Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AL8395

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-08-2003
Datum publicatie
13-10-2003
Zaaknummer
01/001874
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

-Is sprake van het ontbreken van een nieuw feit, zodat de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1995 tot en met 1997 ten onrechte zijn opgelegd?

In dat kader legt belanghebbende de vraag inzake de aanvaardbaarheid van de verwerkingstijd van de door het ministerie van VROM aangeleverde gegevens bij de belastingdienst aan het Hof voor. Voor het jaar 1998 heeft zij redelijke twijfel omtrent de verwerkingstermijn, maar legt zij een en ander niet ter toetsing voor aan het Hof.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1947
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/001874

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Zuidwest van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende zijn over de jaren 1995 tot en met 1998 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar inkomens van respectievelijk fl. 8.301,=, fl. 11.471,=, fl. 14.807,= en fl. 12.384,=, welke navorderingsaanslagen, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur van 6 februari 2001 zijn gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraken met één beroepschrift in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van fl. 60,= (€ 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschriften het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 28 april 2003 te 's Hertogenbosch.

Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

Belanghebbende, noch haar gemachtigde, is verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 1 april 2003 aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

De Inspecteur heeft ter zitting een lijst overgelegd waarin onder meer de data inzake het intern regelen van de aanslagen en de ontvangst en verwerking van de gegevens van VROM op een overzichtelijke wijze zijn opgenomen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de Inspecteur ter zitting, stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende heeft zelf door middel van een E-biljet aangifte gedaan van haar belastbaar inkomen voor het jaar 1995 naar een inkomen van fl. 6.301,=. Op het belastbaar inkomen zijn bij de aanslagregeling geen correcties aangebracht. De aangifte is automatisch door de belastingdienst afgedaan op 15 april 1996. De aanslag is gedagtekend 31 mei 1996.

2.2. Belanghebbende heeft zelf door middel van een E-biljet aangifte gedaan van haar belastbaar inkomen voor het jaar 1996 naar een inkomen van fl. 9.471,=. Op het belastbaar inkomen zijn bij de aanslagregeling geen correcties aangebracht. De aangifte is door de belastingdienst automatisch afgedaan op 1 mei 1997. De aanslag is gedagtekend 4 juni 1997.

2.3. Belanghebbende heeft zelf door middel van een E-biljet aangifte gedaan van haar belastbaar inkomen voor het jaar 1997 naar een inkomen van fl. 12.807,=. Op het belastbaar inkomen zijn bij de aanslagregeling geen correcties aangebracht. De aangifte is door de belastingdienst automatisch afgedaan op 22 juli 1998. De aanslag is gedagtekend 6 augustus 1998.

2.4. Belanghebbende heeft zelf door middel van een E-biljet aangifte gedaan van haar belastbaar inkomen voor het jaar 1998 naar een inkomen van fl. 10.384,=. Op het belastbaar inkomen zijn bij de aanslagregeling geen correcties aangebracht. De aangifte is door de belastingdienst automatisch afgedaan op 7 juli 1999. De aanslag is gedagtekend 22 juli 1999.

2.5. Na het opleggen van de primitieve aanslagen is bij de Inspecteur informatie binnengekomen, de zogenoemde signaallijst 1998, dat belanghebbende en haar echtgenoot in 1995 tot en met 1998 een uitkering van VROM hebben ontvangen wegens rijksbijdrage eigen woning. Van die uitkeringen is geen aangifte gedaan.

Vóór 1995 heeft belanghebbende haar aangiften IB/premie volksverzekeringen laten verzorgen door de fiscale afdeling van de vakbond van haar echtgenoot. Belanghebbende heeft aangegeven dat de uitkeringen toen wel zijn verwerkt in de aangiften.

2.6. Op 27 juni 2000 zijn belanghebbende brieven gezonden met de mededeling dat navorderingsaanslagen zullen worden opgelegd. Het inkomen zal voor de jaren 1995 tot en met 1998 worden verhoogd met fl. 2000,=, de helft van de in de betreffende jaren ontvangen premie A op de eigen woning.

In de brieven was aangekondigd dat met de navorderingsaanslagen tegelijk een boete zou worden opgelegd van 100 %, die voor 75 % zou worden kwijtgescholden. Naar aanleiding van de reactie van belanghebbende op de brieven heeft de Inspecteur besloten geen boete op te leggen.

2.7. Het belastbaar inkomen is voor het jaar 1995 nader vastgesteld op fl. 8.301,=, de navorderingsaanslag is gedagtekend 3 november 2000. Het belastbaar inkomen is voor het jaar 1996 nader vastgesteld op fl. 11.471,=, de navorderingsaanslag is gedagtekend 1 september 2000. Het belastbaar inkomen is voor het jaar 1997 nader vastgesteld op fl. 14.807,=, de navorderingsaanslag is gedagtekend op 1 september 2000. Het belastbaar inkomen is voor het jaar 1998 nader vastgesteld op fl. 12.384=, de navorderingsaanslag is gedagtekend op 1 september 2000.

2.8. In haar reactie op de aankondiging van de navorderingsaanslagen geeft belanghebbende onder meer aan dat zij bezwaar maakt tegen het opleggen van de navorderingsaanslagen vanwege de slechte financiële situatie en het ontbreken van duidelijkheid op het belastingschijfje omtrent de uitkering.

In haar bezwaar, met een relatie naar het bezwaar van haar echtgenoot, tegen de navorderingsaanslagen stelt belanghebbende dat het bij de belastingdienst bekend was dat zij elk jaar de in geding zijnde premie ontving en dat bij navraag was gebleken dat de belastingdienst ter zake informatie verstrekt krijgt van het ministerie van VROM. Zij gaf verder aan abusievelijk vergeten te zijn de premies als inkomsten op te geven. Daar de belastingdienst beschikte over de betreffende informatie en de aanslagen over de betreffende jaren heeft vastgesteld en er geen nieuwe feiten zijn opgetreden, maakt zij bezwaar tegen de navorderingsaanslagen.

2.9. Bij het verstrekken van informatie over de in geding zijnde uitkeringen is sprake van massaal aangeleverde gegevens.

Belanghebbende geeft in haar beroepschrift aan dat bij navraag bij het ministerie van VROM is aangegeven dat de massale gegevens inzake de uitkeringen in 1995 in mei 1996 aan de belastingdienst zijn verstrekt. In de door belanghebbende in haar beroepschrift genoemde brief van de Inspecteur van 21 november 2000, gezien het bijgevoegde stuk is sprake van de brief van 20 november 2000, wordt niet ingegaan op het jaar 1995.

2.10. De Inspecteur geeft aan dat de massale gegevens van het ministerie van VROM inzake de uitkeringen in het jaar 1996 in augustus 1997 aan de belastingdienst zijn verstrekt. Verder geeft hij aan dat hem eind januari 1998 de gegevens op individuele basis inzake de uitkeringen ter beschikking stonden.

2.11. De massale gegevens van het ministerie van VROM inzake de uitkeringen in 1997 zijn in april 1998 binnengekomen bij de belastingdienst. In voornoemde brief van 20 november 2000 is aangegeven dat deze gegevens vanaf eind juli 1998 raadpleegbaar waren voor de eenheden.

2.12. De Inspecteur heeft aangegeven dat de individuele gegevens inzake de uitkering in 1998 vanaf half augustus 1999 voor hem raadpleegbaar waren.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

-Is sprake van het ontbreken van een nieuw feit, zodat de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1995 tot en met 1997 ten onrechte zijn opgelegd?

In dat kader legt belanghebbende de vraag inzake de aanvaardbaarheid van de verwerkingstijd van de door het ministerie van VROM aangeleverde gegevens bij de belastingdienst aan het Hof voor. Voor het jaar 1998 heeft zij redelijke twijfel omtrent de verwerkingstermijn, maar legt zij een en ander niet ter toetsing voor aan het Hof.

Het tijdstip van aanlevering van de massale gegevens inzake de uitkeringen door het ministerie van VROM en het tijdstip van het voor de Inspecteur ter beschikking komen van de individuele gegevens van de uitkeringen, voor zover bekend, worden niet bestreden.

Het bedrag van de uitkeringen en het feit dat de uitkeringen ten onrechte niet in de aangiften zijn opgegeven, is eveneens niet in geschil. Dat geldt voor alle jaren.

Belanghebbende is van oordeel dat de bovenstaande vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de Inspecteur nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Met betrekking tot het jaar 1995 hadden we geen gegevens, dat hebben we belanghebbende ook kenbaar gemaakt. Het op het overgelegde stuk gestelde RIS betekent Renseignement Informatie Systeem.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraken en vernietiging van de navorderingsaanslagen.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

4.1. Op 29 april 2003 is ter griffie van het Gerechtshof de enveloppe met daarin de uitnodiging van 1 april 2003 aan gemachtigde van belanghebbende de heer A, retour gekomen met daarop als reden van retournering omcirkeld: "Niet afgehaald". Op de enveloppe is zijdens TPG Post een sticker geplakt met daarop onder meer de mededeling dat op 2-4 (Hof: 2003) de enveloppe op het door belanghebbende aan het Hof opgegeven adres is aangeboden, dat daar geen gehoor is gekregen en dat daar kennelijk een kennisgeving is achtergelaten.

Naar het oordeel van het Hof komt het niet op de daartoe aangewezen plaats afhalen van een eerder kennelijk in zijn afwezigheid aan het huisadres van gemachtigde van belanghebbende aangeboden poststuk voor risico van belanghebbende. Het had op haar weg gelegen alert te (doen) reageren op voormelde kennisgeving van TPG Post. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat (gemachtigde van)belanghebbende op regelmatige wijze is opgeroepen.

Ten aanzien van het geschil

4.2. Belanghebbendes beroep op het ontbreken van een nieuw feit moet aldus worden opgevat dat zij zich op het standpunt stelt dat de onderhavige navorderingsaanslagen niet konden worden opgelegd omdat sprake is van een ambtelijk verzuim doordat de Inspecteur bij het regelen van de primitieve aanslagen ervan op de hoogte was, althans behoorde te zijn, dat belanghebbende in de betreffende jaren uitkeringen premie A eigen woning had genoten.

4.3. Op grond van artikel 16, eerste lid, tweede volzin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond opleveren voor navordering. Dat leidt uitzondering in geval de belastingplichtige te kwader trouw is. Dat laatste is in de procedure niet aan de orde. Voor de uitkomst van de onderhavige procedure moet het Hof derhalve vaststellen of in dezen sprake is van "nieuwe" feiten, zijnde feiten die de inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslagen bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. De dagtekening van de navorderingsaanslagen is daarbij niet van belang.

4.4. Gezien de arresten van de Hoge Raad van 27 mei 1992, nr. 28 101, BNB 1992/203*, en 17 februari 1999, nr. 34 445, o.a. te kennen uit V-N 1999/12.8, moet de belastingdienst een redelijke termijn worden gegund voor sortering en verwerking van de, in dezen door het ministerie van VROM aangeleverde, gegevens. Zoals aangegeven in het eerstgenoemde arrest is het in de uitgebreide dienst als de belastingdienst onvermijdelijk dat administratieve gegevens een aantal bewerkingen moeten ondergaan en door verschillende handen gaan alvorens ze beschikbaar zijn voor degenen die ze in hun werk gebruiken. Belastingplichtige moet er wel op kunnen rekenen dat de verwerking en sortering met een redelijke spoed geschiedt. Bij de beoordeling van de termijn van verwerking en sortering kan de vorm van aanlevering van de gegevens van belang zijn. Ook de massaliteit van aanlevering van de gegevens speelt een rol. Uit voornoemd arrest van 17 februari 1999 leidt het Hof af dat in dezen voor het tijdstip van opleggen van de navorderingsaanslag uit mag worden gegaan van het tijdstip van intern regelen van die aanslag. Na het tijdstip van intern opleggen van een navorderingsaanslag mag overigens naar het oordeel van het Hof van de Inspecteur ook niet meer gevraagd worden om voor de dagtekening van die aanslag nog na te gaan of nadere gegevens inzake de belastingplichtige te zijner beschikking zijn gekomen.

4.5. Mede uitgaande van de door belanghebbende in haar beroepschrift verstrekte gegevens kan worden geconcludeerd dat de door het ministerie van VROM aan de belastingdienst te leveren gegevens inzake de uitkeringen niet elk jaar op hetzelfde tijdstip worden uitgeleverd. Niet in geschil is dat de betreffende gegevens verwerking en sortering moeten ondergaan alvorens de gegevens van individuele belastingplichtigen beschikbaar zijn voor de Inspecteur. Hoewel de digitale vorm van aanleveren van gegevens wellicht suggereert dat de betreffende gegevens bijna "in real time" beschikbaar zijn voor de Inspecteur, is naar het oordeel van het Hof van algemene bekendheid dat juist ook de verwerking van digitale gegevens de nodige tijd kost. Het gaat hier, naar ook algemeen bekend is, om een grote hoeveelheid gegevens en vele belastingplichtigen. De belastingdienst moet in dezen naar het oordeel van het Hof worden toegestaan de verwerking en sortering met een zekere ruimte in te passen in haar (geautomatiseerde) werkprocessen. Belanghebbende heeft niet gesteld, en overigens is het Hof daarvan ook niet gebleken, dat in de betreffende jaren bij de belastingdienst sprake zou zijn geweest van bijzondere omstandigheden die het tijdstip van de beschikbaarheid van de betreffende individuele gegevens voor de Inspecteur hebben beïnvloed.

4.6. Nu de primitieve aanslag IB 1995 uiterlijk 21 april 1996 door de Inspecteur intern is geregeld en de gegevens inzake de uitkering aan belanghebbende in 1995 als onderdeel van de massale jaarlijkse aanlevering door het ministerie van VROM, zoals belanghebbende stelt, in mei 1996 ter beschikking zijn gekomen van de belastingdienst, is in dezen naar het oordeel van het Hof geen sprake van een feit dat de Inspecteur bekend was of bekend had behoren te zijn. Ook als zou worden uitgegaan van het tijdstip van dagtekening van de primitieve aanslag, zijnde 31 mei 1996, is naar het oordeel van het Hof geen sprake van het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in onderdeel 4.4 van deze uitspraak. Het vorenstaande betekent, dat nu geen sprake is van een ambtelijke verzuim, de Inspecteur in zijn uitspraak het bezwaar inzake de navorderingsaanslag over 1995 terecht heeft afgewezen.

4.7. Nu de primitieve aanslag IB 1996 op 1 mei 1997 door de Inspecteur intern is geregeld en de gegevens inzake de uitkering aan belanghebbende in 1996 als onderdeel van de massale jaarlijkse aanlevering door het ministerie van VROM in augustus 1997 ter beschikking zijn gekomen van de belastingdienst, is in dezen naar het oordeel van het Hof geen sprake van een feit dat de Inspecteur bekend was of bekend had behoren te zijn. Ook als zou worden uitgegaan van het tijdstip van dagtekening van de primitieve aanslag, zijnde 4 juni 1997, levert dat naar het oordeel van het Hof dezelfde uitkomst op. Het vorenstaande betekent, dat nu geen sprake is van een ambtelijke verzuim, de Inspecteur in zijn uitspraak het bezwaar inzake de navorderingsaanslag over 1996 terecht heeft afgewezen.

4.8. Nu de primitieve aanslag IB 1997 op 22 juli 1998 door de Inspecteur intern is geregeld en de gegevens inzake de uitkering aan belanghebbende in 1997 als onderdeel van de massale jaarlijkse aanlevering door het ministerie van VROM in april 1998 ter beschikking zijn gekomen van de belastingdienst en eind juli 1998 ter beschikking van de Inspecteur, is in dezen naar het oordeel van het Hof geen sprake van een feit dat de Inspecteur bekend was of bekend had behoren te zijn als hiervoor bedoeld. Het Hof acht gezien het vorenstaande in dit kader bewezen dat de Inspecteur ten tijde van het intern regelen van de aangifte IB 1997 niet de beschikking had over de gegevens van de uitkering in 1997 aan belanghebbende. De termijn verstreken tussen het tijdstip van aanlevering van de massale gegevens door het ministerie van VROM aan de belastingdienst en het beschikbaar komen van individuele gegevens voor de Inspecteur is naar het oordeel van het Hof in dezen een redelijke termijn.

Het vorenstaande betekent, dat, nu er geen sprake is van een ambtelijke verzuim, de Inspecteur in zijn uitspraak het bezwaar inzake de navorderingsaanslag over 1997 terecht heeft afgewezen.

4.9. Feitelijk wordt door belanghebbende voor het jaar 1998 geen geschil aan het Hof voorgelegd. Het Hof overweegt ter zake desalniettemin het volgende. Nu de primitieve aanslag IB 1998 op 22 juli 1999 door de Inspecteur intern is geregeld en de individuele gegevens inzake de uitkering aan belanghebbende in 1998 als onderdeel van de massale jaarlijkse aanlevering door het ministerie van VROM half augustus 1999 ter beschikking zijn gekomen van de Inspecteur is in dezen naar het oordeel van het Hof geen sprake van een feit dat de Inspecteur bekend was of bekend had behoren te zijn als hiervoor bedoeld. Het Hof acht gezien het vorenstaande in dit kader bewezen dat de Inspecteur ten tijde van het intern regelen van de aangifte IB 1998 niet de beschikking had over de gegevens van de uitkering in 1998 aan belanghebbende. De termijn verstreken tussen het tijdstip van aanlevering van de massale gegevens door het ministerie van VROM aan de belastingdienst en het beschikbaar komen van individuele gegevens voor de Inspecteur is naar het oordeel van het Hof in dezen een redelijke termijn. Het Hof gaat er gelet op de overige gegevens vanuit dat de massale gegevens over 1998 op zijn vroegst in de maand mei 1999 aan de belastingdienst zijn verstrekt.

Het vorenstaande betekent, dat, nu er geen sprake is van een ambtelijke verzuim, de Inspecteur in zijn uitspraak het bezwaar inzake de navorderingsaanslag over 1998 terecht heeft afgewezen.

Het Hof merkt tenslotte nog op dat gezien de tekst van artikel 16,

eerste lid, tweede volzin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het aan belanghebbende is om te bewijzen dat zich, zoals zij aangeeft in haar beroepschrift, geen nieuw feit voordoet. In dat bewijs is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. Het feit dat de Inspecteur in dezen de meest gerede partij is om de elementen inzake de gegevensverstrekking van VROM aan de belastingdienst in te brengen, heeft niet tot gevolg dat de bewijslast in dezen anders komt te liggen.

4.10. Gelet op al het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door G.D. van Norden, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 7 augustus 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 7 augustus 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.