Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AM3088

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2003
Datum publicatie
24-10-2003
Zaaknummer
R200300287 en 200300290
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening behoefte vrouw. Extrapolatie tabel eigen aandeel kosten van kinderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep, bekend onder rekestnummer R200300287, van:

[de vrouw],

wonende te [X],

appellante,

procureur mr. J.J.M. Cliteur,

t e g e n :

[de man],

wonende te [Y],

geïntimeerde,

procureur mr. N.J.W.M. de Leeuw,

en in de zaak in hoger beroep, bekend onder rekestnummer R200300290, van:

[de man],

wonende te [Y],

appellant,

procureur mr. N.J.W.M. de Leeuw,

t e g e n :

[de vrouw],

wonende te [X],

geïntimeerde,

procureur mr. J.J.M. Cliteur.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Maastricht van 15 januari 2003, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

In de zaak bekend onder rekestnummer R200300287:

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 14 april 2003, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van ? 1.800,= per maand. Kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 mei 2003, heeft de man verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen en voormelde beschikking te vernietigen conform het appelschrift van de man zoals dat bij het hof bekend is onder rekestnummer R200300290.

In de zaak bekend onder rekestnummer R200300290:

2.3. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 11 april 2003, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de daarbij getroffen nevenvoorzieningen, en opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen een bedrag van ? 400,00 per maand;

- te bepalen dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man zal worden bepaald op nihil, dan wel deze bijdrage vast te stellen op een bedrag als het hof juist acht;

- te bepalen dat de man omgang met de minderjarige dochter kan hebben een maal per twee weken gedurende het weekeinde van vrijdagavond tot maandagmorgen, alsmede drie weken in de zomervakanties, in 2003 de eerste drie weken en in 2004 de laatste drie weken en vervolgens weer de eerste drie weken enzovoorts en tijdens de overige vakanties gedurende twee weken in onderling overleg.

2.4. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 mei 2003, heeft de vrouw verzocht de man in zijn beroep niet te ontvangen, althans hem dit af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen.

In beide zaken:

2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2003. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door haar raadsman mr. J.G.M. Daemen,

- de man, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. A.E.P. Kooi.

2.6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij de beroepschriften en (in de zaak met het rekestnummer R200300287) het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 28 oktober 2002;

- de brief met bijlagen van de procureur van de vrouw van 19 augustus 2003;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man van 21 augustus 2003.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van de beroepschriften.

4. De beoordeling

4.1. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 361 lid 2 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering beveelt het hof de voeging van de beide beroepschriften, nu partijen ieder afzonderlijk in hoger beroep zijn gekomen van dezelfde beschikking.

4.2. Partijen zijn op 2 december 1988 te [X] met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen is op [datum] te [plaats] de minderjarige [kind] geboren.

4.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank te Maastricht tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, een omgangsregeling tussen de man en de hiervoor genoemde minderjarige vastgesteld, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen bevolen, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toegekend aan de vrouw en een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw en de minderjarige vastgesteld. De echtscheidingsbeschikking is (nog) niet ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

4.4. Het hof stelt voorop dat de vrouw niet-ontvankelijk in haar appèl dient te worden verklaard voorzover haar appèl zich richt tegen andere nevenvoorzieningen dan de bij de echtscheiding uitgesproken bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, nu zij enkel met betrekking tot die onderhoudsbijdrage grieven heeft aangevoerd. Ten aanzien van de man geldt dat hij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn appèl voor zover zijn appèl zich richt tegen het bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen en het aan de vrouw toegekende voortgezet gebruik van de echtelijke woning, nu de man ten aanzien van die nevenvoorzieningen geen grieven heeft aangevoerd.

4.5. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de omgangsregeling, nu de man in zijn verweerschrift in eerste aanleg naar aanleiding van het zelfstandig verzoek van de vrouw reeds heeft verzocht om een andere omgangsregeling dan de rechtbank heeft vastgesteld en er aan de kwestie met betrekking tot de omgangsregeling bij de rechtbank vanwege de alimentatieperikelen nauwelijks aandacht is besteed. In afwijking van de door de rechtbank vastgelegde omgangsregeling wenst de man het omgangscontact met zijn dochter uit te breiden tot de maandagochtend, nu hij de huidige omgangsregeling te kort vindt om een goed contact met zijn dochter op te bouwen.

De vrouw acht dat evenwel geen goede zaak en stelt dat de minderjarige een dergelijke omgangsregeling niet wenst, nu zij deze te lang acht.

Het hof stelt het volgende voorop. Ter zitting is gebleken dat de onderlinge communicatie van partijen te wensen over laat, hetgeen zijn oorzaak lijkt te vinden in een niet behoorlijk verwerkte echtscheiding. Partijen dienen evenwel te beseffen dat zij daarin - mede in het belang van hun dochter - verandering dienen te brengen. De door de echtscheiding ontstane situatie doet een ander beroep op hen als ouders en als mens, en vereist een andere manier van denken en zeker van communiceren met elkaar. Partijen zullen moeten leren elkaar niet te wantrouwen, elkaar het voordeel van de twijfel te kunnen geven en niet te vallen over ieder woord van de andere partij. De daartoe benodigde stappen zouden kunnen worden gezet middels het inschakelen van een kundige en van partijen onafhankelijke mediator, hetgeen het hof partijen ook heeft geadviseerd. Partijen hebben daar evenwel niet voor gekozen, waardoor mogelijke toekomstige procedures tussen partijen niet zijn uit te sluiten.

Onder de gegeven omstandigheden en bij de huidige onderlinge verstandhouding tussen partijen, ziet het hof onvoldoende aanleiding de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling uit te breiden naar de maandagochtend. Het gevolg van toewijzing van het verzoek van de man zou inhouden dat de dochter van vrijdagavond tot maandagavond niet thuiskomt bij haar moeder. Het hof acht het aannemelijk dat dit op bezwaar van de dochter stuit, zoals door de vrouw naar voren is gebracht. Het daartoe strekkende verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.

4.6. De overige door de man en de vrouw opgeworpen grieven hebben betrekking op de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw alsmede op ieders bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De grieven leggen deze kwesties in volle omvang aan het hof voor.

Het hof zal aanstonds de behoefte van de vrouw vaststellen.

4.7. De behoefte van de vrouw

4.7.1. Partijen twisten over de omvang van de behoefte van de vrouw. Het hof oordeelt als volgt. De behoefte van de vrouw wordt bepaald door de staat en stand zoals deze tijdens het huwelijk is gevoerd. In het kader van de vaststelling van de behoefte van de vrouw zoekt het hof daarbij aansluiting bij het besteedbaar inkomen van partijen zoals zij dat ontvingen tijdens de periode dat zij nog samenleefden. Blijkens de bestreden beschikking - op welk punt door geen van partijen is geappelleerd - bedroeg dit besteedbaar gezinsinkomen van partijen ? 5.500,= per maand. Het hof gaat ervan uit dat een deel van het gezinsinkomen werd besteed aan de verzorging van de dochter van partijen. Ter bepaling van dat deel zoekt het hof aansluiting bij de tabel "eigen aandeel kosten van kinderen". Het hof merkt op dat de rechtbank in de bestreden beschikking de kosten van het kind heeft bepaald op een bedrag van ? 935,= per maand, zich daarbij kennelijk baserend op het rapport "Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie" uit 1994, waarin is opgenomen dat kosten van één kind gemiddeld 17 procent van het totale huishoudensinkomen bedragen. De man stelt in zijn eerste grief dat de behoefte van de minderjarige maximaal ? 605,= per maand bedraagt, uitgaande van het bij de hiervoor genoemde tabel voor één kind onder "? 3.500,= of meer" voorkomende bedrag bij twee kinderbijslagpunten. De man kan zich niet voorstellen dat een kind van 10 jaar maandelijks ? 935,= per maand zou kosten. De vrouw gaat uit van lineair doortrekken van de tabelbedragen.

Het hof zal de eerste grief van de man thans bespreken. De meergenoemde tabel voorziet niet in gezinsinkomens zoals dat van partijen. Uit de inhoud van het hierboven genoemde rapport blijkt niet dat kosten van kinderen lineair dienen te worden geëxtrapoleerd bij overschrijding van de hoogste tabelinkomens (boven ? 3.500,=). Gelet op het aanmerkelijk hogere netto gezinsinkomen van partijen (? 5.500,= per maand) acht het hof het evenwel redelijk in eniger mate uit te gaan van een opslag op het uit de tabel blijkende bedrag van ? 605,= per maand. Het hof zal de behoefte van het tienjarige kind in redelijkheid vaststellen op een bedrag van ? 700,= per maand. De vrouw heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan zou dienen te worden aangenomen dat het kind een hogere behoefte zou hebben dan het zojuist genoemde bedrag. De eerste grief van de man slaagt dan ook gedeeltelijk.

Van het gezamenlijk netto gezinsinkomen resteert na aftrek van het hiervoor genoemde bedrag aan kosten van de minderjarige een bedrag van ? 4.800,= per maand. De behoefte van de vrouw kan worden bepaald op de helft van dit bedrag, vermeerderd met enige opslag wegens de hogere kosten van het niet langer voeren van een gezamenlijke gezinshuishouding. Het hof becijfert de behoefte van de vrouw aldus op een bedrag van ? 2.880,= netto per maand. Vervolgens dient te worden bezien in hoeverre de vrouw zelf in deze behoefte voorziet dan wel kan voorzien.

4.7.2. De man stelt dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij haar werkzaamheden uitbreidt, nu zij geen achterstand heeft op de arbeidsmarkt en de zorg voor de dochter van partijen daaraan niet in de weg hoeft te staan. Volgens de man zou de vrouw met de onderhoudsbijdrage voor de dochter van partijen, de aan de vrouw toekomende heffingskortingen en het door haar na de echtscheiding te genereren rendement uit het door haar te ontvangen vermogen maandelijks over een inkomen van ? 3.808,15 kunnen beschikken bij een werkweek van 24 uur, hetgeen aanmerkelijk hoger zou zijn dan het huidige inkomen zoals de man dat bij een fulltime dienstverband heeft.

De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Zij stelt dat zij wel degelijk een achterstand op de arbeidsmarkt heeft. Bovendien stelt zij dat partijen hadden afgesproken dat de vrouw parttime zou gaan werken in verband met de verzorging van het kind van partijen. De vrouw stelt verder dat zij haar werkzaamheden bij haar huidige werkgever niet verder kan uitbreiden, nu haar werkgever na een langere periode van arbeidsongeschiktheid van de vrouw met het oog op een betere continuïteit tot uitbreiding van het personeel op de afdeling van de vrouw is overgegaan. Voorts stelt de vrouw dat zij geen overwerk meer uitbetaald krijgt. Tenslotte heeft de vrouw gesteld dat zij geen vermogen zal overhouden aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, nu zij nog immer voornemens is de echtelijke woning aan te schaffen.

Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is bij haar huidige werkgever haar werkzaamheden verder uit te breiden. Het hof verlangt van de vrouw niet dat zij, met het oog op de daaraan verbonden risico's, uitziet naar een andere werkkring en haar huidige vaste dienstverband opgeeft. De zorg voor de minderjarige dochter van partijen in aanmerking genomen, alsmede gelet op de door de man op zichzelf niet betwiste afspraak dat de vrouw parttime zou werken omwille van de verzorging van het gezamenlijke kind, waardoor de vrouw in enige mate is beperkt in haar carrièremogelijkheden, acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat de vrouw op korte termijn in staat is zich dusdanige inkomsten te verwerven, dat zij geheel geen behoefte meer heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Het hof acht het daarnaast gelet op de overgelegde verklaringen namens de werkgever van de vrouw van 14 januari 2003 en 7 augustus 2003 voldoende aannemelijk dat de vrouw vanaf 1 april 2003 geen extra beloonde uren meer zou kunnen zou maken.

Het hof zal dan ook uitgaan van het inkomen van de vrouw zoals dat blijkt uit de door haar overgelegde salarisspecificatie van de maand maart 2003, in die zin dat met de daarop vermelde meeruren geen rekening wordt gehouden. Het hof houdt derhalve rekening met een bruto inkomen van ? 1.585,62 per maand, exclusief vakantietoeslag. Dat inkomen wordt verder vermeerderd en verminderd met de op de genoemde salarisspecificatie voorkomende gebruikelijke toeslagen en inhoudingen, met dien verstande dat het hof met de inhouding wegens het spaarloon geen rekening houdt, vanwege het vrijwillige karakter van een spaarloonregeling. Het hof houdt voorts rekening met de door de man gestelde en door de vrouw niet betwiste gratificatie van 8,33% over het jaarsalaris van de vrouw en met een eenmalige uitkering van ? 45,= bruto, welke overigens tevens uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties blijken. Haar fiscaal loon bedraagt aldus ? 1.875,= per maand. Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde vergoedingen wegens kinderopvang, nu het algemeen bekend is dat er tegenover de belaste vergoedingen door de werkgever bij inkomens zoals dat van de vrouw een eigen bijdrage van de betrokken ouder staat, waardoor er per saldo geen sprake is van een gunstig effect op het besteedbaar inkomen van de vrouw. Het hof houdt tenslotte wél rekening met de aan de vrouw toekomende heffingskortingen en becijfert het inkomen van de vrouw aldus op een bedrag van ? 1.721,= netto per maand. Het hof gaat voorbij aan de stellingen van de man dat de vrouw een rendement kan verwerven uit een door haar te ontvangen vermogen uit de echtscheiding, nu de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden kennelijk nog niet is geëffectueerd en het hof niet op deze afwikkeling - met alle mogelijke uitkomsten van dien - vooruit wenst te lopen. Tenslotte is niet vast komen staan dat de vrouw geld heeft ontvangen uit de erfenis van haar moeder. Meer of andere inkomsten van de vrouw zijn niet aannemelijk geworden of vast komen staan.

4.7.3. Gelet op de hiervoor onder 4.7.1. bepaalde netto behoefte van de vrouw van ? 2.880,= per maand en het hiervoor onder 4.7.2. becijferde netto inkomen van de vrouw van ? 1.721,= per maand, resteert een netto behoefte van ? 1.159,= per maand. Rekening houdend met de hoogte van dit bedrag alsmede gelet op de op de vrouw toepasselijke belastingtarieven, heeft de vrouw daarmee tenminste behoefte aan de door haar verzochte (bruto) onderhoudsbijdrage van ? 1.800,= per maand. Of de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage ook dient te worden opgelegd en of de vrouw met een dergelijke onderhoudsbijdrage in een betere positie dan de man komt te verkeren is een vraag van een geheel andere orde, en is afhankelijk van de draagkracht van de man en van een draagkrachtvergelijking van partijen.

4.8. De behoefte van de minderjarige en de wijze waarop daarin door partijen dient te worden voorzien.

4.8.1. Uit hetgeen hiervoor onder 4.7.1. is overwogen volgt dat het hof de behoefte van de minderjarige vaststelt op een bedrag van ? 700,= per maand. Bezien dient te worden in hoeverre partijen daar elk in dienen bij te dragen.

De man stelt in de toelichting onder zijn tweede grief (alsook ter zitting) dat partijen tijdens de mondelinge behandeling van de voorlopige voorzieningen procedure overeen zijn gekomen dat de ten zijner laste komende bijdrage in de behoefte van de minderjarige ? 400,= per maand zou bedragen. Nu de vrouw een dergelijke overeenkomst heeft betwist, de man daar geen bewijs van heeft aangeboden en een dergelijke overeenkomst niet uit de inhoud van de door de rechtbank vastgestelde processen-verbaal blijkt, zal het hof aan deze stelling van de man voorbijgaan.

Het hof kan de man voor het overige niet volgen in zijn tweede grief, waarin hij stelt dat indien partijen volgens de rechtbank een gelijk vrij te besteden bedrag dienen over te houden, daarbij zou passen dat de kosten van de dochter gelijkelijk over partijen dienen te worden verdeeld. Immers, aan het uitgangspunt dat partijen ieder een gelijk vrij te besteden bedrag overhouden, ligt ten grondslag dat bij ieder van partijen dan reeds rekening is gehouden met de voor rekening van ieder van hen komende bijdrage in de kosten van het kind, hetgeen door de man is miskend.

Ter berekening van ieders bijdrage in de kosten van het kind zal het hof in het hierna volgende de financiële posities van partijen uiteenzetten.

4.8.2. Ten aanzien van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voorzover die gegevens in hoger beroep in geschil zijn, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het betreffende onderdeel.

a. Inkomen van de man

Partijen twisten over de hoogte van het inkomen van de man. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte de door de man te ontvangen vakantietoeslag buiten beschouwing heeft gelaten. Tevens stelt de vrouw dat de man, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel degelijk gratificaties of andere extra uitkeringen van zijn werkgever ontvangt, in welk kader zij heeft gewezen op de winstdelingsregeling UDL. De vrouw becijfert het inkomen van de man op een bedrag van ? 87.323,09.

De man heeft de stellingen van de vrouw weersproken. Hij stelt dat het niet zeker is dat hij gelet op de economische situatie in 2003 een winstdelingsuitkering zal ontvangen. De man stelt op zijn beurt dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de door hem te ontvangen garantietoeslag, welke immers niet beschouwd dient te worden als loon, maar als een onkostenvergoeding. De vrouw heeft deze stelling overigens betwist. Zij stelt zich, mede omdat de man ook een onkostenvergoeding krijgt, op het standpunt dat er gewoon sprake is van belast inkomen.

Ter bepaling van het inkomen van de man gaat het hof uit van het uit de door de man overgelegde salarisspecificaties blijkende inkomen van ? 5.582,37 bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag. Het hof houdt, zoals door de man bepleit, geen rekening met de door hem te ontvangen garantietoeslag van ? 238,78 per vier weken. Uit de door de man bij zijn beroepschrift overgelegde productie 3 blijkt dat de ontvangen garantietoeslag voor het leeuwendeel strekt tot vergoeding van de door de man gereden lease-auto. Met de in dat kader door de man te betalen eigen bijdrage voor het gebruik van die lease-auto van ? 322,00 per vier weken alsmede met de forfaitaire bijtelling in verband met het rijden van een "auto van de zaak" houdt het hof overeenkomstig de aanbevelingen in het Trema-rapport geen rekening. Onder die omstandigheden acht het hof het niet redelijk dan wel rekening te houden met de door de man (bruto) te ontvangen vergoeding.

In zoverre slaagt de zevende grief van de man.

Het hof houdt daarentegen wel rekening met de door de vrouw gestelde winstdelingsuitkering. Weliswaar heeft de man gesteld dat hij een dergelijke uitkering niet zal ontvangen vanwege de resultaten van het moederbedrijf De Telegraaf, maar de man heeft nagelaten zulks middels het overleggen van in rechte geloof verdienende bescheiden nader te onderbouwen, zoals bijvoorbeeld een werkgeversverklaring. Zulks had, gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw, evenwel bepaald op zijn weg gelegen. Het nalaten daarvan dient voor rekening en risico van de man te komen, zodat het hof uit zal gaan van de door de vrouw gestelde winstdelingsuitkering van 8,5% over het jaarsalaris van de man.

Het hof gaat voorbij aan de stellingen van de man dat niet zeker is dat hij zijn baan zal behouden, nu de man volstrekt niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn positie op korte termijn zal komen te vervallen.

Het hof houdt verder rekening met de uit de salarisspecificaties van de man blijkende WAO-hiaat-, VUT- (gelet op de overgelegde brief d.d. 28 maart 2002 van de werkgever van de man tot een maximum van respectievelijk ? 597,17 en ? 2.120,89 per jaar) en pensioenpremies, alsmede met de verschuldigde WW-premies en de aan de man toekomende tegemoetkoming ziektekosten. Met de overige uit de salarisspecificaties blijkende inhoudingen en vergoedingen houdt het hof geen rekening.

Bij de bepaling van het netto besteedbaar inkomen van de man houdt het hof naast de aan de man toekomende algemene heffingskorting en arbeidskorting tevens rekening met mogelijke aftrekposten, zoals de betaling van hypotheekrente. In dat kader heeft de man in zijn vijfde grief aangevoerd dat hij, nu partijen reeds in april 2001 feitelijk zijn gescheiden, in verband met de vigerende belastingwetgeving geen fiscale aftrek meer zal hebben van de door hem betaalde hypotheekrente, aangezien - zo begrijpt het hof - de termijn van twee jaar, die fiscaal van toepassing is, dan zal zijn verstreken. De vrouw heeft zulks betwist, stellend dat de man niet heeft aangetoond geen aftrek meer te hebben en bovendien kan kiezen voor een alimentatiebetaling aan de vrouw die wél aftrekbaar is. Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat de woning - in ieder geval tot het moment van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, welke afwikkeling thans nog niet is geëffectueerd - volledig eigendom is van de man. Vast is komen staan dat de man in april 2001 de echtelijke woning heeft verlaten en partijen duurzaam gescheiden zijn gaan leven. Het feit dat de man zich eerst op 1 november 2001 heeft doen uitschrijven uit de echtelijke woning doet daar niet aan af. Tot 1 april 2003 was derhalve de eigenwoningregeling uit de Wet IB 2001 van toepassing en heeft de man de hypotheekrente af kunnen trekken. Vanaf 1 april 2003 is de eigenwoningregeling niet langer van toepassing en wordt de woning en de daarbij behorende hypotheek bij de man in aanmerking genomen in box III. Ten aanzien van de door de vrouw geponeerde stelling dat de man de door hem te betalen hypotheekrente af kan trekken als alimentatie heeft de man enkel gesteld dat de belastingdienst daar vermoedelijk niet mee akkoord zal gaan. Wat daar ook van zij, ingevolge het bepaalde in artikel 6.3 lid 2 jo. 3.101 lid 2 jo. 3.112 Wet IB 2001 is de bij wege van alimentatieverstrekking betaalde hypotheekrente slechts aftrekbaar tot het bedrag van het eigenwoningforfait (? 1.920,=), welk bedrag bij de vrouw overigens is belast ingevolge het bepaalde in artikel 3.101 lid 2 Wet IB 2001. Het hof acht het redelijk in de omstandigheden van het geval ten aanzien van de man uit te gaan van de aftrekbaarheid van een bedrag van ? 1.920,= op jaarbasis, welk bedrag bij de vrouw als belast zal worden aangemerkt. Voor het overige gaat het hof ervan uit dat de door de man betaalde hypotheekrente niet aftrekbaar is. Ter bepaling van de door de man verschuldigde belasting in box III zal het hof uitgaan van de door de man gestelde - en door de vrouw niet betwiste - waarde van de woning van ? 375.000,= (zie het verweerschrift van de man in de zaak met rekestnummer R200300287 bij grief 3) alsmede van een hypotheekschuld welke kennelijk nog ? 159.000,= bedraagt, gelet op het door de man gestelde aandeel in de woning van ? 108.000,= (waarbij het hof ervan uitgaat dat het aandeel van de vrouw in die woning eveneens ? 108.000,= bedraagt, nu de huwelijkse voorwaarden van partijen bepalen dat in het geval van echtscheiding van partijen er tussen partijen zal worden verrekend als ware er een algehele gemeenschap van goederen).

Het hof houdt daarnaast, in weerwil van de stellingen van de man, evenals de rechtbank rekening met een maximaal redelijke woonlast van ? 726,= per maand. Bij gebreke aan tijdig overlegde gegevens daaromtrent houdt het hof geen rekening met de door de man gestelde nieuw aangegane hypothecaire verplichtingen in verband met de aanschaf van een nieuwe woning door hem en zijn nieuwe partner. Met de door de man ter zitting gestelde omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst van zijn partner zou zijn ontbonden houdt het hof eveneens geen rekening, nu het hof ook omtrent die ontbinding en de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden geen tijdige verificatoire bescheiden heeft ontvangen.

b. Lasten van de man:

1. normbedrag Abw: gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de partner van de man houdt het hof ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud rekening met het normbedrag exclusief de woonkostencomponent voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag;

2. woonlasten: zoals hiervoor is overwogen houdt het hof rekening met een woonlast voor de man zelf van ? 726,=;

3. lasten echtelijke woning: evenals de rechtbank houdt het hof rekening met een door de man te betalen hypotheekrente van ? 1.020,17 per maand, een premie aflossing van ? 174,44 per maand en zakelijke lasten van ? 79,= per maand;

4. ziektekosten: het hof houdt rekening met de door de man gestelde en door de vrouw niet betwiste premie van ? 132,89 per maand. Het hof houdt tevens rekening met het door de man gestelde eigen risico van ? 170,= per jaar, nu uit de door de man in het geding gebrachte nadere bescheiden blijkt dat de man een dergelijk eigen risico heeft verbruikt;

5. kosten omgangsregeling: de man stelt in zijn tiende grief dat de omgangskosten dienen te worden bepaald op ? 200,= per maand. In hetgeen de man heeft gesteld ter onderbouwing daarvan ziet het hof evenwel onvoldoende aanleiding af te wijken van het op de Tremanormen gebaseerde forfaitaire bedrag van ? 5,= per dag, waarbij het hof opmerkt dat de door de man tot uitgangspunt gekozen berekeningswijze miskent dat het primaat van de kosten van het kind aan de zijde van de vrouw ligt, nu het kind daar haar hoofdverblijf heeft. Uitgaande van de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling becijfert het hof de aan de omgangsregeling verbonden kosten op een bedrag van ? 35,= per maand.

Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde aanvullende pensioengatpremie via Watson Wyatt Brans & Co, nu niet aannemelijk is geworden dat de man deze premie feitelijk voldoet en er tevens niet is gebleken van een noodzaak om met deze premie rekening te houden.

Op basis van het vorenstaande becijfert het hof de draagkrachtruimte van de man op ? 1.091,= per maand zolang de echtelijke woning niet is verkocht en op ? 2.478,= per maand voor de periode daarna.

4.8.3. Ten aanzien van de vrouw gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voorzover die in hoger beroep in geschil zijn, zal het hof daarop ingaan bij het betreffende onderdeel.

a. inkomen van de vrouw

Voor wat het inkomen van de vrouw betreft verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.7.2. en 4.8.2., waaronder met name de bijtelling van een bedrag ter grootte van het eigenwoningforfait van ? 1.920,= op jaarbasis zolang de echtelijke woning niet is verkocht.

b. Lasten van de vrouw

1. normbedrag Abw: in het kader van de vaststelling van ieders bijdrage in de kosten van de minderjarige alsook bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw, gaat het hof ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud uit van het normbedrag exclusief de woonkostencomponent voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag;

2. woonlasten: de vrouw heeft in haar derde grief gesteld dat de rechtbank ten onrechte slechts rekening heeft gehouden met een netto woonlast van ? 569,= per maand, nu zij van mening is dat er daardoor een ongelijkheid optreedt ten opzichte van de man. De man heeft gesteld dat de rechtbank de redelijke woonlast van de vrouw terecht heeft gerelateerd aan haar inkomen. Hij is van mening dat de woonlast van de vrouw eigenlijk nog te hoog is. De door de vrouw opgeworpen grief faalt, nu de financiële posities van partijen niet gelijk zijn, gelet op het aanmerkelijke verschil in arbeidsinkomen van partijen. Dat verschil rechtvaardigt naar het oordeel van het hof verschillende uitgangspunten bij het bepalen van de maximaal redelijke woonlast van partijen. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden aan de zijde van de vrouw rekening gehouden met een woonlast van ? 569,= per maand na de verkoop van de echtelijke woning;

3. ziektekosten: het hof gaat op grond van het hiervoor bepaalde inkomen uit van een werkgevers- en werknemersdeel Zfw van in totaal ? 151,= per maand.

Op basis van het vorenstaande becijfert het hof de draagkrachtruimte van de vrouw op ? 711,= per maand zolang de echtelijke woning niet is verkocht en op ? 380,= per maand voor de periode daarna.

4.8.4. Uitgaande van de verhouding tussen de draagkrachtruimtes van partijen, becijfert het hof de bijdrage van de man in de kosten van de minderjarige zolang hij de aan de echtelijke woning verbonden lasten voldoet op ? 424,= per maand en de bijdrage van de vrouw op ? 276,= per maand. Voor de periode waarin de vrouw haar eigen woonlasten voldoet bepaalt het hof deze bijdrage, wederom uitgaande van de verhouding tussen de draagkrachtruimtes van partijen, op respectievelijk ? 607,= per maand voor de man en op ? 93,= per maand voor de vrouw.

4.9. De onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw

4.9.1. Het hof stelt voorop dat de zesde door de man opgeworpen grief alsmede de vierde door de vrouw opgeworpen grief zelfstandige betekening missen en derhalve onbesproken kunnen blijven.

Teneinde de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw vast te kunnen stellen, zal het hof uitgaan van de hiervoor onder 4.8.2. en 4.8.3. vermelde gegevens, waarbij het hof tevens rekening zal houden met de hiervoor onder 4.8.4. bepaalde door ieder van partijen te betalen bijdrage voor de dochter.

4.9.2. Bij vergelijking van bovenstaande financiële omstandigheden van partijen en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten, is het hof van oordeel dat partijen voor de verkoop van de echtelijke woning met een ten laste van de man komende onderhoudsbijdrage van ? 210,= per maand een gelijk vrij te besteden bedrag overhouden. Na verkoop van de echtelijke woning houden partijen met een onderhoudsbijdrage ten laste van de man van ? 1.555,= per maand een gelijk vrij te besteden bedrag over. De man is telkens in staat deze bijdragen te voldoen.

4.10. Vernietiging en proceskosten

4.10.1. Uit al het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking gedeeltelijk zal worden vernietigd.

4.10.2. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

In de zaak bekend onder rekestnummer R200300287:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk voorzover haar appèl zich richt tegen de daarbij uitgesproken echtscheiding en tegen andere nevenvoorzieningen dan de bij de bestreden beschikking uitgesproken bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;

In de zaak bekend onder rekestnummer R200300290:

verklaart de man niet-ontvankelijk voorzover zijn appèl zich richt tegen bij de bestreden beschikking uitgesproken bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen en het aan de vrouw toegekende voortgezet gebruik van de echtelijke woning;

In beide zaken:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank te Maastricht van 15 januari 2003, doch uitsluitend ten aanzien van de daarbij vastgestelde onderhoudsbijdragen ten behoeve van de minderjarige en de vrouw;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind], en voor de verkoop van de echtelijke woning zal voldoen een bedrag van ? 424,= per maand en een bedrag van ? 607,= per maand voor de periode vanaf de verkoop van de echtelijke woning, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft telkens te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van ? 210,= per maand met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en zolang de echtelijke woning nog niet zal zijn verkocht. Vanaf de verkoop van de echtelijke woning zal de man voor het levensonderhoud van de vrouw aan haar een bedrag voldoen van ? 1.555,= per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Van der Linden en Van der Velden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 oktober 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.