Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AL8392

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-07-2003
Datum publicatie
13-10-2003
Zaaknummer
01/00707
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

-is de verhuiskostenvergoeding tot een hoger bedrag belastingvrij;

-is er recht op meer aftrek hypotheekrente voor de woning op de

Nederlandse Antillen;

-is tariefgroep 5 van toepassing.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 10, geldigheid: 2003-07-28
Belastingregeling voor het Koninkrijk 23, geldigheid: 2003-07-28
Belastingregeling voor het Koninkrijk 24, geldigheid: 2003-07-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1942

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/00707

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Zuidwest van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aan belanghebbende voor het jaar 1997 opgelegde aanslag inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 56.166,=, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van fl. 60,= (€ 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 28 april 2003 te 's Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van een certificaat van reisverzekering voor de periode juli '97 tot 22 augustus '97, een kopie van een getuigschrift van A N.V. gedagtekend 22 december 1997 en een kopie van de eindafrekening van voornoemde bank gedagtekend 22 december 1997. De Inspecteur heeft van de stukken kennisgenomen en zich daarover kunnen uitgelaten. Dat geldt ook voor het ter zitting ter inzage gegeven werkboekje/werkvergunning. De drie stukken en het werkboekje dragen de naam van de heer B.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende woonde tot 20 juli 1997 op de Nederlandse Antillen. Zij verhuisde naar Nederland in verband met het per 1 augustus 1997 aanvaarden van een dienstbetrekking in een Nederlands ziekenhuis. Belanghebbende reisde met haar twee kinderen en de heer B naar Nederland. Belanghebbende en haar werkgever zijn overeengekomen dat vanwege de verhuizing een kostenvergoeding zal worden verstrekt. Belanghebbende en haar kinderen werden op 9 september 1997 ingeschreven bij de gemeente C op het adres D straat 1. De heer D werd op 13 januari 1998 op hetzelfde adres ingeschreven. Belanghebbende bezit een woning op de Nederlandse Antillen.

2.2. In september 1997 ontving belanghebbende een brief van haar werkgever dat van de haar toegezegde vergoeding van inrichtingskosten alleen een bedrag van fl. 12.000,= onbelast kan blijven en dat over een bedrag van fl. 13.485,= 60%, zijnde fl. 8.091,09, belasting wordt ingehouden. De werkgever van belanghebbende heeft de loonheffing juist en volledig verwerkt op de jaaropgave 1997 van belanghebbende. De verhoging van het belastbaar loon vanwege de deels belaste inrichtingsvergoeding is echter niet verwerkt. De werkgever heeft in juli 1998 in een aan de belastingdienst gerichte brief de loonopgave van belanghebbende gecorrigeerd. Het loon bedroeg toen fl. 70.865,= en er heeft indeling naar tariefgroep 5 plaatsgevonden.

2.3. Belanghebbende ontving (deels voorafgaand aan het dienstverband) de volgende kostenvergoedingen:

a. Verhuiskosten inboedel fl. 11.362,00 en vergoeding verhuizing inboedel fl. 2.507,50 is totaal fl. 13.869,50.

b. Reiskosten verhuizing fl. 4.506,16 en 12 procent inrichtingskosten conform CAO Ziekenhuiswezen fl. 20.979,00 is totaal fl. 25.485,16. Het bedrag van fl. 20.979,00 bestaat uit 12 procent jaarsalaris, zijnde fl. 18.347,00, dubbele huur of hypotheek fl. 2.432,00 en vergoeding meeverhuizende kinderen fl. 200,=. Het bedrag van fl. 20,979,00 is uitbetaald met het salaris van september 1997.

De CAO is niet goedgekeurd door de belastingdienst.

2.4. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 29.485,=. Bij het indienen van die aangifte is het standpunt ingenomen dat de hiervoor opgenomen kostenvergoedingen belastingvrij zijn. Voor de woning op de Nederlandse Antillen is opgegeven aan huurwaardeforfait fl. 9.225,=, aan opbrengst fl. 1.850,= en aan hypotheekrente fl. 36.081,=.

2.5. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur de volgende correcties aangebracht:

a. Minder belastingvrije verhuiskostenvergoeding fl. 13.485,=, zijnde de in 2.3 onder b vermelde door belanghebbende ontvangen kostenvergoeding van fl. 25.485,16 minus het forfait voor belastingvrije vergoeding van inrichtingskosten van fl. 12.000,=.

b. Minder inkomsten uit de woning op de Nederlandse Antillen fl. 9.225,=, zijnde het door belanghebbende aangegeven huurwaardeforfait.

c. Minder aftrek hypotheekrente fl. 22.130,=, zijnde de rente in de periode dat belanghebbende niet in Nederland woonde.

De door belanghebbende ontvangen kostenvergoeding als vermeld in 2.3 onder a heeft de Inspecteur buiten beschouwing gelaten. Bij de vaststelling van de aanslag is tariefgroep 2 toegepast.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

-is de verhuiskostenvergoeding tot een hoger bedrag belastingvrij;

-is er recht op meer aftrek hypotheekrente voor de woning op de

Nederlandse Antillen;

-is tariefgroep 5 van toepassing.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Partijen hebben ter zitting eenparig verklaard dat de becijfering geen onderwerp van geschil is.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Er is met twee maten gemeten, op belanghebbende is de meest slechte optie van toepassing.

Mijns inziens heeft belanghebbende via een T-biljet aangifte gedaan. In 1997 is zowel binnenlandse als buitenlandse belastingplicht aan de orde. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van haar keuzevrijheid om de betreffende aangifte te doen.

Belanghebbende is geëmigreerd naar Nederland. Zij zou met haar huidige man en twee kinderen verhuisd zijn. Zij was in 1992 gescheiden van de heer B. Vanwege die scheiding bestaat recht op toepassing van tariefgroep 5.

De heer B is op of omstreeks 10 augustus 1997 teruggereisd naar de Nederlandse Antillen. De heer B heeft tot 31 december van dat jaar gewerkt bij de A N.V.

De ter zitting overgelegde stukken zijn pas op het laatste moment ter beschikking gekomen. Met het ter zitting ter inzage gegeven werkboekje ben je gerechtigd op de Antillen werkzaamheden te verrichten. Desgevraagd wordt aangegeven dat bij de vermelding op bladzijde 4 van het werkboekje, "burgerlijke staat; gehuwd", een fout moet zijn gemaakt. Ik weet zeker dat ze gescheiden zijn. De Inspectie P moet, in verband met gestelde vragen, in het bezit zijn van het echtscheidingsvonnis. Eind 1998 zijn belanghebbende en de heer D, na zes jaar, weer met elkaar getrouwd.

De vraag of de betaaldata van hypotheekrente, zoals gehanteerd door de Inspecteur, juist zijn, beantwoord ik met ja.

Ik claim proceskostenvergoeding.

De Inspecteur

Met betrekking tot de stelling dat alle punten in het nadeel van belanghebbende uitvallen, merk ik op dat elk punt apart moet worden bekeken. Met de hypotheekrente inzake het huis op de Nederlandse Antillen hebben we, met uitzondering van december 1997, voor de periode dat belanghebbende woonachtig is in Nederland rekening gehouden. Met betrekking tot tariefgroep 5 wordt niet voldaan aan de vereiste termijn van zes maanden. Het is daarbij niet van belang of de heer D wel of niet in Nederland woonachtig was. Er is nu eenmaal sprake van een periode in het buitenland. Ik wijs daarbij nog op het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 1988, nr. 25 024, BNB 1988/205. In mijn dossier is aangetekend dat belanghebbende op 30 december 1998 is gehuwd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Voor de drie in onderdeel 3 opgenomen punten van geschil gelden eigen specifieke wettelijke bepalingen. Van een onderlinge relatie en/of afhankelijkheid is geen sprake. Het Hof is dan ook van oordeel dat elk punt van geschil aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden en de betreffende daarvoor geldende wettelijke regeling moet worden beoordeeld. Partijen hebben zich bij de behandeling van het bezwaar op het standpunt gesteld dat per 1 augustus 1997 sprake is van belastingplicht in Nederland. Het Hof sluit zich hierbij aan nu niet is gebleken dat zij hierbij uitgegaan zijn van een onjuist juridisch uitgangspunt.

4.2. Belanghebbende beroept zich bij het geschil inzake de hypotheekrente, en daarbij tevens bij de vaststelling van het bedrag dat aan inkomstenbelasting is verschuldigd, erop dat geen rekening is gehouden met regelingen ter voorkoming van dubbele belasting. Zij legt in dat beroep ook een relatie met het oordeel van het Hof inzake andere geschilpunten. Zoals hiervoor is aangegeven dient elk geschilpunt op zich te worden bezien en beoordeeld. Het Hof zal dan ook los van de andere geschilpunten een oordeel geven over het geschil inzake de hypotheekrente.

4.3. Op grond van artikel 23 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, Rijkswet van 28 oktober 1964, Stb. 425, wordt bij een inwoner van Nederland rente van schulden verzekerd door hypotheek op onroerend goed gelegen binnen de Nederlandse Antillen, zoals hier aan de orde, in aanmerking genomen als negatief bestanddeel van het inkomen in de Nederlandse Antillen. De Inspecteur heeft aftrek van hypotheekrente toegepast vanaf het moment van belastingplicht in Nederland. De door belanghebbende voorgestane verrekening is opgenomen in artikel 24 van voormelde Belastingregeling voor het Koninkrijk. In dat artikel is aangegeven dat daarbij het gestelde in voormeld artikel 23 in aanmerking moet worden genomen.

4.4. Belanghebbende heeft geen feiten en/of gegevens ingebracht inzake een dubbele heffing ter zake van de woning op de Nederlandse Antillen. Van heffing van Nederlandse inkomstenbelasting, in welke vorm dan ook, over inkomsten uit vorenbedoelde woning voor aanvang van de Nederlandse binnenlandse belastingplicht is geen sprake. Gezien het vorenstaande kan van toepassing van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting derhalve naar het oordeel van het Hof geen sprake zijn. Aan aftrek van hypotheekrente betaald voor 20 juli 1997 wordt naar het oordeel van het Hof niet toegekomen. Belanghebbende is dan immers nog geen binnenlands belastingplichtige met een eigen woning en geen buitenlands belastingplichtige die in Nederland wordt belast, omdat de woning niet in Nederland is gelegen.

4.5. Op grond van wettelijke bepalingen wordt onder meer inkomstenbelasting geheven van zuivere inkomsten uit arbeid. Onder inkomsten uit arbeid vallen o.a. loon uit dienstbetrekking. De begrippen loon en dienstbetrekking moeten op grond van de wettelijke bepalingen ter zake worden opgevat overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, hierna de Wet, is loon al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten. Belanghebbende heeft uit hoofde van haar dienstbetrekking een aantal kostenvergoedingen ontvangen. De relatie met de dienstbetrekking moge ook blijken uit het feit dat belanghebbende heeft aangegeven dat de kostenvergoedingen zijn gebaseerd op de CAO-regeling. Gezien het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de betreffende vergoedingen tot het loon van belanghebbende behoren en derhalve in de heffing van inkomstenbelasting moeten worden betrokken.

4.6. De stelling van belanghebbende dat een deel van de vergoedingen is ontvangen voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden in de dienstbetrekking en dus voor de aanvang van de binnenlandse belastingplicht doet naar het oordeel van het Hof aan het vorenstaande niet af. Het tijdstip van ontvangst van de vergoeding tast immers de relatie en de oorzaak van de betaling ervan, zijnde de dienstbetrekking, niet aan. Alle kostenvergoedingen dienen derhalve onder al hetgeen wordt ontvangen uit dienstbetrekking te worden gerangschikt.

4.7. Op grond van artikel 15, tweede lid, van de Wet en de daarbij behorende bepalingen inzake de inkomstenbelasting, kunnen bij een verhuizing, eenvoudig verwoord, de kosten van het overbrengen van de inboedel, vermeerderd met 12 % van het jaarloon uit dienstbetrekking met een maximum van fl. 12.000,= belastingvrij worden vergoed. Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur derhalve de kostenvergoeding, andere dan overbrengen van de inboedel, groot fl. 25.485,16 (zie punt 2.2 hiervóór) onder aftrek van fl. 12.000,= terecht in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. De correctie die de Inspecteur op het inkomen van belanghebbende in dezen heeft aangebracht groot fl. 13.485,= is dus juist.

4.8. In artikel 53 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is aangegeven dat bij de bepaling van de verschuldigde inkomstenbelasting rekening wordt gehouden met een belastingvrije som. De in een bepaald geval toe te passen belastingvrije som is afhankelijk van de tariefgroep. In artikel 54 van voornoemde wet is gesteld dat in tariefgroep 5 wordt ingedeeld de belastingplichtige die de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek, hierna de aanvullende aftrek, geniet. Belanghebbende stelt in haar beroep dat die tariefgroep voor 1997 toepassing dient te vinden.

4.9. De situatie op grond waarvan recht bestaat op aanvullende aftrek moet gezien de rechtspraak in 1997 meer dan zes maanden hebben geduurd. In deze zogenoemde referentieperiode moet daarbij sprake zijn geweest van onafgebroken binnenlandse belastingplicht. Daargelaten of overigens aan de voorwaarden is voldaan, voldoet belanghebbende niet aan de eis van die zes maanden. Immers, ook als de datum van reizen naar Nederland van 20 juli 1997 wordt aangehouden, zoals is betoogd in de procedure, wordt er niet voldaan aan de eis van een referentieperiode van zes maanden. Het bovenstaande betekent dat naar het oordeel van het Hof voornoemde tariefgroep 5 niet van toepassing is. Belanghebbendes beroep dienaangaande wordt verworpen.

4.10. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vragen aan de zijde van de Inspecteur.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door G.D. van Norden, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 28 juli 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 28 juli 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.