Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AM7927

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
C0000582-RO1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gaat hier om een verzoek tot de verwerking van gegevens als bedoeld in de Wet op de bescherming van persoonsgegevens (WBP). Art. 8 onder f van deze wet bepaalt dat zulk een verzoek kan worden ingewilligd indien het noodzakelijk is voor het dienen van een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke of een derde aan wie de gegevens worden verstrekt. Genoemde waarheidsvinding is als zulk een belang aan te merken. De noodzaak tot het dienen van dit belang is in deze fase waarin niet bekend is wat ieder van de getuigen kan verklaren niet onaannemelijk te achten en wordt daarom aangenomen. Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken werknemer prevaleert in dit geval niet, al daarom niet omdat het om gegevens gaat (naam, adres, woonplaats) die ook zijn opgenomen in het openbaar register van de gemeentelijke basisadministratie. Verstrekking van deze gegevens door Grodan aan Jongerius is derhalve in overeenstemming met art. 8 WBP.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 77
WBP 2009/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SK

rolnr. C0000582/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 14 oktober 2003,

gewezen in het incident betreffende een provisionele vordering in de zaak van :

de besloten vennootschap PLANTENKWEKERIJ JONGERIUS HOUTEN BV,

gevestigd te Houten,

appellante,

eiseres in het incident,

procureur: mr P.C.M. van de Ven,

t e g e n:

de besloten vennootschap ROCKWOOL-GRODAN BV,

gevestigd te Roermond,

geïntimeerde,

verweerster in het incident,

procureur: mr E.H.H. Schelhaas,

op het bij exploot van dagvaarding d.d. 4 april 2000 ingeleide hoger beroep van het onder nummer 27906/HAZA 98-641 gewezen vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond d.d. 6 januari 2000 tussen geïntimeerde, verweerster in het incident, - hierna: Grodan - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en appellante, eiseres in het incident - hierna: Jongerius - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1. Het geding in het incident

Jongerius heeft onder overlegging van producties bij memorie houdende incidentele vorderingen ex art. 223 Rv. d.d. 13 mei 2003 tot, kort gezegd, de veroordeling van Grodan bij voorraad uitvoerbaar, om stukken in het geding te brengen en gegevens aan haar bekend te maken. Grodan heeft deze vordering bij memorie van antwoord in de incidentele vordering ex art. 223 Rv. bestreden.

Partijen hebben vervolgens uitspraak in het incident verzocht.

2. De vordering en het verweer

2.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Grodan, een producent van onder meer steenwolpotten, heeft in de jaren 1995 en 1996 deze producten geleverd aan Jongerius, een kweker die zich in het bijzonder richt op het kweken van plantmateriaal uit zaden ten behoeve van andere kwekers. Jongerius gebruikte deze potten voor het in cultuur brengen van deze zaden. In 1996 traden gebreken op aan door Jongerius in deze potten gekweekte planten. Met name werd in deze planten een dikke wortelproblematiek geconstateerd. Jongerius weet deze feilen aan de ondeugdelijkheid van door Grodan vervaardigde en geleverde steenwolpotten. Om deze reden weigerde Jongerius de betaling van haar door Grodan toegezonden facturen ter zake deze leveringen. Die weigering en de door Jongerius door het gebrekkige plantmateriaal geleden schade leidden tot het geschil in de hoofdzaak. Grodan vorderde namelijk in conventie de betaling van openstaande facturen, Jongerius in reconventie de terugbetaling van reeds betaalde facturen, ontbinding van de betreffende overeenkomsten en vergoeding van schade. Nadat de rechtbank Grodan zowel in conventie als reconventie in het gelijk had gesteld, heeft dit hof bij tussenarrest d.d. 22 januari 2002 voorlopig geoordeeld dat bewezen is dat (hoedanigheden van) de steenwolpotten de gebreken aan de planten veroorzaakt hebben. In verband met dit oordeel heeft het hof Grodan toegelaten tot tegenbewijs en om bewijs van door haar gestelde andere oorzaken van de gebreken aan de planten te leveren. Thans is de hoofdzaak gevorderd tot de op dit interlocutoor arrest gebaseerde getuigenverhoren.

2.2. Het hof heeft zijn voorlopig oordeel gegrond op rapporten en brieven van de deskundigen [deskundige 1] van oktober en 2 november 2000 en van [deskundige 2] (ov. 4.6.); een brief van [deskundige 3] (ov. 4.8. onder 4), een rapport van NAK Tuinbouw d.d. 11 november 2001 (ov. 4.8. onder 5) alsmede het TNO-rapport V 3444 d.d. 5 maart 2001 (ov. 4.9. onder 1), de verklaring van [deskundige 4] (ov. 4.9. onder 3).

2.3. Jongerius vordert bij wege van provisionele

voorziening de overlegging van:

1. de bijlagen bij een interne memo van en aan medewerkers van Grodan (memorie in het incident 12)

2. het TNO-rapport V 97.950 d.d. 30 januari 1998 alsmede de daarbij behorende bijlagen en referenties (memorie in het incident 13)

3. bijlagen 1,2 en 3 bij het reeds bij pleidooi van 2 december 1999 (prod. 4) overgelegde TNO-rapport V97 925 d.d. 27 oktober 1997; bijlagen bij rapporten Intron, Haskoning en de overige rapporten (memorie in het incident 14)

4. referenties en bijlagen bij het TNO-rapport V 3446 d.d. 17 oktober 2001 waaronder de volgens 9.2. van de index beschikbaar gestelde documentatie (memorie in het incident 15 en 26).

Jongerius vordert voorts de mededeling van naam, adres en woonplaats van de medewerkers van Grodan, [medewerker 1], algemeen direkteur, [werknemer 2], [werknemer 3] alsmede van "HA-W".

2.4. Jongerius baseert deze vorderingen primair op de tussen partijen gesloten geheimhoudingsovereenkomst d.d. 20 september 1995 en subsidiair op art. 843a Rv., nieuw, althans oud.

Grodan bestrijdt de vorderingen met een betwisting van de geldigheid en reikwijdte van de genoemde overeenkomst, de onbepaaldheid van de vorderingen, het ontbreken van belang bij de vorderingen en de beperkte strekking van art. 843a Rv.

3. De beoordeling

3.1. Het hof oordeelt de op de eerste plaats aangevoerde grondslag van de geheimhoudingsovereenkomst voor de gepretendeerde vordering tot het in het geding brengen ondeugdelijk. Weliswaar hebben partijen bij die overeenkomst elkaar toegezegd openheid te zullen betrachten met betrekking tot kennis en ervaring op het gebied van de problematiek van wortelverdikking, maar alleen voor zover nodig en passend in het kader van die overeenkomst. De overeenkomst bevat de verplichting voor Grodan om onderzoek naar de oorzaak van deze problematiek in te stellen en op te dragen en informatie en de resultaten aan de contractspartij ter beschikking te stellen. De te beoordelen vordering betreft echter niet zulk een onderzoekopdracht maar een bewijsvraag in een civiel geding. Over dit laatste zijn tussen partijen geen afspraken gemaakt. In verband met dit oordeel zal het hof niet onderzoeken welke de effecten zijn van de ontbinding, terugtrekking van die ontbinding en daarop gevolgde gedeeltelijk ontbinding van de overeenkomst door Jongerius.

3.2. Ten aanzien van de in art. 843a Rv. genoemde en ingeroepen grondslag geldt als uitgangspunt dat nu het onderhavige hoger beroep vóór 1 januari 2002 aanhangig is gemaakt het voor die datum geldende procesrecht en dus art. 843a oud van toepassing is. Toepassing van het sedert genoemde datum geldende procesrecht zou overigens niet tot andere oordelen leiden dan hierna wordt overwogen.

3.3. Met betrekking tot de gevorderde bescheiden onder 1 (bijlagen bij een intern memo binnen de onderneming van Grodan) geldt dat dit onderdeel van de vordering reeds dient te worden afgewezen aangezien het hier kennelijk gaat om stukken betreffende afwegingen tussen bedrijfsgenoten ter voorbereiding van de verdediging naar aanleiding van de aansprakelijkheidstelling door Jongerius. Geen van deze bijlagen heeft kennelijk enige externe dienst gedaan. Iedere partij heeft een eigen recht om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden.

3.4. Art. 843a Rv oud verlangt niet alleen een rechtmatig belang bij degene die afgifte van een document vordert maar ook dat het hier gaat om een akte aangaande een rechtsbetrekking waarin zij partij is.

3.5. Jongerius stelt dat zij de gevraagde stukken behoeft ter voorbereiding van de aanstaande contra-enquête aan haar zijde naar aanleiding van de bewijsopdracht aan Grodan. Zij heeft daarmee het belang dat zij tegenover het aan Grodan opgedragen tegenbewijs dat laatstgenoemde thans doende is te leveren van haar zijde bewijs van het tegendeel kan en wil leveren. Aan het eerste vereiste voor haar aanspraak, te weten dat van een rechtmatig belang, heeft Jongerius dan ook in beginsel voldaan.

3.6. Met betrekking tot de onder 2.3. sub 2, 3 en 4 genoemde en gevorderde documenten heeft Jongerius echter noch kenbaar gemaakt welk haar concreet belang bij de overlegging van elk ervan is - welk verband met welk bewijsthema - noch heeft zij aangegeven welk onderdeel als een akte aangaande een rechtsbetrekking waarbij zij partij is kan worden aangemerkt. Evenmin heeft Jongerius van een van de opgevraagde bescheiden aangegeven dat deze betrekking heeft op de leverantie van de steenwolpotten door Grodan aan haar. Onder al deze omstandigheden wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen.

3.7. Dit geldt ook voor de onder 9.2. inhoudsopgave van het TNO-rapport V 3446 vermelde Documentatie. Bij de vordering tot overlegging hiervan heeft Jongerius noch een direct en concreet belang noch het bestaan van een relevante rechtsbetrekking aangegeven en aannemelijk gemaakt. Het gaat hier om aan TNO aangeboden geschriften waarvan de inhoud in het TNO-onderzoek is beoordeeld (zie 3.4. TNO-rapport).

3.8. Inzake de vordering tot het verstrekken van persoonsgegevens van enige werknemers teneinde deze als getuigen te kunnen oproepen geldt het volgende. De verklaring van een getuige kan een bijdrage leveren aan de waarheidsvinding in een civiel geding. Die waarheidsvinding kan een gerechtvaardigd belang zijn tot het verzoeken en verstrekken van bedoelde persoonsgegevens. Of dat belang bij de verklaring van een concrete getuige aanwezig is, is niet bij voorbaat door de rechter te beoordelen.

Het gaat hier om een verzoek tot de verwerking van gegevens als bedoeld in de Wet op de bescherming van persoonsgegevens van 6 juli 2000, Stb 302 (WBP). Art. 8 onder f van deze wet bepaalt dat zulk een verzoek kan worden ingewilligd indien het noodzakelijk is voor het dienen van een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke of een derde aan wie de gegevens worden verstrekt. Genoemde waarheidsvinding is als zulk een belang aan te merken. De noodzaak tot het dienen van dit belang is in deze fase waarin niet bekend is wat ieder van de getuigen kan verklaren niet onaannemelijk te achten en wordt daarom aangenomen. Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken werknemer prevaleert in dit geval niet, al daarom niet omdat het om gegevens gaat (naam, adres, woonplaats) die ook zijn opgenomen in het openbaar register van de gemeentelijke basisadministratie. Verstrekking van deze gegevens door Grodan aan Jongerius is derhalve in overeenstemming met art. 8 WBP.

Het hof is van oordeel dat Grodan tot verstrekking van deze gegevens aan Jongerius ook verplicht is, nu ook voor partijen in het onderhavige geding geldt dat zij tegenover elkaar verplicht zijn onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen. Deze verplichting is thans opgenomen in art. 20, lid 2 Rv. welk voorschrift het hof - zo nodig - anticiperend toepast. Dit onderdeel van het verzoek zal daarom worden toegewezen.

3.9. Nu Jongerius voor een deel in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof de proceskosten van dit incident compenseren zoals in het dictum is vermeld.

4. De uitspraak

Het hof:

1. wijst de vordering tot het in kopie verstrekken van stukken af;

2. veroordeelt Grodan aan Jongerius te verstrekken de laatst bekende naam, adres en woonplaatsgegevens van [werknemer 1], [werknemer 2], [werknemer 3] en "HA-W" binnen vier weken na betekening van dit arrest op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5000,- per dag of gedeelte daarvan dat Grodan in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

3. verklaart dit arrest bij voorraad uitvoerbaar;

4. compenseert de kosten van dit incident tussen partijen, aldus dat elk van partijen de kosten draagt;

5. wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs Bod, De Kok en Huijbers-Koopman en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 oktober 2003.