Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9038

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
28-11-2003
Zaaknummer
C0101125-MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inderdaad kan ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW ieder der deelgenoten in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, zodat in dat geval verjaring niet aan de orde kan zijn. De onderhavige vordering van de man kan niet worden gegrond op verdeling van een goed (schuld) uit de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen waren gehuwd. Ingevolge artikel 1:103 lid 2 BW is het deel van de gemeenschap waarvan afstand is gedaan (in casu het deel van de vrouw, waaronder de schuld aan de RVS), aangewast bij het deel van de andere echtgenoot (de man). Daaruit volgt dat de man uit hoofde van de verdeling van de gemeenschapsschuld rechtens geen vordering meer kan hebben jegens de vrouw en dat de onderhavige vordering alleen kan strekken tot betaling van de vrouw uit haar privé-vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SK

rolnr. C0101125/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

zesde kamer, van 14 oktober 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant bij exploot van dagvaarding

van 27 november 2001 in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,

geïntimeerde bij gemeld exploot in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. P.W. van der Kruijs,

op het hoger beroep tegen het onder rolnummer 58265/HA ZA 00-711 door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 6 september 2001 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, tevens akte houdende vermeerdering van eis, heeft de man een onvoorwaardelijke en een voorwaardelijke grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot veroordeling van de vrouw om aan de man een aantal bedragen te betalen, te vermeerderen met rente, en met veroordeling van de vrouw in de kosten in beide instanties.

2.2. De vrouw heeft een akte houdende verzet tegen de vermeerdering van eis genomen.

2.3. Bij beslissing van 9 april 2002 heeft het hof het verzet tegen de vermeerdering van eis ongegrond verklaard.

2.4. Bij memorie van antwoord in het principaal tevens memorie van grieven in het incidenteel appel heeft de vrouw de grieven bestreden en harerzijds één grief aangevoerd. Zij concludeert, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van de man en tot zijn veroordeling in de kosten in beide instanties.

2.5. De man heeft in incidenteel appel geantwoord en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incidenteel appel.

2.6. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memorie.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Partijen zijn op 15 maart 1960 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is op 16 december 1981 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 19 november 1981. De vrouw heeft op 18 januari 1982 afstand gedaan van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen waren gehuwd.

4.1.2. Tot de gemeenschap behoorden een tweetal onroerende zaken die beide waren belast met een door de RVS verstrekte hypotheek waarvoor de man en de vrouw zich hoofdelijk hadden verbonden.

4.1.3. De onroerende zaken zijn op 2 en 19 mei 1982 in het openbaar verkocht omdat partijen de hypotheekverplichtingen aan de RVS niet hadden voldaan. De schuld aan de RVS bedroeg op 19 mei 1982 f. 529.090,07. Daarop heeft in mindering gestrekt de executieopbrengsten van f. 258.580,- en van f. 141.000,- alsmede de afkoop van een aantal levensverzekeringspolissen tot een beloop van f. 38.512,78. Totaal is daarmee ingelost f. 438.092,78. Er restte aldus een bedrag van f. 90.997,29. Dit bedrag is door de RVS in 1999 buiten invordering gesteld.

4.1.4. In eerste aanleg vorderde de man betaling van de vrouw van f. 19.256,39, zijnde de helft van de waarde van de verzekeringspolissen.

In hoger beroep heeft de man bij memorie van grieven van 12 maart 2002 zijn eis vermeerderd. Hij vordert f. 173.547,75 zijnde het verschil tussen het ingeloste deel van f. 438.092,78 en f. 264.545,03, de helft van de totale schuld van f. 529.090,07.

De man grondt deze vordering op de stelling dat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn en op artikel 1:103 lid 5, tweede volzin en lid 6, tweede volzin BW (Indien hij een schuld, waarvoor beide echtgenoten vóór de ontbinding van de gemeenschap voor het geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft heeft voldaan, heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de andere echtgenoot).

4.2. De grief in het incidenteel appel

4.2.1. Het hof zal eerst de grief in het incidenteel appel bespreken. De vrouw heeft de verjaring van de vordering ingeroepen. De rechtbank heeft dit beroep aldus afgewezen:

Ter zake het standpunt van de vrouw dat de vordering dan wel het vorderingsrecht is verjaard, is de rechtbank van oordeel dat dit standpunt op grond van het bepaalde in artikel 3:178 BW moet worden verworpen, nu de man heeft gesteld dat het hier gaat om een vordering die betrekking heeft op een schuld uit de huwelijksgoederengemeenschap van partijen welke nog verdeeld moet worden en welke reeds bestond toen de vrouw op 18 januari 1982 afstand heeft gedaan van de gemeenschap in de zin van artikel 1:103 BW.

In incidenteel appel komt de vrouw op dit oordeel.

4.2.2. De grief is gegrond.

Inderdaad kan ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW ieder der deelgenoten in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, zodat in dat geval verjaring niet aan de orde kan zijn. De onderhavige vordering van de man kan niet worden gegrond op verdeling van een goed (schuld) uit de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen waren gehuwd. Ingevolge artikel 1:103 lid 2 BW is het deel van de gemeenschap waarvan afstand is gedaan (in casu het deel van de vrouw, waaronder de schuld aan de RVS), aangewast bij het deel van de andere echtgenoot (de man). Daaruit volgt dat de man uit hoofde van de verdeling van de gemeenschapsschuld rechtens geen vordering meer kan hebben jegens de vrouw en dat de onderhavige vordering alleen kan strekken tot betaling van de vrouw uit haar privé-vermogen.

De man stelt nog dat het feit dat de vrouw afstand heeft gedaan van de gemeenschap er niet toe heeft geleid dat er daardoor geen sprake meer was van een gezamenlijke schuld. De man verliest hiermee het verschil tussen een gemeenschappelijke schuld en een gemeenschapsschuld uit het oog. Het feit dat partijen na de ontbinding van het huwelijk en de afstand van de gemeenschap door de vrouw contractueel gebonden en hoofdelijk aansprakelijk zijn gebleven jegens de RVS - en er dus nog steeds sprake is van een schuld die in zoverre gemeenschappelijk is dat zij voor het gehele saldo zowel op de man (zijn privé-vermogen en het bij hem berustende gemeenschapsvermogen) als de vrouw (haar privé-vermogen) verhaald kan worden - brengt nog niet mee dat tussen partijen in zoverre de huwelijksgoederengemeenschap is blijven bestaan. De vrouw heeft immers krachtens artikel 1:103 BW geen rechtsband meer met de huwelijksgoederengemeenschap.

De schuld van f. 529.090,07 aan RVS, zoals die op 19 mei 1982 na de ontbinding van het huwelijk en de afstand door de vrouw bestond, is op zich zelf genomen niet vatbaar voor verdeling. Artikel 1:103 lid 5 tweede zin BW geeft de man in beginsel een verhaalsrecht op de vrouw voor zover hij meer dan de helft van de schuld heeft voldaan.

4.2.3. De vrouw beroept zich ten aanzien van dit uitgeoefende verhaal op het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW: Een rechtsvordering tot vergoeding van schade (...) verjaart door verloop van vijf jaren na (...). Tussen partijen staat vast dat de man in de periode van 5 jaren voorafgaande aan medio 1999 geen aanspraak heeft gemaakt op betaling en dat ook overigens aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan. (Partijen hebben zich niet beroepen op bepalingen van het oud BW, noch hebben zij in hun debat de eventuele gevolgen van de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992 betrokken). De enige vraag die nog opkomt is of de onderhavige vordering moet worden aangemerkt als één tot vergoeding van schade.

Het hof stelt eerst vast dat uit de akte van geldlening en hypotheekstelling tussen de man en de vrouw enerzijds en de RVS anderzijds niet blijkt van enige regresbepaling tussen man en vrouw onderling. De man stelt ook overigens niet het bestaan van een overeenkomst tussen partijen waaruit een regresrecht volgt. Nakoming van een contractuele verplichting is derhalve niet aan de orde.

De man beroept zich op de wettelijke regresverplichting van artikel 1:103 lid 5 BW. Terzijde merkt het hof op dat artikel 6:10 BW ingevolge artikel 175 Overgangswet Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is. De onderhavige vordering van de man is derhalve gestoeld op een verbintenis uit de wet die strekt tot vergoeding van het nadeel dat de man heeft geleden als gevolg van het feit dat hij, daartoe gedongen door de RVS, meer heeft voldaan (moeten voldoen) dan de helft van de gemeenschappelijke schuld aan de RVS. Een daarop gebaseerde vordering strekt derhalve tot vergoeding van schade, in het bijzonder schade als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW.

4.3. De conclusie is dan het beroep van de vrouw op verjaring gehonoreerd moet worden. Het bestreden vonnis kan derhalve in stand blijven, zij het met verbetering van gronden.

De grieven in het principaal beroep, stellingen en verweren behoeven geen bespreking.

Het hof zal, nu partijen gewezen echtelieden zijn, de proceskosten in hoger beroep compenseren.

5. De uitspraak

Het hof:

In principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt, met verbetering van gronden, het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Drijkoningen en Den Hartog Jager en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 oktober 2003.