Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AN8308

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
20.001484.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 november 2002 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een auto (jeep) [slachtoffer] heeft achtervolgd en achterna gereden en [slachtoffer] met enige snelheid is genaderd en over [slachtoffer] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 20.001484.03

datum uitspraak: 18 november 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Breda van 8 april 2003 in de strafzaak onder parketnummer 02/002311-02 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1969,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw-Vosseveld te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 22 november 2002 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, met een auto (jeep) die [slachtoffer] heeft achtervolgd en/of achterna gereden en/of [slachtoffer] met onverminderde en/of hoge, althans enige snelheid is genaderd en/of op [slachtoffer] is ingereden, althans die [slachtoffer] heeft aangereden en/of over die [slachtoffer] is gereden en/of niet (tijdig) heeft geremd en/of niet (tijdig) is gestopt, althans dat/zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, in het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 november 2002 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, althans in het arrondissement Breda, althans in Nederland aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken rug en/of meerdere schaafwonden en/of bloeduitstortingen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk:

- met een auto (jeep/terreinwagen) [slachtoffer] te achtervolgen, althans achterna te rijden en/of

- met hoge, althans met onverminderde, althans met enige snelheid [slachtoffer] te naderen en/of

- (tegen) [slachtoffer] aan te rijden en/of

- [slachtoffer] te overrijden en/of

- niet (tijdig) te remmen en/of te stoppen, althans het/zijn voertuig tot stilstand te brengen;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 november 2002 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig met een auto (jeep) meerdere, althans een perso(o)n(en)/jongen(s), althans [slachtoffer], heeft achtervolgd/achterna gereden en/of die perso(o)n(en) en/of [slachtoffer] met onverminderde en/of hoge, althans enige snelheid is genaderd en/of [slachtoffer] is ingereden, althans die [slachtoffer] heeft aangereden en/of over die [slachtoffer] is gereden, althans niet (tijdig) heeft geremd en/of niet (tijdig) is gestopt, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, (te weten een gebroken rug en/of meerdere schaafwonden en/of bloeduitstortingen), heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze is ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De bewezenverklaring

Het hof acht de aan de verdachte onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte van dit onderdeel moet worden vrijgesproken. Het hof acht in het bijzonder niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorbedachten rade, na kalm beraad en rustig overleg, heeft gepoogd om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 november 2002 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een auto (jeep) [slachtoffer] heeft achtervolgd en achterna gereden en [slachtoffer] met enige snelheid is genaderd en over [slachtoffer] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Van de zijde van de verdediging is -kort samengevat- betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft overreden. Daartoe heeft de verdediging een tweetal alternatieve scenario's geschetst, die -in haar visie- passen bij de constateringen van de politie, het letsel en een aantal getuigenverklaringen. In de eerste plaats zou het slachtoffer in volle vaart tegen een boompje kunnen zijn gelopen, welk boompje in het weiland stond waar het slachtoffer uiteindelijk is aangetroffen. Daarnaast is het mogelijk dat het slachtoffer tegen een gesloten (dus horizontale) slagboom is gelopen, die zich elders op het betreffende terrein bevond.

De bevindingen van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek (hierna: Unit FTO) en het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) zijn in ieder geval onvoldoende om tot het bewijs te komen dat verdachte het slachtoffer heeft overreden.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat àls verdachte het slachtoffer al zou hebben overreden, verdachte dat zeker niet opzettelijk heeft gedaan.

Verdachte behoort daarom te worden vrijgesproken van al hetgeen hem is ten laste gelegd, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het proces-verbaal van de Unit FTO blijkt dat op de voor- en onderzijde van de cardanklok van de vooras van de auto een contactspoor aanwezig was dat een ribbelprofiel vertoonde. Voorts heeft de Unit FTO op de onderzijde van de cardanklok van de achteras veegsporen die een ribbelprofiel vertoonden geconstateerd en werd op de achterzijde van de cardanklok een fragment van een contactspoor van vermoedelijk ribstof waargenomen. Tenslotte zaten op de achterbumper aan de rechteronderzijde veeg/contactsporen die een ribbelprofiel vertoonden. Volgens de Unit FTO kunnen deze sporen zijn veroorzaakt door het ribstof jack van het slachtoffer.

Door de verdediging is aangevoerd dat [slachtoffer] mogelijk een trainingsjas over het ribstof jack heeft gedragen. Uit de verklaring van [slachtoffer] op 17 februari 2003 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd blijkt echter dat [slachtoffer] het ribstof jack droeg over de trainingsjas.

Op de onderzijde van de eerste uitlaatdemper heeft de Unit FTO een schroeivlek bestaande uit een residu van verbrand en gesmolten materiaal geconstateerd en op de uitlaatpijp direct achter de uitlaatdemper was eveneens een residu van verbrand en gesmolten materiaal aanwezig. Het NFI heeft met betrekking tot deze sporen een textiel-, een werktuigsporen- en een chemisch onderzoek verricht. Zoals blijkt uit een rapport van het NFI d.d. 21 maart 2003, waarin de bevindingen van de voornoemde onderzoeken zijn samengevat, betreft het gesmolten materiaal op de uitlaatdemper van de auto polyethyleentereftalaat (hierna: PET). Verder zijn onder andere de elementen broom, antimoon en titaandioxide aangetroffen in het gesmolten materiaal, alsmede een textielachtige structuur. De trainingsbroek van het slachtoffer is eveneens gemaakt van PET en tevens zijn daarin broom, antimoon en titaandioxide aangetroffen.

Tot slot heeft het NFI vastgesteld dat de beschadigingen in de trainingsbroek van het slachtoffer en de smeltplekken op de uitlaatdemper van de auto van verdachte overeenkomsten vertonen in onderlinge afstand, oriëntatie, contouren en enkele onregelmatigheden. Deze overeenkomsten zijn ter terechtzitting van het hof van 4 november 2003 aan de hand van foto's nader toegelicht door de betreffende deskundige, ing. M. van Beest.

Volgens het NFI komt de combinatie van de bevindingen geheel overeen met de verwachting wanneer de trainingsbroek van het slachtoffer in contact is geweest met de hete uitlaatdemper van de auto van de verdachte. De combinatie van bevindingen zou bijzonder toevallig en tegen de verwachting in zijn als een willekeurig ander voorwerp dan de trainingsbroek van het slachtoffer in contact is geweest met de hete uitlaatdemper van de auto van de verdachte.

Op grond van deze bevindingen van de Unit FTO en het NFI, in onderling verband bezien, is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte over [slachtoffer] is gereden.

Het door de verdediging geschetste scenario dat het slachtoffer tegen een boompje zou zijn gelopen geeft geen verklaring voor de hiervoor genoemde technische sporen.

Overigens heeft de behandelend orthopedisch chirurg, J. de Waal Malefijt, in een brief d.d. 20 maart 2003 aan de officier van justitie aangegeven dat het door hem geconstateerde letsel aan de wervelkolom van het slachtoffer niet past bij dit door de verdediging geschetste scenario.

De brief van J.L.J.M. van de Mortel, arts-medisch adviseur, d.d. 21 juli 2003, doet hieraan niet af, evenmin als de brief van G.J. van der Burg, klinisch fysiotherapeut, d.d. 1 maart 2003, aangezien beiden het slachtoffer niet zelf hebben onderzocht, zij geen deskundigen zijn op het gebied van de orthopedie en bovendien hun bevindingen geen verklaring geven voor de hiervoor vermelde technische sporen.

Het andere door de verdediging geschetste scenario -dat het slachtoffer mogelijk tegen een gesloten (horizontale) slagboom is gelopen die zich elders in het gebied bevond- mist iedere feitelijke ondersteuning. Daarenboven geeft ook dit scenario geen verklaring voor de genoemde technische sporen.

Hetgeen overigens op dit punt van de zijde van de verdediging is aangevoerd vindt zijn weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen en behoeft derhalve geen bespreking.

Met betrekking tot het bewijs van het opzet overweegt het hof het volgende.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat verdachte de (uitdrukkelijke) bedoeling had om [slachtoffer] te overrijden. Niettemin heeft verdachte, door met een jeep in het donker op oneffen terrein met enige snelheid achter [slachtoffer], die hij ook niet voortdurend in het zicht had, aan te rijden, waarbij verdachte niet de wegen en paden is blijven volgen maar ook door weilanden en dwars door een aantal hagen is gereden, naar het oordeel van het hof willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat achter een van die hagen zich iemand kon bevinden en dat hij die persoon zou overrijden, als gevolg waarvan de laatste had kunnen overlijden. Het hof acht derhalve het opzet -in voorwaardelijke zin- wettig en overtuigend bewezen.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45, eerst lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van poging tot doodslag onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Zowel de verdachte als de officier van justitie zijn in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis integraal zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg moet hebben gebracht bij [slachtoffer] en met de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 22 november 2002 nam het toen vijftienjarige [slachtoffer] met zijn voetbalclub in de avonduren deel aan een zogeheten dropping in Alphen.

Verdachte, die op dezelfde dag met een aantal mannen had gejaagd, hoorde op een gegeven moment dat er stropers zouden zijn op het landgoed in de bossen van Alphen. Verdachte is vervolgens met zijn jeep naar het landgoed toegereden. Daar hoorde hij dat het mogelijk geen stropers, maar inbrekers waren.

Verdachte is daarop met zijn jeep gaan rijden en toen hij een groepje personen zag rennen, is hij achter hen aan gereden, naar eigen zeggen met de bedoeling om hen staande te houden en te vragen wat zij daar deden.

Op enig moment heeft het slachtoffer zich van het groepje afgesplitst, waarna verdachte hem is blijven achtervolgen en uiteindelijk heeft overreden. Het slachtoffer heeft daardoor onder meer zeer ernstig letsel aan zijn rug opgelopen.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal is gevorderd.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend, acht het hof een gevangenisstraf van na te melden duur alleszins passend.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, ten eerste ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, ten tweede ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"Poging tot doodslag".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Huurman-van Asten, als voorzitter

Mrs. De Vries-Leemans en Rijken, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Kroes, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 november 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 02

tijd : 11.00

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1969,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw-Vosseveld te Vught.

Is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 8 april 2003 ter zake van:

primair: "Poging tot doodslag",

veroordeeld tot:

30 mnd. gev.str. wv. 6 mnd. VV met prftd. 2 jr. + MAV. + 1 jr.ontz.rijbevh.OV. + 1 jr.ontz.rijbevh.OV.