Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9135

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
01-12-2003
Zaaknummer
20.002151.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte waardoor het ongeval is veroorzaakt en met name het wegrijden van de plaats van dat ongeval getuigt van een bedenkelijke verkeersmentaliteit van de verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangegeven dit zich te realiseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20.002152.03

Datum uitspraak: 26 november 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 maart 2003 in de strafzaak onder parketnummer 01/040223-02 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1972,

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering.

De tenlastelegging en de bewezenverklaring

Nu ten aanzien van de tenlastelegging en de bewezenverklaring niet opnieuw recht wordt gedaan, kan worden volstaan met de omschrijving zoals in het beroepen vonnis vervat.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsvrouwe heeft in hoger beroep het verweer gevoerd dat het dossier geen bewijs bevat voor het ten laste gelegde bestanddeel “verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden” van het slachtoffer. Daarbij heeft zij verwezen naar HR 9 januari 2001, NJ 2001, 162, volgens welk arrest onder normale bezigheden dienen te worden verstaan de normale bezigheden die weliswaar niet kunnen worden aangemerkt als ambts- of beroepsbezigheden doch die daarmee vergelijkbaar zijn.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De wetsgeschiedenis van art. 5 WVW 1994 (Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, MvT (nr. 3) p. 68), welke bepaling nadien is vernummerd tot (het huidige) art. 6 WVW 1994, houdt het volgende in:

“Een ander punt waarop artikel 5 zich onderscheidt van artikel 36 van de Wegenverkeerswet, is de omschrijving van letsel dat weliswaar niet onder het begrip zwaar lichamelijk letsel valt, doch dat wel zo ernstig is dat sanctionering ingevolge artikel 5 op haar plaats is. Artikel 36 omschrijft dit letsel als 'zodanig lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening zijner ambts- of beroepsbezigheden ontstaat.'

Naar de huidige opvattingen lijkt het niet juist de ernst van het feit waarvan een verwijt wordt gemaakt, te relateren aan het al dan niet gehinderd worden in de 'ambts- of beroepsbezigheden'. Veeleer is bepalend of iemand wordt gehinderd in de uitoefening van zijn normale bezigheden, ongeacht of dit 'ambts- of beroepsbezigheden' zijn.”

Hieruit volgt dat het begrip “normale bezigheden” alle soorten bezigheden omvat die voor de betrokkene normaal zijn, ongeacht of dit ambts- of beroepsbezigheden zijn. De aard van deze bezigheden doet er niet toe.

Uit het proces-verbaal d.d. 24 oktober 2001 van hoofdagent A.M. Manders blijkt dat [slachtoffer] op 19 oktober 2001 tegen de verbalisant heeft gezegd dat zij nog steeds erge pijn had aan haar nek, dat ze een whiplash heeft en onder doktersbehandeling staat en dat ze ongeveer vier weken niet heeft kunnen werken.

Uit de brief d.d. 28 mei 2002 van de fysio-manueel therapeut W. van Grinsven blijkt dat het slachtoffer na een whiplash-trauma (in september 2001) op verwijzing van de huisarts tussen 25 oktober 2002 (het hof leest: 2001) en 17 december 2001 negen maal is behandeld en dat de behandelingen zijn voortgezet vanaf 10 mei 2002.

Uit deze bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer gedurende een aantal weken de voor haar gebruikelijke bezigheden niet heeft kunnen uitoefenen als gevolg van het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval. Derhalve is sprake van verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden in de zin van art. 6 WVW 1994, in welke zin de bewoordingen van de tenlastelegging zijn gebruikt.

Het verweer faalt.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

De verdachte is door de eerste rechter veroordeeld:

- voor wat betreft de feiten onder 1 en 2: tot een geldboete van zevenhonderdvijftig euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;

- voor wat betreft het feit onder 1: tot een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaar;

- voor wat betreft het feit onder 2: tot een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd het beroepen vonnis, ook voor wat betreft de opgelegde straffen, te bevestigen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte waardoor het ongeval is veroorzaakt en met name het wegrijden van de plaats van dat ongeval getuigt van een bedenkelijke verkeersmentaliteit van de verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangegeven dit zich te realiseren.

Daarin en in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte - hij is sedert 13 februari 2003 in het bezit van het rijbewijs voor motorrijtuigen van categorie C en sedert 22 september 2003 van het chauffeursdiploma CCV-B en vanaf 6 oktober 2003 is de verdachte in dienstbetrekking werkzaam als beroepschauffeur - ziet het hof, anders dan de eerste rechter en de advocaat-generaal, aanleiding om thans geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Daartegenover staat dat het hof de hierna te vermelden geldboete aan de verdachte zal opleggen, die hoger is dan de door de eerste rechter opgelegde geldboete. Bij de vaststelling van de hoogte van die geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging daarnaast terzake van de feiten onder 1 en 2 van een telkens voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de hierna te vermelden duur wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

vernietigt het beroepen vonnis, doch alleen voor zover dit betreft de aan de verdachte opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot een geldboete van Eur. 1.000,00 (éénduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van twintig dagen;

ontzegt de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden;

beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit, dat de veroordeelde de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd;

ontzegt de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden;

beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit, dat de veroordeelde de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd;

bevestigt het beroepen vonnis voor al het overige.

Dit arrest is gewezen door Mr. Claassens, als voorzitter

Mrs. Van den Elzen en Valkenburg, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Koningstein, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 november 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 07

tijd : 13.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1972,

wonende te [adres],

Is bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 27 maart 2003 ter zake van:

t.a.v. sub 1primair: "Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht",

t.a.v. sub 2: "Overtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994";

veroordeeld tot:

t.a.v. de feiten onder 1 en 2:

een geldboete van ? 750,-- subs. 15 dgn. hecht.,

t.a.v. feit 1 voorts:

tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

t.a.v. feit 2 voorts:

tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier maanden.