Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9548

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
05-12-2003
Zaaknummer
C0201044-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Levering van een paard aan een derde te goeder trouw. Het gerechtshof beslist dat onder het begrip "diefstal" in artikel 3:86 BW niet mede is begrepen "verduistering" als bedoeld in artikel 321 Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. LG

rolnr. C0201044/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 28 oktober 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE 1],

wonende te [woonplaats], en

[APPELLANT 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. J.E. Benner,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE 1],

wonende te [woonplaats], en

[GEÏNTIMEERDE 2],

wonende te [woonplaats],

gemeente [gemeente],

geïntimeerden,

procureur: mr. P.C.M. van der Ven,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 september 2002 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te

's-Hertogenbosch onder rolnummer 61147 / HA ZA 01-123 gewezen vonnis van 3 juli 2002 tussen appellanten - hierna: [appellante] (in enkelvoud) - als eisers en geïntimeerden - hierna; [geïntimeerde 1] resp. [geïntimeerde 2] - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij exploot van 30 september 2002 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan [appellante] een vroegere roldatum doen aanzeggen.

2.2. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellante] een grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van haar vorderingen. In navolging van de appeldagvaarding heeft zij daarbij haar eis vermeerderd, in die zin dat zij naast de afgifte van het paard Paroni tevens de afgifte van het veulen van Paroni vordert.

2.3. Bij memorie van antwoord met producties hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de grief bestreden en gevorderd [appellante] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.4. Vervolgens is de zaak ter zitting van het hof van 9 september 2003 mondeling bepleit. Daarbij is voor [appellante] het woord gevoerd door mr. T.A.H. Muller-van der Slikke en voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] door mr. F. Kolkman, ieder aan de hand van de overgelegde pleitnotities. [appellante] heeft daarbij tevens een akte overlegging producties genomen.

2.5. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

[appellante] heeft als enige grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte haar vorderingen heeft afgewezen. Voor de toelichting op die grief verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

In het paardenstamboek KWPN stond van 11 juni 1997 tot

8 mei 2001 het paard [naam paard, hierna: het paard] (geboren op [geboortedatum], levensnummer [levensnummer] en transpondernummer [transpondernummer) ingeschreven op naam van [geïntimeerde 2] als fokker/eigenaar. Dit paard is geboren bij [geïntimeerde 2]. [geïntimeerde 2] was eigenaar van de moeder van [het paard]. Van april 1999 tot mei 2000 heeft

[het paard] op stal gestaan bij [appellante]. Daarna is [het paard] teruggegaan naar [geïntimeerde 2]. [het paard] is op 29 juni 2000 door een zekere [naam] voorgebracht op een keuring te [plaats] en op 8 juli 2000 op een keuring te [plaats]. In de catalogus van laatstgenoemde keuring stond [geïntimeerde 2] als fokker/eigenaar vermeld. Na 8 juli 2000 stond [het paard] opnieuw op stal bij [geïntimeerde 2]. [geïntimeerde 2] heeft [het paard] vervolgens voor ƒ 24.500,= verkocht en geleverd aan [geïntimeerde 1]. Nadat [appellante] bemerkte dat [het paard] niet meer bij [geïntimeerde 2], maar bij [geïntimeerde 1] stond, heeft zij [geïntimeerde 1] op 6 oktober 2000 gebeld met de mededeling dat niet [geïntimeerde 2], maar [appellante] eigenaar van [het paard] is. [geïntimeerde 1] staat sinds 28 maart 2002 in het paardenstamboek als eigenaar van [het paard] ingeschreven.

[appellante] heeft onder [geïntimeerde 1] op [het paard] conservatoir beslag tot afgifte gelegd onder aanstelling van een gerechtelijke bewaarder. Op vordering van [geïntimeerde 1] is bij vonnis in kort geding van 29 maart 2001, bekrachtigd door dit hof bij arrest van 12 februari 2002, de opheffing van dit beslag bevolen.

4.1.2. [appellante] vordert de veroordeling van [geïntimeerde 1] tot afgifte van [het paard] en het na oktober 2000 verwekte en geboren veulen op straffe van een dwangsom, alsmede tot betaling van de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. [appellante] vordert voorts [geïntimeerde 2] te bevelen voornoemde afgifte te gehengen en gedogen.

De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen - kort gezegd - omdat [geïntimeerde 1] in ieder geval als bezitter te goeder trouw moet worden aangemerkt zodat hij eigenaar is geworden ook als hij verkreeg van een beschikkingsonbevoegde en [appellante] het bezit van het paard niet door diefstal heeft verloren. Met haar grief legt [appellante] het geschil in volle omvang aan het hof voor.

4.1.3. [appellante] stelt op enig moment ingevolge afspraak met [geïntimeerde 2] eigenaar te zijn geworden van [het paard], zodat

[geïntimeerde 2] ten tijde van de levering aan [geïntimeerde 1] beschikkingsonbevoegd was. [geïntimeerde 1] is, aldus [appellante], niet te goeder trouw, aangezien de koopovereenkomst [geïntimeerde 2]-[geïntimeerde 1], waarbij [het paard] aan [geïntimeerde 1] werd verkocht, eerst op 8 oktober 2000, dus nadat zij [geïntimeerde 1] gewaarschuwd had, is gesloten.

4.2.1. Het hof overweegt, dat nu vaststaat dat [geïntimeerde 1] [het paard] van [geïntimeerde 2] heeft gekocht en geleverd heeft gekregen, het voor de door [geïntimeerde 1] verkregen rechten van belang is of [geïntimeerde 2] tot die levering beschikkingsbevoegd was. Evenals de rechtbank zal het hof er daarbij voorlopig veronderstellenderwijs vanuit gaan dat [appellante] in oktober 2000 eigenaar was van [het paard], zodat [geïntimeerde 2] in dat veronderstelde geval niet beschikkingsbevoegd was - hetgeen door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] overigens gemotiveerd is betwist. [geïntimeerde 1] komt dan slechts bescherming toe op grond van artikel 3:86 BW indien hij ten tijde van zijn bezitsverkrijging te goeder trouw was. De goede trouw van [geïntimeerde 1] als bezitter wordt ingevolge de wet vermoed aanwezig te zijn.

4.2.2. [appellante] heeft hieromtrent aangevoerd dat [geïntimeerde 1] niet te goeder trouw was omdat hij pas op 8 oktober 2000, derhalve na haar telefonische mededeling van 6 oktober 2000, de koopovereenkomst met [geïntimeerde 2] moet hebben gesloten. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat [geïntimeerde 1] op 8 oktober 2000 op bezoek is geweest bij [geïntimeerde 2] en dat er in een schriftelijke verklaring van [geïntimeerde 2] d.d. 12 december 2000 geschreven staat dat de overeenkomst rond 8 oktober 2000 zou zijn gesloten.

[geïntimeerde 2] heeft echter een handgeschreven overeenkomst gedateerd 1 oktober 2000 overgelegd, waarbij [geïntimeerde 1] en hij verklaren dat het paard [het paard] door [geïntimeerde 2] aan [geïntimeerde 1] is verkocht en contant door [geïntimeerde 1] is betaald. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben dat ter zitting van het hof nog eens bevestigd. Daarnaast heeft [appellante] niet weersproken dat [het paard] ten tijde van haar telefoongesprek met [geïntimeerde 1] op 6 oktober 2000 al bij [geïntimeerde 1] op stal stond.

Tenslotte heeft [appellante] zelf gesteld dat [geïntimeerde 2] een paard heeft gekocht van een zekere mevrouw [naam] en dat hij dit paard op 3 oktober 2000 contant betaalde uit een envelop met bankbiljetten ter waarde van ƒ 24.500,=. Bovendien zou [geïntimeerde 2] die dag tegen mevrouw [naam] gezegd hebben dat [het paard] elders op stal stond. [appellante] heeft weliswaar te bewijzen aangeboden dat [geïntimeerde 1] [het paard] pas op 8 oktober 2000 heeft gekocht, maar daarvoor heeft zij niet méér aangevoerd dan de twee hierboven vermelde omstandigheden. Nu de omschrijving in de brief van [geïntimeerde 2] van

12 december 2000 ("rond 8 oktober") naar het oordeel van het hof, tegenover de zojuist genoemde vaststaande feiten, als een verschrijving moet worden beschouwd, legt dit onvoldoende gewicht in de schaal. Ook als komt vast te staan dat [geïntimeerde 1] op 8 oktober 2000 bij [geïntimeerde 2] is geweest, zegt dit niets over de datum van de koopovereenkomst. Het hof zal het bewijsaanbod van [appellante] derhalve als niet relevant passeren.

4.2.3. [appellante] beroept zich er voorts nog op dat [geïntimeerde 1] in het hoger beroep van de kort gedingprocedure heeft gesproken over de koopovereenkomst van 11 oktober 2000. Voorzover dit al niet op een typefout berust - hetgeen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ook stellen - is er voor een juist op die datum gesloten koopovereenkomst op geen enkele wijze ondersteuning te vinden in de processtukken.

4.2.4. Het hof gaat derhalve ervan uit dat de koopovereenkomst [geïntimeerde 2]-[geïntimeerde 1] is gesloten op 1 oktober 2000.

4.2.5. [appellante] betwist op meerdere gronden dat [geïntimeerde 1] ten tijde van de bezitsverkrijging te goeder trouw was.

Zij stelt dat [appellante] ervan op de hoogte was dat [geïntimeerde 2] bij of rond de keuring van 8 juli 2000 een bod van

ƒ 30.000,= op [het paard] had gekregen. Zelfs indien [geïntimeerde 1] van het bod op de hoogte was, vloeit uit dat enkele feit geenszins voort dat [geïntimeerde 1] dus moest twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van [geïntimeerde 2].

De vraag of [geïntimeerde 1] op 6 oktober 2000 de koopsom al had betaald, is niet van belang voor de goede trouw ten tijde van de bezitsverkrijging.

Het verwijt dat [geïntimeerde 1] bij raadpleging van het stamboekregister had moeten bemerken dat [appellante] eigenaar van [het paard] was, is onbegrijpelijk. [appellante] stelt immers zelf dat zij op verzoek van [geïntimeerde 2] het paard op naam van [geïntimeerde 2] heeft laten staan in het register. Het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij memorie van antwoord overgelegde uittreksel van voornoemd register vermeldt dat [geïntimeerde 2] als eigenaar stond geregistreerd in de periode van 11 juni 1997 tot 8 mei 2001. [appellante] heeft dit niet bestreden. Het gegeven dat [geïntimeerde 1] niet aanstonds het paard heeft laten verzekeren en in het stamboekregister op zijn naam heeft laten zetten kan noch afzonderlijk, noch in samenhang met elkaar tot de conclusie leiden dat [geïntimeerde 1] op het moment van bezitsverkrijging niet te goeder trouw was.

Ook het enkele gegeven dat [geïntimeerde 1] aanvankelijk tegenover [appellante] niet de hoogte van de koopsom wilde noemen, brengt - indien die omstandigheid vaststaat - nog niet mee dat [geïntimeerde 1] ten tijde van de bezitsverkrijging niet te goeder trouw was.

4.3.1. Met de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat [geïntimeerde 1] bij zijn bezitsverkrijging als te goeder trouw dient te worden aangemerkt en beschermd wordt door artikel 3:86 BW. Dit is enkel anders indien [appellante] het bezit van [het paard] zou hebben verloren door diefstal.

4.3.2. [appellante] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde 2] zich aan diefstal schuldig heeft gemaakt door [het paard] na de keuring van 8 juli 2000 mee naar huis te nemen met de vooropgezette bedoeling om [het paard] buiten [appellante] om te verkopen. [geïntimeerde 2] heeft dit bestreden.

4.3.3. Vaststaat dat [geïntimeerde 2] het paard in het voorjaar van 2000 met instemming van [appellante] bij haar heeft weggehaald. Uit de eigen stellingen van [appellante] volgt dat zij ermee bekend was en er geen bezwaar tegen heeft gemaakt dat [het paard] na de keuring van 8 juli 2000 bij [geïntimeerde 2] bleef. Indien [appellante] dus - veronderstellenderwijs - eigenaar was van [het paard], was [geïntimeerde 2] op het moment van de levering van [het paard] aan [geïntimeerde 1] met toestemming van [appellante] houder van [het paard].

4.3.4. In artikel 3:86 lid 3 BW is geregeld dat een derdeverkrijger te goeder trouw toch geen bescherming geniet indien de eigenaar, die het bezit door diefstal heeft verloren, binnen drie jaar zijn eigendom opvordert.

[appellante] heeft de vraag aan de orde gesteld of in casu verduistering door een houder ook onder het in de wet gehanteerde begrip diefstal moet worden begrepen.

Bij de totstandkoming van het Nieuw Burgerlijk Wetboek is de tekst van het derde lid van artikel 3:86 BW herhaaldelijk gewijzigd. Bij de laatste wijziging in de huidige tekst merkte de minister in zijn toelichting op dat het nieuwe derde lid beoogt: "... tegemoet te komen aan de bezwaren die uit een oogpunt van misdaadbestrijding aan een algehele bescherming van verkrijgers te goeder trouw ook van gestolen zaken zijn verbonden. In dit lid wordt daarom vooropgesteld dat gestolen zaken gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af door de bestolene kunnen worden opgeëist. Deze regel sluit - ten dele ook wat de redactie betreft - aan bij die van het huidig artikel 2014 lid 2 BW, met dien verstande dat zij niet ook geldt voor verloren zaken."(Invoering boeken 3,5 en

6: Boek 3 Vermogensrecht in het algemeen, samengesteld door Reehuis/Slob, Kluwer Deventer 1990, p.1222-1223).

4.3.5. Onder het tot 1 januari 1992 geldende artikel 2014 lid 2 BW kwam een derdeverkrijger, ondanks zijn goede trouw (en andere voorwaarden) geen bescherming toe bij een opvordering door de oorspronkelijk eigenaar, die zijn bezit onvrijwillig had verloren. Van onvrijwillig bezitsverlies was sprake indien de roerende zaak bij de eigenaar gestolen werd of door hem werd verloren. Verduistering door een houder viel hier niet onder. De rechthebbende heeft door de zaak in de handen van de houder te stellen immers zelf de schijn van beschikkingsbevoegdheid bij de vervreemder gewekt.

4.3.6.Uit het voorgaande volgt dat de wetgever in het thans geldende artikel 3:86 lid 3 BW kennelijk bewust heeft gekozen voor het bezigen van het aan het strafrecht ontleende begrip "diefstal", zoals dit strafbaar is gesteld bij artikel 310 Wetboek van Strafrecht. Hiermee is niet te verenigen de stelling van [appellante] dat daaronder tevens begrepen moet worden bezitsverlies door het bij artikel 321 W.v.Sr. strafbaar gestelde verduistering.

4.3.7. Nu [geïntimeerde 2] - zoals ook in zoverre uit de stellingen van [appellante] volgt - houder was, kan er niet van diefstal maar hooguit verduistering sprake zijn geweest, zodat het beroep op art. 3:86 lid 3 faalt.

4.4. Nu [geïntimeerde 1] zich naar het oordeel van het hof in ieder geval terecht op eigendomsverkrijging als derde te goeder trouw kan beroepen, komt het hof niet toe aan de beoordeling van de vraag of [appellante] betere rechten op [het paard] kan doen gelden dan [geïntimeerde 2].

Voor wat betreft de stellingen van [appellante] omtrent verondersteld onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] dan wel handelen in strijd met redelijkheid en billijkheid verenigt het hof zich met hetgeen de rechtbank daaromtrent in rechtsoverweging 3.9 heeft overwogen.

Het door [appellante] gedane beroep op art.3:125 B.W. faalt reeds nu [geïntimeerde 1] wordt beschermd op grond van artikel 3:86 BW.

4.5. Het hof zal de beroepen uitspraak bekrachtigen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 291,35 aan verschotten en € 2.313,= aan salaris procureur;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken,

Venhuizen en Van Wechem en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van dit hof van 28 oktober 2003.