Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AN4681

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
31-10-2003
Zaaknummer
R200300390
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderhoudsplicht bij schijnhuwelijk. Geen verhaal bijstand wegens aanwezigheid dringende redenen als bedoeld in art. 92 Abw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appèl,

geïntimeerde in incidenteel appèl,

procureur mr. B.Th.H. Boomsma,

t e g e n :

de Gemeente Etten-Leur,

gevestigd te Etten-Leur,

geïntimeerde in principaal appèl,

appellante in incidenteel appèl.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de op 24 februari 2003 en 25 maart 2003 uitgesproken beschikkingen van de rechtbank te Breda. De inhoud van deze beide beschikkingen is bij partijen bekend.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 23 mei 2003, heeft de man verzocht voormelde beschikking van 24 februari 2003 en/of de herstelbeschikking van 25 maart 2003 te vernietigen en alsnog te bepalen dat de vorderingen van de gemeente aan haar ontzegd worden als zijnde ongegrond en/of onbewezen en subsidiair een zodanig bedrag vast te stellen dat de man maandelijks ter zake verhaal bijstand aan de gemeente dient te betalen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 12 juni 2003 heeft de gemeente verzocht het hoger beroep af te wijzen en/of ongegrond te verklaren en de draagkracht van appellant vast te stellen zoals door de rechtbank Breda is geschied.

Tevens heeft de gemeente hierbij incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht bij het vaststellen van de draagkracht van appellant geen rekening te houden met de vermeende aflossing ad ? 45,38 per maand aan Bankselect (voorheen Defam).

2.3. Bij verweerschrift in het incidenteel appèl, ingekomen ter griffie op 24 juli 2003, heeft de man verzocht om de gemeente Etten-Leur in haar incidentele appèl niet ontvankelijk te verklaren althans haar vordering aan haar te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de producties, overlegd bij het beroepschrift en het verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel hoger beroep.

2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2003. Bij die gelegenheid zijn appellant en zijn raadsman, alsmede de vertegenwoordiger van de gemeente gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep.

4. De beoordeling

4.1. De man is op 8 december 1998 in Suriname in het huwelijk getreden met mevrouw [X] (de vrouw).

Bij beschikking van voormelde rechtbank van 29 juni 2001 is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken, zonder dat daarbij een door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is vastgesteld.

De echtscheidingsbeschikking is op 7 augustus 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat de man en de vrouw ongeveer 31 maanden gehuwd zijn geweest.

4.2. Door de gemeente is aan de vrouw met ingang van 25 juli 2000 een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. (De vrouw heeft een zoon, die geboren is op 31 mei 1990 en die samen met haar naar Nederland is gekomen en bij haar verblijft).

4.3. Van deze bijstandsverlening is door de gemeente bij brief van 17 augustus 2000 aan de man mededeling gedaan. Tevens is in die brief aan de man verzocht opgave te doen van zijn financiële omstandigheden ter vaststelling door de gemeente van de grens van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw.

Bij brief d.d. 14 januari 2002 heeft de gemeente de man in kennis gesteld van haar besluit de aan de vrouw verleende bijstand alsnog met ingang van 25 juli 2000 op de man te verhalen tot een bedrag van ? 540,63 per maand.

Omdat de man niet tot betaling van die bijdrage bereid bleek en een minnelijke schikking weigerde heeft de gemeente bij op 13 juni 2002 ter griffie van voormelde rechtbank ingekomen brief verzocht:

- te bepalen dat de man aan de gemeente terzake van kosten van bijstand ten behoeve van zijn (gewezen) echtgenote vanaf 25 juli 2000 zal voldoen een bedrag van ? 540,63 per maand,

- ingeval van niet tijdige betaling door de man van hetgeen hij aan de gemeente verschuldigd is de man te veroordelen tot betaling ineens van de in vorenbedoelde brief vermelde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de man in verzuim is, en

- de man te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in alle buitengerechtelijke invorderingskosten volgens de tarieven van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders, voorzover de executie van de af te geven beschikking niet kosteloos ingevolge artikel 105 Algemene bijstandswet kan plaatsvinden.

4.4. In de bestreden beschikking (die is gevolgd door een herstelbeschikking d.d. 25 maart 2003) heeft de rechtbank het door de man aan de gemeente te betalen bedrag ter zake van kosten van bijstand ten behoeve van de vrouw over de periode van 25 juli 2000 tot 25 februari 2003 (zijnde een periode gelijk aan de duur van het huwelijk) vastgesteld op ? 375,-- per maand en de man veroordeeld tot betaling aan de gemeente van dat bedrag over genoemde periode.

Voor het overige is het verzoek van de gemeente afgewezen.

4.5. De man en de gemeente zijn het met deze beslissing niet eens.

4.6. De man is primair van mening dat hij niet onderhoudsplichtig is ten opzichte van de vrouw, niet alleen omdat er sprake is geweest van een schijn-huwelijk, maar ook omdat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd. (Grief 1)

Subsidiair voert de man aan dat de rechtbank het door hem met betrekking tot zijn huwelijk met de vrouw had moeten opvatten als een beroep op een dringende reden als bedoeld in artikel 92 Abw en dat hij voorzoveel nodig zijn verweer in appèl in deze zin aanvult. (Grief 2)

De derde grief van de man heeft betrekking op de duur van de onderhoudsverplichting. Zo de man al onderhoudsplichtig is jegens de vrouw is de man van mening dat deze verplichting zich dient te beperken tot de periode dat de vrouw samen met haar zoon bij de man in Nederland heeft verbleven.

In de vierde grief beklaagt de man zich over het feit dat de rechtbank bij de beoordeling van de draagkracht van de man geen rekening heeft gehouden met de aflossing op de schulden aan Wehkamp, zijn werkgever en aan Comfort Card.

In grief 5 heeft de man gesteld dat de rechtbank ten onrechte ook de financiële positie van de man niet heeft aangemerkt als een dringende reden op grond waarvan de gemeente in redelijkheid had dienen af te zien van bijstandsverhaal.

4.7. De grief van de gemeente heeft betrekking op de door de rechtbank bij de beoordeling van de draagkracht van de man in aanmerking genomen aflossing van ? 45,38 per maand aan Bankselect, voorheen Defam.

4.8. Uit hetgeen de man heeft gesteld kan worden afgeleid dat hij in 1997 met de familie van de vrouw in contact is gekomen en dat hij op initiatief van die familie op 8 december 1998 in Suriname met de vrouw is getrouwd. Op 14 december 1998 is de man alleen teruggekeerd naar Nederland, terwijl de vrouw op 6 mei 1999 naar Nederland is gekomen. Haar zoon heeft zich op 3 mei 2000 bij haar gevoegd.

De man heeft verder gesteld dat de vrouw voornamelijk in de woning van haar zuster heeft verbleven, dat hij door de vrouw en haar familie uitsluitend is gebruikt als instrument voor het verkrijgen van een geldige verblijfstitel en van inkomsten voor haar familie, dat bij de vrouw niet de intentie heeft bestaan tot het aangaan van een huwelijk, dat hij en de vrouw ook nauwelijks met elkaar communiceerden, hetgeen niet alleen een gevolg was van het feit dat de vrouw doofstom is en dat zij kan lezen, noch schrijven, en dat er niet of nauwelijks sprake is geweest van een seksuele relatie.

In een brief d.d. 12 oktober 2000 van de raadsman van de man aan de gemeente heeft de raadsman erop gewezen dat het initiatief tot het leggen van contacten is uitgegaan van de vrouw en/of haar familie, dat de man toen een willig slachtoffer was omdat hij min of meer alcoholist en het spoor bijster was en dat onder die omstandigheden niet valt in te zien waarom een persoon met een geheel andere cultuur dan de Nederlandse op een persoon als de man in zijn toenmalige toestand, verliefd wordt en korte tijd nadien trouwt.

Verder heeft de raadsman van de man erop gewezen dat binnen de familie van de vrouw meerdere malen schijnhuwelijken zijn voltrokken.

In een eerder stadium van de procedure heeft de man nog melding gemaakt van zijn voornemen een procedure tot nietigverklaring van het huwelijk aanhangig te maken, maar tot zulk een procedure is het niet gekomen omdat de man, naar hij ter zitting van het hof heeft verklaard, hoopte dat de vrouw nog bij hem zou terugkeren en hij de kans daarop niet wilde verspelen door het aanhangig maken van een procedure tot nietigverklaring van het huwelijk.

Het hof overweegt als volgt:

4.9. In zijn arrest van 1 februari 2002 (NJ 2002/171) heeft de Hoge Raad overwogen dat het wettelijk stelsel geen ruimte laat om een niet nietig verklaard huwelijk als niet rechtsgeldig aan te merken op grond dat de echtgenoten het huwelijk slechts hebben gesloten met het oog op bepaalde (rechts)gevolgen en aan het huwelijk geen verdere gevolgen wensen te verbinden. Ook een op deze basis gesloten huwelijk schept derhalve een levensgemeenschap die rechtsgrond vormt voor een onderhoudsverplichting tussen de echtgenoten, welke gemeenschap in de onderhoudsplicht haar werking behoudt ook al wordt de huwelijksband geslaakt.

Onder verwijzing naar zijn arrest van 9 februari 2001 (RvdW 2001/49) overweegt de Hoge Raad verder dat niet als juist kan worden aanvaard dat slechts een onderhoudsverplichting bestaat indien sprake is geweest van wederzijdse verzorging, van samenwonen of van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

4.10. Ook ingeval een der echtgenoten het huwelijk slechts heeft gesloten met het oog op bepaalde (rechts)gevolgen en aan het huwelijk geen verdere gevolgen wenst te verbinden, laat het wettelijk stelsel geen ruimte om een niet nietig verklaard huwelijk als niet rechtsgeldig aan te merken. Ook een op deze basis gesloten huwelijk schept derhalve een levensgemeenschap die rechtsgrond vormt voor een onderhoudsverplichting tussen de echtgenoten, welke gemeenschap in de onderhoudsplicht haar werking behoudt ook al wordt de huwelijksband geslaakt.

4.11. De man heeft gesteld dat de vrouw, nadat zij zijn woning definitief had verlaten met de heer [Y] is gaan samenleven als waren zij gehuwd. Ter toelichting hierop heeft de man aangevoerd dat de heer [Y] en de vrouw in hetzelfde huis wonen en dat de vrouw geen bijdrage voor de woonlasten betaalt. De man betwist niet de stelling van de gemeente dat de vrouw zich als woningzoekende heeft laten inschrijven en enkele malen op een woningaanbod in de Etten-Leurse Bode heeft gereageerd, maar heeft wel gesteld dat het opnieuw een schijnhandeling betreft en dat de vrouw naar alle waarschijnlijkheid al snel een woning zou hebben toegewezen gekregen (kennelijk bedoelt de man te stellen dat het dus niet nodig was om bij de heer [Y] in te trekken). De man wijst er verder op dat de vrouw zich na het verlaten van de man onmiddellijk tot de heer [Y] heeft gewend en niet tot haar familie en dat de vrouw ook geen alimentatie van de man heeft gevorderd.

4.12. In haar verweerschrift in hoger beroep heeft de gemeente gesteld dat de vrouw op 19 juli 2002 daadwerkelijk is verhuisd naar een ander adres dan dat van de heer [Y], dat de heer [Y] en de vrouw een geheel gescheiden financiële huishouding voerden en dat de heer [Y] de vrouw slechts in enkele zaken heeft bijgestaan omdat de vrouw niet kan praten, horen, lezen of schrijven. Verder heeft de gemeente erop gewezen dat in de rapportage d.d. 16 augustus 2000, welke rapportage is opgemaakt naar aanleiding van de door de vrouw ingediende verzoek tot toekenning van een (vervolgens toegekende) bijstandsuitkering, is vermeld dat de vrouw door de politie uit haar woning is gehaald in verband met het feit dat de vrouw door de man lichamelijk is mishandeld en dat de heer [Y] in augustus 2000 nog gehuwd was en dat reeds om die reden voor toepassing van artikel 1:160 BW geen plaats kan zijn.

Wat juist is kan verder in het midden worden gelaten nu de man heeft verklaard niet te kunnen bewijzen dat er sprake is van samenwoning in de zin van 1:160 BW. Ook in hoger beroep heeft de man geen bewijs aangeboden.

4.13. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht het (voort)bestaan van de onderhoudsverplichting van de man aangenomen, zodat grief 1 faalt.

4.14. De man heeft zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep beroepen op het bestaan van een dringende reden op grond waarvan de gemeente van verhaal dient af te zien.

4.15. Uit de stukken -met name de met de hand geschreven verklaring van de man d.d. maart 1997- en uit hetgeen de man ter zitting van het hof heeft verklaard, blijkt, dat de man via familie van de vrouw met de vrouw in contact is gekomen, dat hij op haar verliefd is geraakt en dat hij zich veel inspanningen heeft getroost om de vrouw en haar uit een eerdere relatie geboren kind naar Nederland te halen en hier samen met hen een nieuw bestaan in Nederland op te bouwen. Vrij snel na haar komst naar Nederland wilde de vrouw niets meer van de man weten, hetgeen voor hem een zware teleurstelling vormde en hem niet loslaat.

In dit kader is door de gemeente gesteld dat in een rapport d.d. 16 augustus 2000, opgemaakt naar aanleiding van een door de vrouw ingediend verzoek tot toekenning van een bijstandsuitkering is vermeld dat de vrouw door de politie uit haar woning is gehaald in verband met het feit dat zij door de man mishandeld is.

Nog daargelaten dat de man uitdrukkelijk heeft weersproken dat hij de vrouw heeft mishandeld, is door de gemeente niet gesteld en is evenmin gebleken dat de man met betrekking tot deze aangelegenheid door de politie is verhoord en dat een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld. Als gevolg van de moeizame relatie tussen de man en de vrouw en de daarop volgende echtscheiding is de man in psychische en financiële problemen geraakt.

4.16. De man heeft ter zitting van het hof verklaard, door de gemeente onweersproken, dat hij enige tijd met de gedachte heeft rondgelopen om zich van het leven te beroven. Op advies van zijn werkgever heeft hij zich op een gegeven moment tot het bedrijfsmaatschappelijk werk gewend, waar hij nu eenmaal per maand een gesprek heeft. Die gesprekken zijn erop gericht dat de man afstand neemt van de vrouw, hetgeen moeizaam verloopt omdat de man zich nog steeds met de vrouw verbonden voelt, haar na haar vertrek uit de woning ook nog enige tijd financieel heeft ondersteund en nog steeds af en toe contact met haar familie en haar kind heeft.

De man heeft voorts ter zitting van het hof verklaard dat hij mede als gevolg van de gang van zaken rond zijn huwelijk in zodanig ernstige financiële problemen is komen te verkeren dat hij overweegt een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling in te dienen indien hij er niet in slaagt met zijn schuldeisers een minnelijke regeling te treffen.

4.17. De verklaring van de man heeft het hof kunnen overtuigen omtrent de impact van deze zaak op zijn persoonlijk leven. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de gang van zaken rond het huwelijk voor de man een zeer zware en zijn lichamelijk en geestelijk welzijn ernstig bedreigende belasting vormt en dat de gemeente zulks had behoren op te vatten als een dringende reden als bedoeld in artikel 92 Abw.

Grief 2 van de man slaagt dus, zodat de grieven 3 en 4 van de man en de grief van de gemeente geen bespreking behoeven.

4.18. De beschikking waarvan beroep, dient dus te worden vernietigd en het verzoek van de gemeente dient alsnog te worden afgewezen.

Proceskosten.

4.19. Gelet op de aard van de procedure worden de proceskosten van dit hoger beroep gecompenseerd.

5. De beslissing

Het hof:

in het principaal appèl:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Breda van 24 februari 2003 zoals hersteld bij beschikking van 25 maart 2003, behoudens voorzover daarbij de proceskosten zijn gecompenseerd

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het verzoek van de gemeente alsnog af.

in het incidenteel appèl:

verwerpt het beroep;

in het principaal en incidenteel appèl:

compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Van Griensven en Smeets en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 oktober 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.