Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AM7793

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-08-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
KG C0300126-BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen, ex-echtelieden, verschillen van mening over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden waarin zij gehuwd zijn geweest. Daarover loopt een bodemprocedure. In die bodemprocedure vordert de vrouw primair de helft van het totale vermogen van partijen (..) en subsidiair de helft van de vermogenstoename inhoudend het eindvermogen per 5 maart 1999 verminderd met het beginvermogen per 15 mei 1987. In de onderhavige kort-gedingprocedure heeft de vrouw in eerste aanleg een voorschot gevorderd van € 100.000,-- op hetgeen haar uit hoofde van de verdeling tussen partijen van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2003, 236
FJR 2004, 49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. LG

rolnr. KG C0300126/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 26 augustus 2003,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT, hierna: de man],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel bij exploot van

dagvaarding van 14 januari 2003,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE, hierna: de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel bij gemeld

exploot,

incidenteel appellante,

procureur: mr. G.B.J.M. Janssens,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda onder zaaknummer 114502/KG ZA 02-627 in kort geding gewezen vonnis van 18 december 2002 tussen [geïntimeerde] voornoemd (verder te noemen: de vrouw) als eiseres en [appellant] voornoemd (verder te noemen: de man) als gedaagde in kort geding.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 114502/KG ZA 02-627

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, waarvan beroep.

2. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding in hoger beroep en "conclusie van eis" in hoger beroep, tevens houdende rectificatie, heeft [appellant], de man, onder aanvoering van 13 grieven geconcludeerd dat het hof het vonnis, op 18 december 2002 onder zaaknummer/rolnummer 114502/KG ZA 02-627 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda gewezen, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw alsnog in haar vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, voorts de vrouw zal veroordelen tot terugbetaling aan de man van al hetgeen de man op grond van het vonnis a quo aan de vrouw mocht hebben betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door de man tot de dag der terugbetaling door de vrouw, en tenslotte de vrouw zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties (later door hem gewijzigd in: met compensatie van kosten).

Voorts heeft de man een groot aantal producties overgelegd.

De vrouw heeft bij memorie van antwoord, tevens memorie in incidenteel appel, de grieven van de man bestreden en geconcludeerd dat het hof het aangevallen vonnis van de voorzieningenrechter te Breda zal bekrachtigen voorzover dat vonnis ziet op de toewijzing van een voorschot van

€ 50.000,--; harerzijds heeft zij, onder aanvoering van één grief, tegen dat vonnis incidenteel appel ingesteld en concludeert zij daarbij dat het hof bedoeld vonnis zal vernietigen voorzover de voorzieningenrechter heeft bepaald dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de man zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft de man tegen de grief van de vrouw verweer gevoerd en concludeert hij dat het hof bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar incidenteel appel niet ontvankelijk zal verklaren, althans haar dit zal ontzeggen, kosten rechtens.

Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van de man in het principaal appel luiden als volgt:

Grief 1

Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter dat toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts kan plaatsvinden wanneer met grote mate van zekerheid vast staat dat de vordering in de bodemprocedure kan van slagen heeft.

Grief 2

Ten onrechte acht de voorzieningenrechter het voorshands aannemelijk dat overwegingen zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank te Breda de dato 20 november 2001, die ertoe hebben geleid dat naar het oordeel van de rechtbank te Breda de vermogensvermeerdering, die gedurende het huwelijk in de eenmanszaak van de man is opgetreden, de waardevermeerdering van de echtelijke woning, alsmede het opgebouwde vermogen en de verzekeringen die door de man zijn gesloten na het aangaan van het huwelijk, verrekend dienen te worden, stand zullen houden in hoger beroep.

Grief 3

Ten onrechte oordeelt de voorzieningenrechter dat de door de rechtbank ingenomen standpunten niet in strijd zijn met de Wet verrekenbedingen, die op 1 september 2001 in werking is getreden of de relevante jurisprudentie.

Grief 4

Ten onrechte leidt de voorzieningenrechter uit de Wet verrekenbedingen en jurisprudentie af, dat een verrekenbeding tot doel heeft om te bewerkstelligen dat de echtgenoten naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in gelijke mate delen in de tijdens het huwelijk ontvangen inkomsten.

Grief 5

Ten onrechte oordeelt de voorzieningenrechter dat iedere vermogensvermeerdering die gedurende het huwelijk in de eenmanszaak van de man is opgetreden, naar de normen die in het maatschappelijk verkeer aanvaardbaar worden geacht, kan worden aangemerkt als winst uit het door hem uitgeoefende vrije beroep en daarmee als voor verdeling in aanmerking komend vermogen.

Grief 6

Ten onrechte wordt door de voorzieningenrechter op grond van art. 1:136 lid 1 B.W. de waardevermeerdering van de woning tot de te verrekenen inkomsten gerekend.

Grief 7

Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter dat met betrekking tot de polissen sprake is van overgespaard inkomen, dat is besteed aan vermogensopbouw van een van de echtgenoten, zodat verrekening mogelijk moet worden geacht.

Grief 8

Ten onrechte oordeelt de voorzieningenrechter dat de vrouw als mede-gerechtigde tot een te verrekenen boedel een spoedeisend belang heeft bij een voorziening die de bestaande situatie, waarbij de man bij uitsluiting over de gehele te verrekenen boedel beschikt, kan doorbreken en een afwikkeling van de verdeling kan bespoedigen.

Grief 9

Ten onrechte acht de voorzieningenrechter het onaannemelijk dat de man over onvoldoende liquide middelen beschikt dan wel kan beschikken.

Grief 10

Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat in dit geval de man gehouden is om zonodig, vooruitlopend op de definitieve afwikkeling mee te werken aan een partiële verdeling.

Grief 11

Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter dat de beoordeling van het restitutierisico achterwege kan blijven omdat voldoende aannemelijk is geworden dat aan de vrouw bij de uiteindelijke verdeling een bedrag zal worden toegekend dat aanzienlijk hoger zal zijn dan het door de man beoogde bedrag.

Grief 12

Ten onrechte acht de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw tot betaling van een voorschot toewijsbaar tot een bedrag van € 50.000,--.

Grief 13

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter de man veroordeeld om binnen drie weken na betekening van het vonnis in kort geding tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw een voorschot op het haar toekomende uit hoofde van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te voldoen van € 50.000,--.

In het incidenteel appel beklaagt de vrouw zich er in haar enige grief over dat de voorzieningenrechter - naar de mening van de vrouw ten onrechte - de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) heeft gecompenseerd.

4. De beoordeling

4.1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

4.2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten, zoals door de voorzieningenrechter opgenomen onder 3.1 van het kort-gedingvonnis van 18 december 2002, zijn geen grieven aangevoerd, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4.3. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Partijen, ex-echtelieden, verschillen van mening over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden waarin zij gehuwd zijn geweest. Daarover loopt een bodemprocedure. In die bodemprocedure vordert de vrouw primair de helft van het totale vermogen van partijen, berekend naar de vermogenswaarde per 5 maart 1999, te vermeerderen met de wettelijke rente, en subsidiair de helft van de vermogenstoename inhoudend het eindvermogen per 5 maart 1999 verminderd met het beginvermogen per 15 mei 1987, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In de onderhavige kort-gedingprocedure heeft de vrouw in eerste aanleg een voorschot gevorderd van € 100.000,-- op hetgeen haar uit hoofde van de verdeling tussen partijen van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap toekomt, subsidiair een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

Volgens de vrouw dient - omdat naar zij stelt tijdens het huwelijk nimmer uitvoering is gegeven aan art. 11 van de huwelijkse voorwaarden, een zgn. "Amsterdams verrekenbeding", dat luidt:

"Artikel 11:

Indien na afloop van een kalenderjaar blijkt, dat een gedeelte van de inkomsten der echtgenoten niet is besteed of alsnog moet worden besteed ter bestrijding van de in artikel 7 bedoelde kosten over dat jaar, dan zal ieder der echtgenoten kunnen vorderen, dat de afrekening plaats heeft op zodanige wijze, dat ieder hunner de helft van de som van hun bedoelde overgespaarde inkomsten ontvangt.

(.............................) De echtgenoten zijn verplicht elkaar desverlangd volledige gegevens te verschaffen omtrent de genoten inkomsten en de daaruit betaalde in artikel 7 bedoelde kosten. De uitkering waartoe de ene echtgenoot krachtens deze verrekening jegens de andere gehouden is, geschiedt in geld en is onmiddellijk opeisbaar, tenzij door partijen dienaangaande bij de afrekening een andere regeling wordt getroffen."

- thans, bij het einde van het huwelijk, de vermogensvermeerdering ontstaan uit belegging van hetgeen uit inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld is gebleven, in de verdeling te worden betrokken, en komen ingevolge de verrekeningsbepalingen tussen partijen in ieder geval de volgende vermogensbestanddelen voor verrekening in aanmerking:

- de waarde van de echtelijke woning te [woonplaats];

- de hypotheekschuld op die woning;

- opgepotte winsten in de (eenmans-)onderneming van de man, zijnde een tandartsenpraktijk;

- de waarde van een tiental verzekeringspolissen.

Zij schat dat zij recht heeft op een bedrag van tussen de € 150.000,-- en € 250.000,--, en verlangt daarop een voorschot.

Nadat de man daartegen verweer gevoerd had heeft de voorzieningenrechter bij het vonnis van 18 december 2002, waarvan beroep, de man veroordeeld om binnen drie weken na de betekening van dat vonnis aan de vrouw als voorschot te voldoen een bedrag van € 50.000,--, met compensatie van de kosten van het geding, een en ander uitvoerbaar bij voorraad, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

De man is tegen dat kort-gedingvonnis in beroep gekomen, (wederom) stellende dat de huwelijkse voorwaarden van partijen in feite koude uitsluiting van gemeenschap van goederen inhouden, en dat het daarin opgenomen Amsterdamse verrekenbeding uitsluitend leidt (voor de vouw) tot verrekening van de waarde van één levensverzekeringspolis.

Voorts is de man van mening dat het kort-gedingvonnis op een kennelijke misslag berust en voert hij aan dat hij niet in staat is binnen drie weken na betekening een voorschot van € 50.000,-- aan de vrouw te voldoen.

De vrouw heeft de grieven van de man en hetgeen hij in hoger beroep heeft betoogd gemotiveerd bestreden.

In het principaal appel:

4.4. Vooropgesteld zij, dat op zichzelf door de man niet wordt betwist het uitgangspunt van de vrouw dat er bij gelegenheid van het einde van het huwelijk verrekend dient te worden indien en voorzover vermogensbestanddelen van partijen dan wel één van hen beantwoorden aan de in de huwelijkse voorwaarden ten aanzien van verrekening opgenomen bepalingen.

Volgens de vrouw gaat het hierbij - globaal gesproken - om

= de (over)waarde van de echtelijke woning onder aftrek van de daarop rustende hypotheek;

= opgepotte winsten van de man in zijn praktijk/de waarde van de vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de onderneming (tandartsenpraktijk) van de man;

= de waarde van de ten processe genoemde verzekeringspolissen.

De man erkent dat al deze vermogensbestanddelen voorhanden zijn, doch betwist - met één uitzondering, te weten de DIN-polis met polisnummer [polisnummer], afgesloten bij de [verzekeringsmaatschappij] - dat daarvan verrekening dient plaats te vinden.

Nu de vrouw, afgezien van de proceskosten, in appel bekrachtiging van het kort-gedingvonnis van 18 december 2002 vraagt, gaat het thans tussen partijen om een verlangd voorschot van € 50.000,--.

4.5. De man stelt in zijn memorie van grieven, dat het kort-gedingvonnis berust op een kennelijke misslag. Aangezien iedere toelichting van de man ontbreekt, waarin die "kennelijke misslag" zou zijn gelegen, gaat het hof aan die bewering van de man als onvoldoende onderbouwd voorbij, en gaat het hof over tot bespreking van de afzonderlijke grieven.

4.6. ad grief 1

Terecht heeft de voorzieningenrechter tot uitgangspunt genomen dat toewijzing in kort geding van een geldvordering slechts kan plaatsvinden wanneer met grote mate van zekerheid vaststaat dat de vordering in de bodemprocedure kan van slagen heeft. In zoverre faalt de eerste grief van de man.

De man erkent dat de vordering in dit kort geding van de vrouw een geldvordering is. Hij is echter van mening dat het vragen van een voorschot in deze gezien moet worden als een partiële verdeling, en dat partiële verdeling niet kan worden afgedwongen omdat daarvoor, aldus de man, geen gewichtige redenen aanwezig zijn.

Of, in dit stadium, (tevens) gesproken zou kunnen worden van partiële verdeling ontneemt naar het oordeel van het hof aan de vordering van de vrouw niet het karakter van geldvordering. Het hof stelt voorts vast, dat art. 11 der huwelijkse voorwaarden bovendien bepaalt dat de uitkering krachtens verrekening geschiedt in geld (tenzij door partijen bij afrekening een andere regeling wordt getroffen).

Nu blijkens de stellingen over en weer in deze kort-gedingprocedure van enige "andere tussen partijen getroffen regeling" geen sprake is, heeft de vrouw derhalve, voorzover verrekening dient plaats te vinden en een voorschot passend zou zijn, correct - immers in overeenstemming met hetgeen de huwelijkse voorwaarden op dit punt bepalen - een geldvordering ingesteld.

Ook in dit opzicht faalt dus grief 1 van de man.

Op de kwesties van al dan niet partiële verdeling, en wat er wel en niet gerekend moet worden te behoren tot de te verrekenen (dan wel te verdelen) vermogensbestanddelen, en het (ontbreken van) spoedeisend belang van de vrouw, komt het hof hierna terug bij de behandeling van de verdere grieven.

4.7. ad grief 8

Voor de aard van deze procedure is ten deze (tevens), als uitgangspunt, van belang de spoedeisendheid.

Het hof is, met de voorzieningenrechter, van oordeel dat er, gelet op de door de man tot dusverre jegens de vrouw ingenomen houding en standpunten, die de vrouw geen enkel uitzicht bieden op een definitieve afdoening binnen afzienbare termijn, in een situatie als deze waarin de man over nagenoeg alle vermogensbestanddelen beschikt, voldoende spoedeisend belang van de vrouw aanwezig is. Dat de man, gelijk hij stelt, de alimentatiebijdragen voldoet maakt dat niet anders. Grief 8 moet dus eveneens worden verworpen.

4.8. verder ad grief 1 (slot), grief 2, grief 5, grief 6 en grief 7

Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Aan het slot van de eerste grief van de man, en voorts in de tweede grief, komt de kwestie aan de orde of de vordering in de bodemprocedure kans van slagen heeft.

Door de man is niet betwist, dat partijen bij het aangaan van het huwelijk niet of nauwelijks over inbreng of vermogen van enige betekenis beschikten, zodat ervan uitgegaan moet worden dat (nagenoeg) alle ten processe bedoelde inkomsten en vermogen gedurende het huwelijk zijn verworven. Onweersproken is dat zij niet zijn verkregen door erfenis of schenking.

De aankoop van de onroerende zaken is, naar het hof begrijpt, destijds nagenoeg ten volle gefinancierd met geleend geld.

Dat laatste geldt echter niet voor de lijfrentes en levensverzekeringen en overige vermogensbestanddelen, zodat in ieder geval de vermogensopbouw en toename daarvan naar het oordeel van het hof geacht kan worden te zijn verworven met overgespaard inkomen en (her)belegging daarvan.

In het voetspoor van de rechtspraak van de Hoge Raad (in zaken zoals te vinden in NJ 1996,486; NJ 1997,581; NJ 1998,883; NJ 2001,583) is alleszins aannemelijk dat in casu verrekening van de verdere vermogensbestanddelen, met inbegrip van de waardevermeerdering van die bestanddelen, dient plaats te vinden.

Een kort-gedingprocedure leent zich niet voor een diepgaand onderzoek naar alle feiten en omstandigheden die hier voor de beoordeling ten gronde van belang kunnen zijn, en de redelijkheid en billijkheid die tussen partijen in acht genomen moeten ten aanzien van de definitieve afwikkeling. Niet op voorhand kan thans reeds geoordeeld worden, dat de door de man in appel tegen het vonnis van de rechtbank te Breda d.d. 10 december 2002 in de bodemprocedure aangevoerde grieven met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zullen slagen.

Mitsdien moeten in dit stadium de grief 1 (slot), almede de grieven 5, 6 en 7 van de man worden verworpen, evenals grief 2 voorzover die grief die andere vermogensbestanddelen betreft.

Dat [adviseur man], adviseur van de man, over deze onderwerpen zijn eigen opvattingen heeft maakt dat niet anders, temeer waar in rechtspraak en literatuur van velerlei beschouwingen met uiteenlopende visies sprake is. Mede gelet op de aard van de kort-gedingprocedure - de man verliest uit het oog dat de voorzieningenrechter in het kader van zijn afweging tot een voorlopig oordeel komt, en voor de motivering daarvan minder strenge eisen gelden - verwijt de man de voorzieningenrechter ten onrechte dat deze (volgens de man) niet is ingegaan op de door [adviseur man] aan de man verstrekte adviezen en beschouwingen.

4.9. ad grief 3 en grief 4

Anders dan de man meent, geldt blijkens de literatuur bij een Amsterdams verrekenbeding wel degelijk als uitgangspunt, dat door (periodieke) verrekening de onverteerde/bespaarde inkomsten tussen de echtgenoten worden verrekend (verdeeld). Daarvan gaat ook art. 1:141 B.W. uit. Grief 4 faalt dus.

Uiteraard kunnen zich situaties voordoen waarin het niet gemakkelijk is te onderscheiden waar bestedingen als kosten/besteding in verband met de huishouding zijn gedaan, dan wel in feite c.q. in redelijkheid als onverteerd inkomen moesten worden beschouwd. Met name kan het naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet zo zijn dat, indien de man door stelselmatig de verrekening waartoe de huwelijkse voorwaarden hem verplichtten achterwege te laten en de daardoor bespaarde inkomsten te beleggen in tal van lijfrentes en levensverzekeringen (voor hemzelf, te eigen behoeve), zulks ertoe leidt dat bij het tot uitkering komen daarvan binnen een beperkt aantal jaren, alle op deze wijze gedurende het huwelijk uit die bespaarde inkomsten opgebouwde financiële reserves en vermogen uitsluitend aan hem toekomen.

Nu de wetgever er in de Wet verrekenbedingen van heeft afgezien de begrippen inkomen en vermogen in de regeling te omschrijven, evenals de schulden welke daarop in mindering (moeten) komen in verband met de verwerving van die inkomsten en dat vermogen, hangt de uitwerking en beoordeling daarvan af van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, en de uitlegging daarvan met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid tussen de echtgenoten. Deze kan van geval tot geval verschillen, zodat niet thans reeds op enige eindbeslissing in de bodemprocedure vooruitgelopen kan worden, en bepaald niet - zoals de man wenst - op voorhand reeds gezegd kan worden dat de door de rechtbank ingenomen standpunten in strijd zouden zijn met de nieuwe wet.

Ook grief 3 van de man moet van de hand gewezen worden.

4.10. ad grieven 9 tot en met 12

Ook deze grieven falen.

Het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter, dat de vrouw waarschijnlijk een groter bedrag toekomt dan het bedrag van niet meer dan enige duizenden Euro's dat de man voor ogen staat. Een bedrag van tenminste € 50.000,-- komt het hof geenszins onwaarschijnlijk voor, en ook het hof is in dit stadium van oordeel dat de man zeer wel in staat moet worden geacht binnen afzienbare tijd een voorschot van zo'n € 50.000,-- vrij te maken uit het niet onaanzienlijke vermogen waarover momenteel uitsluitend hij het beheer en de beschikking heeft. De man betwist niet, dat de voormalige echtelijke woning, die blijkens eerdere taxatie een grote overwaarde heeft, verkocht zou kunnen worden of extra verhypothekeerd, en dat er verzekeringspolissen zijn die afgekocht dan wel verpand kunnen worden.

De man beroept zich ten aanzien van die polissen op mogelijke kapitaalvernietiging, en ten aanzien van de voormalige echtelijke woning op de tijdsduur die verkoop gebruikelijke in beslag neemt.

Dat betoog overtuigt het hof niet: niet alleen heeft de man, gelet op de duur van de echtscheidingsprocedure, reeds een aantal jaren (in ieder geval vanaf voorjaar 1999 toen de echtscheiding werd uitgesproken) de serieuze mogelijkheid onder ogen moeten en kunnen zien, dat er (enige vorm van) eindafrekening zou moeten plaatsvinden en had het op zijn weg gelegen daartoe tijdig voorzieningen te treffen, doch bovendien kan het feit, dat hij zulks achterwege heeft gelaten, niet aan de vrouw verweten worden.

Grief 9 en grief 11 wijst het hof dus af. Het betoog van de man terzake van restitutierisico kan daarmede buiten beschouwing blijven.

Ook op de detaillering die de man blijkens zijn toelichting op grief 12 zou wensen, behoeft in dit stadium niet te worden ingegaan: voor precieze vaststelling en het onderzoek dat daartoe nodig is, leent de kort-gedingprocedure zich niet. Daartoe zal de man (die overigens in zijn memorie van grieven reeds aangekondigd heeft dat hij - ook - tegen de vonnissen van de rechtbank te Breda van 20 november 2001 en 17 december 2002 in beroep zou gaan) de eindbeslissing in de bodemprocedure moeten afwachten.

Ook grief 12 moet daarom worden verworpen.

Dan resteren de grieven 10 en 13.

Aan de man kan worden toegegeven, dat in eerste aanleg zijdens de vrouw werd gesproken over "verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap" en door de voorzieningenrechter over eventuele "partiële verdeling". Het hof gaat ervan uit, dat beoogd wordt verrekening van hetgeen gedurende en bij het einde van het huwelijk verrekend had behoren te worden c.q. finale afrekening.

De huwelijkse voorwaarden van partijen kennen (slechts) gemeenschap van inboedel, geen verderstrekkende huwelijksgoederengemeenschap. In zoverre slagen deze grieven van de man. Dat kan de man echter in dit stadium niet baten, omdat zulks het hof niet tot een andere uitspraak voert dan die van de voorzieningenrechter.

Voorzover de voorzieningenrechter heeft overwogen, dat de man in redelijkheid en billijkheid zonodig, vooruitlopend op de definitieve afwikkeling, zou moeten meewerken aan een partiële verdeling, kan dit ook begrepen worden als: het thans reeds liquide/te gelde maken van een of enkele vermogensbestanddelen, teneinde uit die opbrengst aan de vrouw een voorschot in geld uit te keren. In zoverre past/vult het hof de gronden van de beslissing van de voorzieningenrechter aan. Als gezegd zijn er voor dat liquide/te gelde maken diverse mogelijkheden voorhanden, en is een voorschot in geld ook in overeenstemming met de huwelijkse voorwaarden, die spreken over uitkering in geld.

4.11. Geen van de grieven van de man voert derhalve tot vernietiging van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in eerste aanleg.

In het incidenteel appel:

4.12. Het hof ziet geen grond de man - uitsluitend de man - in de kosten te veroordelen, in afwijking van de gebruikelijke compensatie van proceskosten tussen (ex-)echtelieden. De vrouw beklaagt zich over de bij de hoogte van de vordering toegepaste tarieven; het is echter de keuze van de vrouw geweest in eerste aanleg een vordering ter hoogte van (primair) € 100.000,-- in te stellen, die maar ten dele werd toegewezen.

In het principaal en het incidenteel appel tenslotte:

4.13. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep over en weer moet worden afgewezen, en dat het in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter te Breda van

18 december 2002, onder aanvulling/verbetering van gronden zoals hiervóór overwogen, moet worden bekrachtigd, met compensatie van de proceskosten ook in hoger beroep, zodat als volgt moet worden beslist:

5. De beslissing

Het hof,

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep, onder aanvulling/verbetering van gronden zoals in dit arrest overwogen;

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Etten, voorzitter, mr. Den Hartog Jager en mr. De Klerk-Leenen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 augustus 2003.