard in haar appel. De zevende grief van DAF, die betrekking heeft op deze vordering, behoeft dan ook geen bespreking.

4.2. In overweging 3.1. van het vonnis van de rechtbank d.d. 18 januari 2000 heeft de rechtbank vastgesteld welke feiten in dit geschil vaststaan. Deze overweging is niet bestreden. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen derhalve ook in hoger beroep het uitgangspunt.

4.3.1. Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. In maart 1998 heeft Brameco van DAF een trekker gekocht. Deze trekker is op 24 maart 1998 aan Brameco geleverd. Op 1 april 1998 heeft Brameco bij DAF geklaagd, dat de geleverde trekker niet goed functioneerde in combinatie met de bij Brameco in gebruik zijnde (Floor) oplegger, omdat de wielen van de oplegger in de bochten los kwamen van de weg. Naar aanleiding van deze klacht heeft op 22 april 1998 een testrit plaatsgevonden. Bij deze testrit was de oplegger van Brameco gekoppeld aan een DAF trekker, die DAF voor deze gelegenheid van een derde had geleend. Tijdens deze testrit heeft een ongeval plaatsgevonden. Brameco acht DAF aansprakelijk voor de schade, die zij voorafgaand en ten gevolge van dit ongeval heeft geleden.

4.3.2. In eerste aanleg heeft Brameco van DAF, kort gezegd, gevorderd:

a) een schadevergoeding ad f. 37.012,50 incl. BTW, vermeerderd met wettelijke rente;

b) vergoeding van de overige schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met wettelijke rente;

c) vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van f. 1.888,89, vermeerderd met wettelijke rente.

Brameco heeft haar vordering tot schadevergoeding gebaseerd op 1) non-conformiteit van de geleverde trekker

2) een nadere afspraak die inhield dat de testrit onder verantwoordelijkheid van DAF zou plaatsvinden.

4.3.3. DAF heeft deze vorderingen bestreden.

4.3.4. De rechtbank heeft na bewijslevering de vorderingen van Brameco toegewezen, met dien verstande dat zij de hiervoor onder 4.3.2. sub b gevorderde schadevergoeding heeft begroot. De rechtbank heeft de hiervoor onder 4.3.2. sub a en b gevorderde schadevergoeding toegewezen tot een totaalbedrag van € 37.813,96 (f. 83.331,-) excl. BTW), vermeerderd met wettelijke rente.

4.4. De grieven 1 en 2 (gedeeltelijk) en 4 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Met deze grieven richt DAF zich tegen het oordeel van de rechtbank dat DAF in beginsel aansprakelijk is voor de schade, die tijdens de testrit is ontstaan, indien zij heeft toegezegd dat deze testrit onder haar verantwoordelijkheid zou worden gehouden.

4.4.1. Volgens DAF houdt dit uitgangspunt een te vergaande aansprakelijkheid van haar in. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Immers, in verband met de tussen partijen in maart 1998 gesloten koopovereenkomst heeft op 20 april 1998 een bespreking plaatsgevonden. In deze bespreking stond centraal de door Brameco geuite klacht over het functioneren van de trekker. Tijdens deze bespreking hebben partijen een nadere afspraak gemaakt, die heeft geresulteerd in de testrit, die op 22 april 1998 plaatsvond. Indien deze nadere afspraak tevens de toezegging van DAF inhield dat de testrit onder haar verantwoordelijkheid zou worden uitgevoerd, zoals Brameco stelt en DAF betwist, is daarmee, ook naar het oordeel van het hof, in beginsel de aansprakelijkheid van DAF gegeven.

4.4.2. DAF beroept zich op haar algemene voorwaarden en met name op het exoneratiebeding in art. 9 lid 5 daarvan.

Dit beroep kan DAF niet baten, indien komt vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat de testrit onder verantwoordelijkheid van DAF zou worden uitgevoerd. In dat geval mocht Brameco er in redelijkheid van uitgaan dat partijen terzake de aansprakelijkheid voor eventuele schade ten gevolge van de testrit in afwijking van de algemene voorwaarden een bijzondere regeling hadden getroffen. Dit betekent dat DAF zich in zoverre niet kan beroepen op art. 9 lid 5 (uitsluiting van aansprakelijkheid) van haar algemene voorwaarden.

4.4.3. Voor zover DAF heeft aangevoerd dat het uitgangspunt onjuist is omdat het ongeval is veroorzaakt door het rijgedrag van de chauffeur van Brameco, danwel doordat Brameco de oplegger niet goed had beladen, geldt het volgende.

Brameco heeft deze stelling gemotiveerd bestreden.

Indien deze stelling in de procedure zou komen vast te staan, dan leidt dit niet tot een ander uitgangspunt, maar rechtvaardigt daarop een uitzondering.

Dit betekent dat DAF in beginsel aansprakelijk is voor de schade die ten gevolge van het ongeval is ontstaan, indien zij heeft toegezegd dat de testrit onder haar verantwoordelijkheid zou worden gehouden, tenzij het ongeval is veroorzaakt door aan Brameco toe te rekenen omstandigheden.

4.4.4. Voor zover de eerste en tweede grief opkomen tegen voormeld uitgangspunt, falen deze grieven. Ook de vierde grief faalt.

4.5. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat DAF, met inachtneming van het vorenoverwogene, in beginsel aansprakelijk is voor de schade van Brameco die ten gevolge van de testrit is ontstaan. Aangezien Brameco tevens vergoeding heeft gevorderd van de schade die zij vóór de testrit heeft geleden, en vermelde grondslag daarop geen betrekking heeft, dient te worden bezien of DAF in beginsel daarvoor aansprakelijk is op grond van non-conformiteit van de geleverde trekker.

4.5.1. Ook hierbij is aan de orde het beroep van DAF op art. 9 lid 5 van haar algemene voorwaarden.

In hoger beroep is in confesso dat de algemene voorwaarden van DAF -en meer in het bijzonder art. 9 lid 5 daarvan- deel uitmaken van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst.

DAF heeft aangevoerd dat zij op grond van art. 9 lid 5 van de toepasselijke algemene voorwaarden niet aansprakelijk is voor deze schade. Zij heeft daaraan toegevoegd dat het overeengekomen exoneratiebeding in het rechtsverkeer ook niet ongebruikelijk of uitzonderlijk is.

Anders dan Brameco heeft betoogd, heeft DAF daarmee haar beroep op haar exoneratiebeding, voor zover dat betrekking heeft op de schade die vóór de testrit is ontstaan, genoegzaam onderbouwd. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat Brameco verder ook niet heeft weersproken dat DAF ten aanzien van deze schade een beroep toekomt op art. 9 lid 5 van haar algemene voorwaarden. DAF heeft zich met betrekking tot deze schade derhalve terecht op haar exoneratiebeding beroepen. Dit brengt mee dat de hierna onder 4.9.2. ad b en c vermelde schadeposten niet voor toewijzing in aanmerking komen.

Grief 1 treft in zoverre doel.

4.6. Met grief 8 richt DAF zich tegen het oordeel van de rechtbank in het vonnis van 15 januari 2002 dat Brameco is geslaagd in de bewijslevering van de aan haar verstrekte bewijsopdracht dat DAF heeft toegezegd dat de testrit onder haar verantwoordelijkheid zou worden uitgevoerd. Te dien aanzien geldt het volgende.

4.6.1. De getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] verklaren over de bespreking tussen partijen, die op 20 april 1998 heeft plaatsgevonden. Bij deze bespreking werd Brameco vertegenwoordigd door haar statutair directeur [getuige 1] en haar bedrijfsleider [getuige 2]. Namens DAF waren bij de bespreking aanwezig haar technisch bedrijfsleider [getuige 3] en [getuige 4], die als vertegenwoordiger bij DAF werkzaam is.

4.6.2. [getuige 1] heeft als getuige verklaard dat Brameco alleen wilde meewerken aan de proefrit als het zou gebeuren onder verantwoordelijkheid van DAF. Volgens [getuige 1] heeft in ieder geval [getuige 4] gezegd dat DAF verantwoordelijk zou zijn voor de proefrit en dat zij de eindverantwoordelijkheid zou nemen.

[getuige 2] heeft als getuige bevestigd dat tijdens de bespreking zijdens Brameco is gezegd dat zij aan de proefrit wilde meewerken, indien dit onder verantwoordelijkheid van DAF zou gebeuren. DAF heeft gezegd, aldus [getuige 2], dat zij daarmee akkoord ging.

[getuige 5], die als chauffeur in dienst is bij Brameco en die de desbetreffende proefrit op 22 april 1998 heeft uitgevoerd, heeft als getuige verklaard dat ook hij voor de proefrit heeft gevraagd of dit onder verantwoordelijkheid van DAF zou zijn. Volgens Van [getuige 5] werd dit van de zijde van DAF bevestigend beantwoord.

4.6.3. Daartegenover staan de verklaringen van de in contra-enquête gehoorde getuigen [getuige 3] en [getuige 4], die ertoe strekken dat zij zich niet meer kunnen herinneren dat er voor de testrit over verantwoordelijkheid is gesproken.

4.6.4. De in contra-enquête gehoorde getuigen leggen onvoldoende gewicht in de schaal om de getuigenverklaringen van getuige 1], [getuige 2] en [getuige 5], in onderling verband en samenhang bezien, te ontkrachten.

4.6.5. Anders dan DAF stelt valt niet in te zien dat het vreemd is dat een afnemer, die al jarenlang klant is van DAF, expliciet de verantwoordelijkheid bij het uitvoeren van de testrit aan de orde stelt. Immers, de testrit wordt op de openbare weg uitgevoerd met een trekker die in eigendom toebehoort aan een derde.

Evenmin valt in te zien dat het vreemd is, dat de bespreking namens Brameco is gevoerd door haar statutair directeur en haar bedrijfsleider en niet door haar chauffeur, die met de trekker reed.

4.6.6. Nu DAF niet heeft aangegeven over welke feiten de reeds gehoorde getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij reeds hebben gedaan, moet het aanbod van DAF om deze getuigen opnieuw te (doen) horen over de voor de testrit gemaakte afspraken van de hand worden gewezen.

4.6.7. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat Brameco is geslaagd te bewijzen dat DAF heeft toegezegd dat de testrit van 22 april 1998 onder haar verantwoordelijkheid zou worden uitgevoerd.

Grief 8 faalt.

4.7. Met de vijfde grief komt DAF op tegen het oordeel van de rechtbank dat DAF haar stelling, dat het ongeval is ontstaan door gebreken aan de oplegger, onvoldoende heeft onderbouwd. Te dien aanzien geldt het volgende.

4.7.1. Tussen partijen is in confesso dat DAF de oplegger van Brameco in de periode van 9 juli 1997 tot en met 17 maart 1998 meermalen een onderhoudsbeurt heeft gegeven. DAF was derhalve bekend, althans kon bekend worden verondersteld met de staat van de oplegger. DAF heeft echter geen specifieke gebreken vermeld.

Voorts staat vast dat Brameco de oplegger enkele dagen voor de testrit, namelijk op 16 april 1998, heeft laten onderzoeken door Floor. Uit de door Brameco overgelegde verklaring van Floor (prod. 3 repl. in conv.) blijkt dat zij bij deze technische controle geen technische gebreken heeft geconstateerd. DAF heeft deze verklaring in eerste aanleg niet weersproken. Evenmin heeft DAF gesteld of is gebleken dat er in de periode tussen de controle door Floor en de testrit gebreken zijn ontstaan aan de oplegger.

Op grond van het voorgaande onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat DAF haar stelling dat het ongeval is ontstaan door gebreken aan de oplegger niet voldoende heeft onderbouwd.

4.7.2. Ook in hoger beroep heeft DAF geen feiten en omstandigheden gesteld, waaruit blijkt dat het ongeval is ontstaan door gebreken aan de oplegger. Zij heeft slechts in algemene bewoordingen aangevoerd dat het heel vreemd is dat Brameco op 16 april 1998 haar oplegger bij Floor heeft laten controleren, en dat daarbij tevens de hydraulische besturing is nagekeken.

Nu het in dit stadium van het geding op de weg van DAF had gelegen om haar stelling nader te onderbouwen en zij dit heeft nagelaten, gaat het hof aan deze stelling als onvoldoende onderbouwd voorbij.

In het verlengde daarvan wordt het bewijsaanbod van DAF dat een medewerker van Floor en de chauffeur van Brameco zouden kunnen worden gehoord over de technische toestand van de oplegger, enkele dagen voor het evenement, als niet terzake dienend gepasseerd.

Grief 5 faalt derhalve.

4.8. De grieven 6 en 9 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Ook met deze grieven klaagt DAF erover dat de rechtbank haar stelling heeft gepasseerd wegens het ontbreken van enige onderbouwing daarvan. Het betreft hier de stelling van DAF dat het ongeval is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat Brameco de oplegger niet goed heeft beladen of door het rijgedrag van de chauffeur. Te dien aanzien geldt het volgende.

4.8.1. Eerst bij de pleidooien in hoger beroep heeft DAF ter onderbouwing van haar stelling dat het ongeval is veroorzaakt doordat Brameco de oplegger niet goed zou hebben beladen verwezen naar het SWOVschrift no. 74 van maart 1998 en het SGVV rapport van 28 maart 2003. Deze rapporten kunnen DAF niet baten. Immers, deze rapporten hebben slechts in hun algemeenheid betrekking op kantelende vrachtwagens en de veiligheid van vrachtauto's.

Het had in dit stadium van de procedure op haar weg gelegen om feiten en omstandigheden te stellen, die het oordeel kunnen rechtvaardigen dat de oplegger in het onderhavige geval fout is beladen door Brameco, en dat de trekker/oplegger combinatie ten gevolge daarvan in de bocht is gekanteld. Dit heeft DAF echter niet gedaan. Het hof gaat daarom aan deze stelling van DAF als onvoldoende onderbouwd voorbij.

Het bewijsaanbod van DAF inhoudende dat de chauffeur van Brameco zou kunnen verklaren over het laden van de oplegger wordt daarom als niet terzake dienend gepasseerd. Dat geldt eveneens voor het bewijsaanbod om personen werkzaam bij Transport en Logistiek Nederland te doen horen over het kantelen van combinaties in bochten.

4.8.2. Ter onderbouwing van haar stelling dat het ongeval is veroorzaakt door het rijgedrag van de chauffeur, heeft DAF gesteld dat de chauffeur de bocht met 27 km/uur is ingegaan en dat de combinatie vervolgens in de bocht is gekanteld.

Brameco heeft gemotiveerd betwist dat haar chauffeur met 27 km/uur de bocht is ingegaan en dat de combinatie ten gevolge van het rijgedrag van haar chauffeur is gekanteld.

Voor wat betreft de snelheid waarmee de chauffeur de bocht is ingegaan, is tussen partijen in confesso dat de tachograafschijf een snelheid van 24 km/uur heeft aangegeven.

Brameco heeft onder verwijzing naar een bijdrage van ing. A. Sloetjes in het Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen gemotiveerd bestreden dat deze snelheid, zoals DAF stelt, vermeerderd dient te worden met 3 km/uur. Het had op de weg van DAF gelegen om haar stelling op dit punt nader feitelijk te onderbouwen. Dit heeft zij niet gedaan. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling dat de chauffeur met een snelheid van 27 km/uur de bocht is ingegaan.

4.8.3. DAF heeft voorts gesteld dat een chauffeur permanente rijvaardigheidstrainingen door de EVO (Eigen Vervoers Organisatie) moet volgen. Deze trainingen zijn onder meer gericht op voertuigbeheersing in bochten, aldus DAF.

Brameco heeft terecht aangevoerd dat het volgen van een permanente rijvaardigheidstrainining wettelijk niet verplicht is. Dit betekent dat Brameco niet kan worden verweten dat haar chauffeur niet deelnam aan een dergelijke training.

Voorts is van belang dat de bedrijfsleider van DAF tijdens de testrit naast de chauffeur zat. DAF heeft niet gesteld dat haar bedrijfsleider vond dat de chauffeur met een te hoge snelheid de bocht inging. Zij heeft evenmin gesteld dat haar bedrijfsleider vond dat de chauffeur een slechte voertuigbeheersing had. Deze twee punten blijken ook niet uit het onderzoek dat de politie naar aanleiding van het ongeval heeft ingesteld.

Uit het voorgaande volgt dat DAF geen genoegzame feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel kunnen rechtvaardigen dat het ongeval is veroorzaakt door het rijgedrag van de chauffeur. De door DAF gestelde oorzaak van het ongeval wordt dan ook als niet voldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd.

In het verlengde daarvan wordt het bewijsaanbod van DAF om de chauffeur te doen horen over zijn rijgedrag als niet terzake dienend gepasseerd. Het bewijsaanbod van DAF om personen werkzaam bij EVO te doen horen over het kantelen van combinaties in bochten deelt dit lot.

De grieven 6 en 9 falen.

4.9. Met grief 11 richt DAF zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen tot een totaalbedrag van f. 83.331,-.

4.9.1. Uit de processuele opstelling van DAF in eerste aanleg blijkt niet ondubbelzinnig, dat zij de betwisting van de hoogte van de schadevergoeding heeft prijsgegeven. Anders dan Brameco stelt, is dit verweer dus niet gedekt als bedoeld in art. 348 Rv.

4.9.2. Het hof komt thans toe aan de beoordeling van de onderbouwing door Brameco van haar schade. Op dit punt stelt Brameco de volgende posten:

a. schade Floor-oplegger f. 31.500,-

voorgeschiedenis

b. testen oplegger door Floor f. 788,-

c. vervoer uitbesteed aan derden f. 5.473,-

dag van het ongeval

d. medische kosten chauffeur f. 157,-

e. vervoer uitbesteed aan derden f. 1.253,-

vanaf dag ongeval

f. vervoer uitbesteed aan derden f. 16.349,-

g. ombouw pomp op trekker f. 5.245,-

h. huur opleggers bij derden f. 20.506,-

i. expertisekosten f. 170,-

j. buitengerechtelijke kosten f. 1.890,-

4.9.3.

Ad a.

Brameco stelt onder verwijzing naar het door haar in het geding gebrachte rapport van een technisch expert (cve, prod. 5) dat de schade aan de betreffende oplegger is bepaald op f. 31.500,- excl. BTW.

DAF heeft daartegen aangevoerd dat alleen de dagwaarde minus de restwaarde voor vergoeding in aanmerking komt. Dit verweer van DAF treft geen doel. Uit voormeld rapport blijkt immers dat de restwaarde (f. 13.500,-) reeds in mindering is gebracht op de dagwaarde van f. 45.000,-.

Nu Brameco dit onderdeel van haar vordering genoegzaam heeft onderbouwd, ligt deze schadepost ad f. 31.500,- voor toewijzing gereed. De omstandigheid dat de oplegger mogelijk niet is verzekerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Ad b en c.

Uit hetgeen hiervoor in r.o. 4.5.1. is overwogen volgt dat deze posten worden afgewezen.

Ad d.

Ter onderbouwing van de schadepost heeft Brameco een acceptgiro (ad f. 156,71) in het geding gebracht (antw.concl na enquête prod. 3). Deze acceptgiro staat op naam van de chauffeur.

DAF heeft daartegen aangevoerd dat niet duidelijk was of:

1. de chauffeur was verzekerd en

2. Brameco deze kosten op haar beurt vergoed heeft gekregen van de verzekeringsmaatschappij.

DAF gaat er ten onrechte aan voorbij dat uit de overgelegde acceptgiro blijkt dat deze post betrekking heeft op de eigen bijdrage van de chauffeur krachtens de zorgverzekering. Hieruit kan worden afgeleid 1) dat de chauffeur was verzekerd en 2) dat de chauffeur en daarmee Brameco deze kosten niet vergoed hebben gekregen.

Nu Brameco deze post tot een bedrag van f. 156,71 genoegzaam heeft onderbouwd, zal de vordering tot dit bedrag worden toegewezen.

Ad e.

Brameco heeft ter onderbouwing van deze schadepost een factuur in het geding gebracht ad f. 1.253,- excl. BTW (antw. concl na enquête, prod. 4).

DAF heeft aangevoerd dat niet duidelijk is waarop deze post ziet, aangezien voormelde factuur geen betrekking heeft op de dag van het ongeval.

Aan DAF kan worden toegegeven dat uit de factuur blijkt dat deze rekening geen betrekking heeft op het vervoer van de dag van het ongeval (22 april 1998). Dit kan DAF echter niet baten. Immers, op de factuur staat vermeld dat deze betrekking heeft op vervoer van vrachten op respectievelijk 23 en 29 april 1998. Vaststaat dat Brameco slechts over één oplegger beschikte waarmee zij haar grondstoffen vervoerde (pt. 5 cvr). Nu uit de factuur blijkt dat deze betrekking heeft op uitbesteed vervoer vrijwel direct na het ongeval, gaat het hof aan de betwisting van deze post door DAF als onvoldoende gemotiveerd voorbij. De post ad f. 1.253,- ligt voor toewijzing gereed.

Ad f.

Brameco heeft ter onderbouwing van deze schadepost een aantal facturen ten bedrage van in totaal f. 16.349,- in het geding gebracht (prod. 5 antw. concl. na enquête).

DAF heeft daartegen aangevoerd dat Brameco het causaal verband tussen de schade en het ongeval niet inzichtelijk heeft gemaakt.

Naar het oordeel van het hof zou zonder het ongeval de gestelde schadepost niet zijn ontstaan. Door het ongeval is de oplegger van Brameco immers onbruikbaar geworden en was zij genoodzaakt om ter uitvoering van de aan haar verstrekte opdrachten het vervoer uit te besteden aan een derde. Daarmee is het causaal verband tussen deze schadepost en het ongeval gegeven.

DAF heeft ten aanzien van deze post voorts aangevoerd dat niet duidelijk is:

1) welke maatregelen Brameco heeft getroffen om de schade te beperken en

2) of de normale tarieven zijn gehanteerd, nu op de verschillende facturen niet dezelfde prijzen staan vermeld.

Brameco heeft ten aanzien van punt 1) gesteld dat zij haar schade heeft beperkt doordat zij de aan haar verstrekte opdrachten heeft uitbesteed aan een derde. Anders was haar schade, aldus Brameco, veel omvangrijker geweest.

Voor wat betreft punt 2) heeft Brameco aangegeven dat op de facturen de normale tarieven zijn gehanteerd. De verschillende prijzen per kg houden volgens Brameco verband met de verschillende producten die op de facturen staan aangeduid.

Nu DAF deze stellingen van Brameco niet heeft weersproken, gaat het hof aan haar verweer als onvoldoende gemotiveerd voorbij.

Tot slot heeft DAF ten aanzien van deze post aangevoerd dat Brameco gehouden is om de kosten die zij ten gevolge van het uitbesteden van het vervoer heeft bespaard in mindering te brengen op de betreffende schadepost.

Brameco heeft vervolgens gesteld dat het uitbesteden van vervoer aan derden niet tot een besparing van kosten heeft geleid. Volgens Brameco vallen deze eventuele kosten weg tegen de kosten die gemoeid zijn met de organisatie van het uitbesteden van het vervoer.

Aangezien DAF deze stelling van Brameco niet heeft weersproken, passeert het hof dit onvoldoende gemotiveerde verweer van DAF.

Nu DAF geen andere weren heeft gevoerd ten aanzien van deze post, zal het hof haar toewijzen.

Ad g.

Brameco heeft deze post onderbouwd met een door haar in het geding gebrachte factuur ten bedrage van f. 5.245,43

(antw. concl. na enq., prod. 6).

DAF heeft betwist dat deze post verband houdt met het ongeval. Zij heeft daartoe aangevoerd dat deze ombouw betrekking heeft op de gekochte trekker, die niet bij het ongeval was betrokken.

Brameco heeft vervolgens aangegeven dat de ombouw van de pomp nodig was om de gekochte trekker geschikt te maken om in combinatie met de (huur)oplegger te functioneren.

DAF heeft hierop niet meer gereageerd, ondanks dat zij daartoe wel de gelegenheid had. Het hof gaat daarom aan de betwisting van DAF als onvoldoende gemotiveerd voorbij. Nu deze post genoegzaam is toegelicht, zal deze tot het gevorderde bedrag van f. 5.245,- worden toegewezen.

Ad h.

Ter adstructie van deze post heeft Brameco een aantal facturen in het geding gebracht tot een totaalbedrag van f. 20.506,27 (antw. concl. na enq. prod.7).

DAF heeft aangevoerd dat zij niet aansprakelijk is voor de schade aan een gehuurde oplegger, zodat de daarop betrekking hebbende factuur (ad f. 1.326,27) voor rekening van Brameco dient te blijven.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van Brameco gelegen om dit onderdeel van haar schadepost nader te onderbouwen. Dat heeft Brameco niet gedaan. Tevens ontbreekt een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod van Brameco op dit punt. Het hof wijst daarom dit onderdeel van de vordering af.

Voorts heeft DAF aangevoerd dat Brameco haar schade niet heeft beperkt door het kopen van een vervangende oplegger. Zij voegt daaraan toe dat Brameco op geen enkele wijze heeft aangegeven hoe zij heeft getracht om haar vervoersproblemen - bijvoorbeeld door inschakeling van de coöperatie waarvan zij lid is - voordeliger op te lossen.

Brameco heeft daarna gesteld dat zij haar vervoersproblemen niet goedkoper kon oplossen, aangezien de coöperatie slechts beschikte over één oplegger, die tijdens het ongeval verloren is gegaan. Zij heeft zo snel mogelijk, te weten begin november 1998, een nieuwe oplegger gekocht, die in februari 1999 werd geleverd, aldus Brameco.

Aangezien DAF deze nadere onderbouwing van deze post niet heeft weersproken, gaat het hof aan haar onvoldoende gemotiveerde betwisting daarvan voorbij.

Voor wat betreft het verweer terzake van de aftrek van bespaarde kosten, verwijst het hof naar hetgeen het hiervoor reeds onder ad f. is overwogen.

Dit onderdeel van de schadepost kan tot een bedrag van

f. 19.180,- (f. 20.506,27 minus f. 1.326,27) worden toegewezen.

Ad i.

Brameco heeft ter adstructie van deze post een factuur in het geding gebracht ad f. 170,- (cve, prod. 5).

DAF heeft deze post niet weersproken.

Deze post zal worden toegewezen.

Ad j.

Deze post heeft Brameco bij inleidende dagvaarding reeds afzonderlijk gevorderd. Tegen de toewijzing daarvan is geen grief gericht, zodat deze post thans geen bespreking behoeft.

4.9.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van

f. 73.853,71 (€ 33.513,35) zal worden toegewezen.

Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de wettelijke rente over het bedrag van

f. 31.500,- (€ 14.294,08) zal worden toegewezen vanaf

22 april 1998 en over het resterende bedrag ad

f. 42.353,71 (€ 19.219,28) vanaf 16 januari 2000, zijnde de datum waarop de schade bij antwoordconclusie is gespecificeerd. Het hof zal hiervan derhalve ook uitgaan. Grief 11 slaagt ten dele.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene kan thans in het midden blijven of de schade die Brameco ten gevolge van de testrit heeft geleden ook toewijsbaar is op grond van non-conformiteit. De daarop betrekking hebbende grieven 2 (gedeeltelijk), 3, en 10 behoeven, bij gebreke van belang, daarom geen bespreking meer.

4.11. De slotsom is dat het beroepen vonnis van

18 januari 2000, voor zover dit vonnis een tussenvonnis is, zal worden bekrachtigd. Het beroepen eindvonnis zal worden bekrachtigd met uitzondering van de eerste alinea van het dictum. In zoverre opnieuw rechtdoende zal het hof DAF veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ten bedrage van € 33.513,35 vermeerderd met wettelijke rente zoals hierna in het dictum zal worden weergegeven.

4.12. DAF zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De wettelijke rente hierover zal, nu daartegen geen verweer is gevoerd en daar ook voor het overige niets aan in de weg staat conform de vordering van Brameco worden toegewezen vanaf de veertiende dag na de betekening van dit arrest tot aan de dag van de voldoening.

Brameco heeft tevens gevorderd DAF te veroordelen in de nakosten. Deze vordering is niet toewijsbaar. Artikel 237 lid 4 Rv kent een exclusieve regeling voor de begroting van de na de uitspraak ontstane kosten.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart DAF niet ontvankelijk in haar hoger beroep tegen geïntimeerde sub 1;

verklaart DAF niet ontvankelijk in haar hoger beroep van het vonnis in reconventie van 18 januari 2000;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 18 januari 2000 in conventie;

vernietigt het vonnis van 15 januari 2002 met betrekking tot de eerste alinea van het dictum en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt DAF om aan Brameco tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 33.513,35 vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 14.294,08 vanaf 22 april 1998 en over € 19.219,28 vanaf

16 januari 2000 telkens tot aan de dag van de voldoening;

bekrachtigt het vonnis van 15 januari 2002 voor het overige;

veroordeelt DAF in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Brameco tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 460,- aan verschotten en € 2.994,- aan salaris procureur, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de veertiende dag na de betekening van dit arrest tot aan de dag van de voldoening;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs Kranenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 november 2003.