Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9440

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-11-2003
Datum publicatie
04-12-2003
Zaaknummer
02/01531
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft in de eerste plaats het antwoord op de vraag of het Europese recht de woonplaatsfictie van artikel 3, eerste lid, van de SW buiten werking stelt.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

In de tweede plaats is in geschil of, en in hoeverre, het Europese recht zich verzet tegen een beperking van de vergoeding van proceskosten zoals Nederland die kent in zaken waarin de bescherming van het gemeenschapsrecht wordt gezocht.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 3
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 56
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 57
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 58
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 234
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2004, 21693
FED 2004/427 met annotatie van S.C.W. DOUMA
V-N 2003/58.21 met annotatie van Redactie
FutD 2003-2240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/01531

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X1, X2, X3 en X4, vier van de vijf erfgenamen van mevrouw A, laatstelijk gewoond hebbende te Y (Zwitserland), en overleden te B (België) op 22 november 1997 (hierna: belanghebbenden), tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Buitenland te P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst, de thans bevoegde inspecteur,aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan ieder van de vier belanghebbenden is, verzameld in één biljet, een aanslag successierecht opgelegd naar een verkrijging van ƒ 387.283,-, welke aanslagen, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

1.2. Tegen die uitspraak zijn belanghebbenden tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbenden een recht geheven van € 29,-. De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 21 mei 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbenden, hun vader C, vergezeld van hun gemachtigden, alsmede de Inspecteur.

1.4. Belanghebbenden hebben te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen schriftelijk verzocht inlichtingen te geven. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.6. Het nadere onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 20 augustus 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord dezelfde personen als ter eerste zitting zijn verschenen, met uitzondering van de vader van belanghebbenden.

Bij de aanvang van deze zitting heeft de Voorzitter partijen gewezen op de omstandigheid dat de samenstelling van de Kamer in die zin een andere is dan die tijdens de eerste zitting dat de raadsheer D.M. Weber de plaats heeft ingenomen van de raadsheer K.L.H. van Mens en heeft hij in verband daarmede aangeboden mondeling een resumé te geven van het verhandelde tijdens die eerste mondelinge behandeling, maar partijen hebben uitdrukkelijk verklaard dat een dergelijk resumé achterwege kan blijven.

De Inspecteur heeft voor de zitting een door beide partijen opgestelde berekening ingediend. Belanghebbenden hebben voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent de berekening en de pleitnota tot de stukken van het geding.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat binnen twaalf weken schriftelijk tussenuitspraak wordt gedaan met daarin prejudiciële vragen op de voet van artikel 234 (177 oud)van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-verdrag) te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG).

1.8. Na de zitting is zowel van de Inspecteur als van belanghebbenden een brief binnengekomen, een en ander op uitdrukkelijk verzoek van het Hof ter zitting van 20 augustus 2003 en in onderling overleg met partijen. Beide brieven worden tot de stukken van het geding gerekend.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de gedeeltelijk hiervan afwijkende verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Op 22 november 1997 is overleden mevrouw A (hierna: erflaatster), in gemeenschap van goederen gehuwd met de heer C (hierna: de echtgenoot). Bij testament heeft de erflaatster de tweede woning in België aan haar echtgenoot gelegateerd en voor het overige een ouderlijke boedelverdeling gemaakt, waarbij de activa en passiva aan haar echtgenoot zijn toegedeeld onder schuldigerkenning van de erfdelen van haar kinderen (de belanghebbenden).

2.2. Erflaatster had (alleen) de Nederlandse nationaliteit, woonde in 1988 nog te D in Nederland en was ten tijde van het overlijden in 1997 woonachtig in Zwitserland. Haar overlijden vond derhalve plaats binnen tien jaar nadat zij Nederland metterwoon had verlaten. Voor dat geval bepaalt artikel 3, lid 1 van de Successiewet 1956 (hierna: SW) dat zij "(...) wordt geacht ten tijde van het overlijden (...) binnen het Rijk te hebben gewoond".

2.3. Erflaatster en echtgenoot woonden tot de aanvang van 1988 in een aan hen in eigendom toebehorende woning in Nederland en zijn daarna naar een in 1987 reeds aangekochte eigen woning in B in België verhuisd, waar de echtgenoot een dienstbetrekking had aanvaard.

In 1991 heeft erflaatster een woning in Zwitserland gekocht. Daar is zij vervolgens vanaf 1991 onafgebroken metterwoon met haar echtgenoot gevestigd geweest.

Haar woonplaats was ook voor de toepassing van het belastingrecht na 1991 derhalve uitsluitend in Zwitserland gelegen.

2.4. Het huis in België werd in 1991 een vakantiewoning. Daar hielden erflaatster en haar echtgenoot regelmatig tijdelijk verblijf.

In die vakantiewoning in België is erflaatster na een kortstondig ziekbed overleden.

2.5. De nalatenschap bestond uit onroerende zaken gelegen in Nederland, in België en in Zwitserland en voor het overige, afgezien van de inboedel, uit ter belegging gehouden en in Nederland, Duitsland, Zwitserland en in de Verenigde Staten genoteerde effecten, alsmede bankrekeningen gehouden bij en geadministreerd door Nederlandse en Belgische filialen van diverse binnen de Europese Gemeenschap gevestigde bankinstellingen.

2.6. Het vermogen van erflaatster was in 1987, 1988 en 1991 niet anders van aard en samenstelling dan in 1997, het jaar van overlijden, met dien verstande dat erflaatster in 1991 voor een belangrijk deel met geleend geld een tweede eigen woning verwierf.

2.7. Partijen zijn het er na de eerste zitting blijkens de door hen gevoerde briefwisseling over eens dat naar nationaal recht de bepaling van de maatstaf van heffing, de verrekening van buitenlandse rechten en de heffing van Nederlands successierecht, als volgt dienen te geschieden.

Omvang huwelijksgemeenschap

Bezittingen ƒ ƒ

Eerste eigen woning 60% Sfr 435.000 a 1,3870 362.000

Vakantiewoning in België 810.000

Aandeel landgoed in Nederland 289.890

Telfout bij aanslagregeling - 23.140

Liquide middelen 1.987.014

Effecten 2.369.897

Bezittingen huwelijksgemeenschap 5.795.661

Af Schulden 1.191.128

Saldo huwelijksgemeenschap 4.604.533

Omvang nalatenschap (50% van 4.604.533) 2.302.267

Af: begrafeniskosten 46.542

Saldo nalatenschap 2.255.725

Af Waarde woning België voor echtgenoot 405.000

Resterende nalatenschap 1.850.725

ƒ ƒ ƒ

Verkrijging echtgenoot

Woning België 405.000

Resterende nalatenschap 1.850.725

Overbedelingsschuld 1.480.580

370.145

775.145

echtgenotenvrijstelling 555.317

belastbare verkrijging 219.828

successierecht voor verrekening 23.849

te verrekenen Belgisch recht 1.532

te verrekenen Zwitsers recht 22.317

23.849

te betalen Nederlands recht nihil

Verkrijging per belanghebbende

Vordering op echtgenoot 370.145

Volgens tabel verschuldigde recht 48.510

Te verrekenen Zwitsers recht 28.604

Te verrekenen Belgisch recht nihil

28.604

Te betalen Nederlands recht 19.906

Door belanghebbenden betaald Nederlands recht: 4 x 19.906 79.624

Door echtgenoot betaald Belgisch recht 30.320

Door echtgenoot betaald Zwitsers recht 136.733

Totaal verschuldigd over de nalatenschap 246.677.

2.8. Nederlands successierecht wordt geheven van de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand, die ten tijde van dat overlijden binnen het Rijk woonde (artikel 1 van de SW). Dat in dit geval successierecht wordt geheven is het gevolg van de woonplaatsfictie van artikel 3, eerste lid, van de SW, dat als volgt luidt:

"Een Nederlander, die binnen het Rijk heeft gewoond en binnen tien jaren, nadat hij het Rijk metterwoon heeft verlaten, is overleden of een schenking heeft gedaan, wordt geacht ten tijde van zijn overlijden of van het doen van de schenking binnen het Rijk te hebben gewoond."

2.9. Indien erflaatster de Nederlandse nationaliteit niet zou hebben gehad of zou hebben opgegeven, was het successierecht ƒ 79.624,- lager geweest. Anders gezegd: haar Nederlandse nationaliteit kost de boedel ƒ 79.624,-.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft in de eerste plaats het antwoord op de vraag of het Europese recht de woonplaatsfictie van artikel 3, eerste lid, van de SW buiten werking stelt.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

In de tweede plaats is in geschil of, en in hoeverre, het Europese recht zich verzet tegen een beperking van de vergoeding van proceskosten zoals Nederland die kent in zaken waarin de bescherming van het gemeenschapsrecht wordt gezocht.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Beide partijen

De waarde van het landgoed kan worden gesteld op ƒ 1.245.984,-.

U mag er vanuit gaan dat de samenstelling en aard van het vermogen in 1987, in 1988 en in 1991, afgezien van de eigen woning, met die van 1997 vergelijkbaar waren.

Erflaatster verbleef met regelmaat tijdelijk in België maar woonde, ook fiscaal, in Zwitserland.

Belanghebbenden

Erflaatster had uitsluitend de Nederlandse nationaliteit.

De Inspecteur

Wanneer belanghebbenden in het gelijk worden gesteld, is er in Nederland in het geheel geen successierecht verschuldigd.

3.3. Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de aan hen opgelegde aanslagen.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van het te betalen Nederlandse recht tot ƒ 19.906,- per belanghebbende als berekend in 2.7 van deze uitspraak.

Bij het tweede geschilpunt wachten partijen het antwoord op inmiddels door het Hof 's-Hertogenbosch op 24 juli 2003 aan het

HvJ EG te dier zake gestelde prejudiciële vragen af, in zaak 00/00296, geadministreerd bij het HvJ EG onder de naam "D" en onder nummer C-376/03.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Blijkens artikel 56 van het EG-verdrag "(...) zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer (...) tussen lidstaten en derde landen verboden."

4.2. In casu is sprake van een kapitaalbeweging tussen een derde land en lidstaten. Dit blijkt uit de nomenclatuur opgenomen in bijlage 1 bij richtlijn 88/361/EEG die als kapitaalbeweging aanmerkt "de overdracht van gevormde vermogenswaarden", waarbij onder het hoofd "XI kapitaalverkeer van persoonlijke aard" onder meer worden opgesomd: "(...)leningen, schenkingen, bruidschatten, nalatenschappen en legaten (...).".

In artikel 57, eerste lid, van het EG-verdrag wordt een uitzondering gemaakt voor beperkingen die van toepassing zijn op derde landen. Die uitzondering wordt slechts gemaakt voor beperkingen die op 31 december 1993 bestaan "(...) uit hoofde van nationaal of gemeenschapsrecht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen" en dan nog alleen voor beperkingen

"(...)in verband met

- directe investeringen - met inbegrip van investeringen in onroerend goederen -,

- vestiging,

- het verrichten van financiële diensten of

- de toelating waardepapieren tot de kapitaalmarkten.".

4.3. Uit paragraaf 44 van het arrest Sanz de Lera, HvJ EG 14 december 1995, gevoegde zaken C-163/94, C-165/94 en C-250/94, Jurispr. 1995 blz. I-4821, blijkt dat de uitzondering van artikel 57, eerste lid, van het EG-verdrag zo nauwkeurig is geformuleerd dat zij de lidstaten of de communautaire wetgever geen enkele beoordelingsmarge laat met betrekking tot zowel de datum waarop de beperkingen kunnen bestaan als de categorieën van kapitaalverkeer die kunnen worden beperkt.

4.4. Naar het oordeel van het Hof ziet artikel 57, eerste lid, van het EG-verdrag niet op nalatenschappen omdat die in artikel 57, eerste lid, van het EG-verdrag niet worden genoemd. Deze vaststelling wordt bevestigd door de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361, die nalatenschappen indeelt in de rubriek "kapitaalverkeer van persoonlijke aard" (rubriek XI), terwijl de in artikel 57, eerste lid, van het EG-verdrag genoemde verrichtingen in andere rubrieken van deze nomenclatuur zijn opgenomen (vergelijk naar analogie Sanz de Lera, hiervoor aangehaald, paragraaf 34).

Bovendien houdt de woonplaatsfictie van artikel 3, eerste lid, van de SW niet specifiek verband met "(...) nationaal of gemeenschapsrecht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen", en is de woonplaatsfictie geen beperking die alleen van toepassing is "op derde landen" (vergelijk naar analogie Sanz de Lera, hiervoor aangehaald, paragraaf 35).

4.5. Blijkens het voorgaande valt volgens het Hof de onderhavige nationale regeling niet onder artikel 57, eerste lid, van het

EG-verdrag. Omdat bovenstaande conclusie echter niet eenduidig uit de jurisprudentie van het HvJ EG blijkt, zal het Hof hierover een vraag aan het HvJ EG voorleggen.

4.6. Artikel 58, eerste lid, van het EG-verdrag staat een maatregel als de onderhavige wel toe maar een dergelijke maatregel mag blijkens artikel 58, derde lid, van het EG-verdrag geen middel tot willekeurige discriminatie of verkapte beperking van het kapitaalverkeer vormen.

4.7. Hof 's-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 12 december 2002, nummer 00/01796, gepubliceerd in VN 2003/5.22, al als acte claire aangemerkt dat artikel 3, eerste lid, van de SW een zodanig verboden middel vormt. Dat artikel merkt Nederlanders nog tien jaar na hun vertrek uit Nederland aan als inwoners van Nederland voor de heffing van successierecht (en van schenkingsrecht).

Daarbij stelde het Hof vast dat de fictie een nationale maatregel is die de vrijheid van het kapitaalverkeer belemmert of minder aantrekkelijk maakt. Het is als zodanig een vertrekbelemmering, aangezien de fictie bezien vanuit 'de boedel' bij vertrek daarvan naar een andere Lidstaat alleen kans op nadeel teweegbrengt vanaf de eerste dag na de emigratie, gevolgd door een vererving van de nalatenschap van het vermogen binnen tien jaren nadien. Nederland heft in de tien jaren na emigratie van Nederlanders namelijk wel bij wanneer in het buitenland minder successierecht of schenkingsrecht geheven is, terwijl Nederland geen restitutie of verrekening verleent voor hetgeen in het buitenland meer aan successierecht geheven is. Artikel 3, eerste lid, van de SW vormt blijkens de eerdergenoemde beslissing van dit Hof reeds daarom een verkapte belemmering van grensoverschrijdende nalatenschappen, en reeds daarom als vertrekbelemmering een door het gemeenschapsrecht verboden middel.

4.8. In die zelfde uitspraak kwam dit Hof bovendien tot het oordeel dat het een acte claire is dat de fictie ook willekeurige discriminatie vormt. De fictie is een vertrekbelemmerende maatregel en zo is hij ook bedoeld door de Nederlandse wetgever. Dit soort maatregelen zijn blijkens het arrest HvJ EG 30 november 1995, Gebhard, C-55/94, Jurispr. 1995 blz. I-4165, echter alleen geoorloofd wanneer die zonder onderscheid worden toegepast en hun rechtvaardiging vinden in dwingende reden van algemeen belang. Aan die voorwaarden is naar het oordeel van het Hof niet voldaan, aangezien Nederland daarbij onderscheid maakt tussen Nederlanders en niet-Nederlanders - een Nederlander kan alleen onder de werking van de fictie uitkomen door zijn Nederlandse nationaliteit op te geven -en de fictie bovendien slechts als reden heeft te voorkomen dat Nederland successierecht misloopt door het vertrek van haar onderdanen.

4.9. Het HvJ EG heeft in zijn jurisprudentie het recht van vertrek al in een zeer vroeg stadium erkend ondanks het feit dat de Verdragsartikelen er niet uitdrukkelijk melding van maken (voor het vrije verkeer van personen, zie bijvoorbeeld: Royer, HvJ EG 8 april 1976, 48/75, Jurispr. 1976, blz. 497, punt 28; Sagulo, HvJ EG 14 juli 1977, 8/77, Jurispr. 1977, blz. 1495, punt 4; Pieck, HvJ EG 3 juli 1980, 157/79, Jurispr. 1980 blz. I-423, punt 4; Commissie/Duitsland, HvJ EG 18 mei 1989, 249/86, Jurispr. 1989, blz. 1263, punt 9; Giagounidis HvJ EG 5 maart 1991, C-376/89, Jurispr. 1991, blz. I-1069).

Dat het hier niet slechts gaat om maatregelen die het vertrek feitelijk/fysiek belemmeren (directe vertrekbelemmering) maar ook om alle maatregelen die een zwaardere last op de vertrekkende dan de thuisblijvende persoon (kunnen) leggen (indirecte vertrekbelemmering of vertrek discriminatie) blijkt onder meer uit Stanton, HvJ EG

7 juli 1988, 143/87, Jurispr. 1988, blz. 3877, punt 13 en 14; Wolf, HvJ EG 7 juli 1988, gevoegde zaken 154 en 155/87, Jurispr. 1988, blz. 3897; Bosman, HvJ EG 15 december 1995, C-415/93, Jurispr. 1995, blz. I-4921 en Terhoeve, HvJ EG 26 januari 1999, C-18/95, Jurispr. 1999, blz. I-345.

In de inkomstenbelastingrechtspraak wordt het recht op vertrek vanuit het thuisland ook expliciet bevestigd in Daily Mail, HvJ EG 27 september 1988, 81/87, Jurispr. 1988, blz. 5483, punt 16 (zij het met een beperking voor juridische personen die slechts het secundair vestigingsrecht genieten).

Het verbod van vertrekbelastingen wordt voorts bevestigd door het HvJ EG in alle belastingzaken waarbij een vertrekkende grensoverschrijdende economische activiteit wordt benadeeld ten opzichte van een binnenlandse economische activiteit, ongeacht of deze zaken betreffen:

- het vrij verkeer van personen (ICI, HvJ EG 16 juli 1998, C-264/96, Jurispr. 1998, blz. I-4695; X AB en Y AB, HvJ EG 18 november 1999, C-200/98, Jurispr. 1999, blz. I-8261; AMID, HvJ EG 14 december 2000, C-141/99, Jurispr. 2000, blz. I-11619; Baars, HvJ EG 13 april 2000, C-251/98, Jurispr. 2000, blz. I-2787; en meer recente zaken zoals Skandia, HvJ EG 26 juni 2003, C-422/01 en Bosal, HvJ EG 18 september 2003, C-168/01);

- het vrij verkeer van diensten (Eurowings, HvJ EG 26 november 1999, C-294/97, Jurispr. 1999, blz. I-7447; Vestergaard, HvJ EG 18 oktober 1999, C-55/98, Jurispr. 1999, blz. I-7641);

- het vrij verkeer van kapitaal (Verkooyen, HvJ EG 6 juni 2000,

C-35/98, Jurispr. 2000, blz. I-4071; zie overigens ook al Bachmann, HvJ EG 28 januari 1992, C-204/90, Jurispr. 1992, blz. I-249, waar echter een rechtvaardiging werd aangenomen.)

4.10. Aan haar argumenten in de eerdergenoemde uitspraak van dit Hof voegt het Hof thans toe dat erflaatster burger van de Unie is in de zin van artikel 18 van het EG-verdrag en dat artikel 12 van het

EG-verdrag elke discriminatie naar nationaliteit verbiedt. De hoedanigheid van burger van de Unie dient de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten te zijn en verleent degenen onder hen die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit en onverminderd de uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen, binnen de materiële werkingssfeer van het EG-verdrag aanspraak op een gelijke behandeling rechtens (zie paragraaf 28 in de zaak d'Hoop HvJ EG 11 juli 2002, C-224/98, NJ 2003/45). In casu is sprake van een discriminatie tussen burgers van de Unie, aangezien in het geval van een erflater met de Nederlandse nationaliteit stelselmatig meer successierecht wordt geheven dan in het geval van een erflater met de nationaliteit van een andere lidstaat, kort gezegd omdat Nederland in dat geval stelselmatig alleen bijheft maar niet restitueert.

Het Hof is zich er anderzijds van bewust dat een analoge toepassing van het arrest Skanavi en Chryssanthakopoulos, HvJ EG 29 februari 1996, C-193/94, Jurispr. blz. I-929, meebrengt dat artikel 18 van het EG-verdrag en artikel 12 van het EG-verdrag niet rechtstreeks van toepassing zijn omdat artikel 56 van het EG-verdrag een bijzondere uitdrukking is van de algemene beginselen die uit artikel 18 en artikel 12 van het EG-verdrag voortvloeien. Het Hof ziet echter niet in waarom, juist omdat sprake is van een "bijzondere uitdrukking", de rechtspraak gewezen voor artikel 18 en artikel 12 van het EG-verdrag niet onder artikel 56 juncto artikel 58, eerste lid, letter a, en derde lid, van het EG-verdrag toegepast kan worden. Gezien het feit dat geen rechtspraak over deze problematiek voorhanden is, zal het Hof hierover een vraag voorleggen aan het

HvJ EG.

4.11. Met betrekking tot deze tweede vraag is ook van belang wat de status en invloed zijn van de "Verklaring betreffende artikel 73D van het verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap" die is aanvaard bij gelegenheid van de ondertekening van de "Slotakte en verklaringen van de intergouvernementele conferenties inzake de Europese Unie" van 7 februari 1992. Deze verklaring luidt:

"De Conferentie bevestigt dat het recht van de Lid-Staten om de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving, bedoeld in artikel 73D, lid 1, onder a van het Verdrag toe te passen, alleen van toepassing zal zijn voor wat betreft de bepalingen ter zake die eind 1993 gelden. Deze verklaring geldt evenwel slechts voor het kapitaalverkeer en het betalingsverkeer tussen de Lid-Staten".

Het Hof vraagt zich af of de zin "Deze verklaring geldt evenwel slechts voor het kapitaalverkeer en het betalingsverkeer tussen de Lid-Staten" meebrengt dat wetgeving die van toepassing is op kapitaalbewegingen tussen de lidstaten en derde landen in het geheel niet wordt beschermd door artikel 58, eerste lid, letter a, van het EG-verdrag of dat artikel 58, eerste lid, letter a, van het

EG-verdrag voor kapitaalbewegingen tussen de lidstaten en derde staten altijd geldt, en dus niet beperkt is tot bepalingen ter zake die eind 1993 gelden.

4.12. Zoals opgemerkt biedt de jurisprudentie van het HvJ EG geen duidelijk antwoord op alle in het kader van het onderhavige geschil gerezen vragen. Gelet daarop zal het Hof ingevolge het bepaalde in artikel 234 (177 oud) van het EG-verdrag een prejudiciële beslissing verzoeken omtrent de hierna omschreven vragen.

5. Beslissing

Het Hof verzoekt het HvJ EG uitspraak te doen over de volgende vragen:

1. Is artikel 3, eerste lid, van de SW een toegestane beperking in de zin van artikel 57, eerste lid, van het EG-verdrag?

2. Is artikel 3, eerste lid, van de SW een verboden middel tot willekeurige discriminatie dan wel een verkapte beperking van het kapitaalverkeer als bedoeld in artikel 58, derde lid, van het

EG-verdrag indien van toepassing op een kapitaalbeweging tussen een lidstaat en een derde staat, mede gezien de Verklaring betreffende artikel 73D van het Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap die is aanvaard bij gelegenheid van de ondertekening van de "Slotakte en verklaringen van de intergouvernementele conferenties inzake de Europese Unie" van 7 februari 1992?

Het Hof houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het HvJ EG naar aanleiding van het vorenstaande verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J.W. van der Voort en D.M. Weber en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken

op: 5 november 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 5 november 2003