Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AL8389

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-08-2003
Datum publicatie
13-10-2003
Zaaknummer
00/03324
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AX7468, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een inkomen van fl. 104.595,=. Bij die aanslag is tegelijkertijd bij beschikking een boete opgelegd van fl. 1.750,=. (...)

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

-Is er terecht een boete opgelegd;

-en zo dat het geval is, is de boete dan tot het juiste bedrag opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/59.1.1
FutD 2003-1912
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/03324

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden boetebeschikkking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een inkomen van fl. 104.595,=. Bij die aanslag is tegelijkertijd bij beschikking een boete opgelegd van fl. 1.750,=. Belanghebbende heeft tegen de bij die aanslag opgelegde boete tijdig bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op dat bezwaar de boete gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van fl. 60,= (€ 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft in het openbaar plaatsgehad op 7 mei 2003 te Eindhoven.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1999. Die aangifte diende voor 1 april 2000 bij de Inspecteur te zijn ingediend. Omdat de aangifte niet binnen voormelde datum is ingekomen bij de Inspecteur heeft deze belanghebbende een aanmaning gezonden. In dat kader diende belanghebbende zijn aangifte uiterlijk op 27 juni 2000 in te dienen. Belanghebbende is tenslotte een herinnering gezonden. Belanghebbende heeft met een P-biljet over 1999 aangifte inkomstenbelasting/premieheffing gedaan naar een inkomen van fl. 104.595,=. Die aangifte is op 7 augustus 2000 door de Inspecteur ontvangen.

2.2. Bij de aanslagregeling zijn geen correcties aangebracht. Belanghebbende is ingedeeld in tariefgroep 2. Met dagtekening 29 september 2000 is belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna IB) opgelegd naar het door hem opgegeven inkomen. Op die aanslag is tegelijk een boetebeschikking gesteld naar een bedrag van fl. 1.750,=.

2.3. De boete is opgelegd omdat belanghebbende heeft verzuimd zijn betreffende aangifte binnen de door de Inspecteur gestelde termijn in te dienen. Onder meer rekening houdende met het feit dat sprake is van een vierde opvolgend verzuim heeft de Inspecteur de boete bepaald op fl. 1.750,=.

2.4. Voor de aangiften IB over de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 geldt voor de data van respectievelijk het verzenden van de aanmaning, de uiterste datum indiening aangifte, herinnering en de datum indiening van de aangifte het volgende:

-1996: 12 september, 26 september, 10 oktober en 10 oktober;

-1997: 9 oktober, 23 oktober, niet van toepassing en 27 oktober;

-1998: 1 oktober, 15 oktober, 12 november en 26 november;

-1999: 9 juni, 27 juni, 21 juli en 7 augustus.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

-Is er terecht een boete opgelegd;

-en zo dat het geval is, is de boete dan tot het juiste bedrag opgelegd.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Ik was op het moment dat ik het verzuim pleegde niet door de belastingdienst op de eerdere verzuimen geattendeerd. Een gewaarschuwd mens telt voor twee, drie, vier, etc.. Wel heb ik voor eerdere verzuimen boete opgelegd gekregen, maar dat was hooguit een paar tientjes. Vroeger was het 5 % van het belastingbedrag. Alle vorige jaren had ik negatieve aanslagen. Mij lijkt dat de boete is ingegeven om "voordeel" van de belastingplichtige tegen te gaan. Voor negatieve aangiften was ik nooit eerder beboet.

Mijn eerste boete was 29 juli 2000, maar van die boete ging geen leereffect meer uit. Een boete van fl. 1.750,= is buiten alle proporties ook gezien het beeld dat ik had en de communicatie in de vorige jaren. Ik heb nooit inhoudelijke geschilpunten met de belastingdienst gehad. Ik ben ten hoogste te laks. Ik ben met de aangifte 2002 wel te laat, maar nog niet in verzuim.

De betreffende aanmaningen heb ik ontvangen. Of de aanslag over 1998 10 dagen voor de datum van dagtekening is verzonden, vind ik niet zo relevant. Ik weet het niet.

Ik zou graag willen dat het Hof mee laat wegen waarom er zulke hoge boetes worden opgelegd voor te laat ingediende aangiften met een te betalen bedrag en meenemen dat er ook negatieve aanslagen zijn opgelegd. Relatie heffingsrente?

Ik claim een halve dag verletkosten, ik claim geen reiskosten.

De Inspecteur

Het boetebeleid is vanaf 1998 anders dan daarvoor. Er werd voor 1998 geen boete opgelegd bij negatieve aanslagen IB. Inzake het leereffect: de aanslag IB 1999 is ongeveer tegelijkertijd met de aanmaning opgelegd. De aangifte IB 2002 is nog niet binnen. Ik heb mijn twijfel over het leereffect. Voor de aangifte IB 2001 is overigens uitstel gevraagd en verleend.

Er zijn geen kennisgevingen verstuurd.

De aanslag IB 1998 is eerder verzonden dan de datum van dagtekening, zijnde 29 juni 2000. Feitelijk geschiedt de toezending door Apeldoorn, dat gebeurt minimaal 10 dagen tevoren.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging dan wel vermindering van de boetebeschikking.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 67a, jo. artikel 9, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Wet) vormt het niet binnen de Inspecteur gestelde termijn indienen van het door hem aan belanghebbende uitgereikte aangiftebiljet IB 1999 een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van fl. 2.500,= kan opleggen. In het onderhavige geval is niet in geschil dat het aangiftebiljet IB 1999 is ingediend na de door de Inspecteur in de aanmaning gestelde uiterste termijn van indiening voor het aangiftebiljet IB 1999. Belanghebbende heeft ter zitting overigens verklaard die aanmaning voor de aangifte IB 1999 te hebben ontvangen. De Inspecteur geeft naar het oordeel van het Hof met de zogenoemde herinnering belanghebbende geen extra termijn voor het tijdig indienen van de aangifte. Belanghebbende geeft dat ook aan in zijn beroepschrift.

4.2. Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur belanghebbende terecht een boete opgelegd vanwege het niet binnen de door de Inspecteur gestelde termijn, zijnde 27 juni 2000, indienen van de aangifte IB 1999. Belanghebbende verzoekt het Hof in zijn beroepschrift die boete geheel of gedeeltelijk te verminderen. De door belanghebbende aangevoerde argumenten hebben ten doel te stellen dat er sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de boete en de ernst van het beboetbare feit.

4.3. De Inspecteur heeft belanghebbende de boete opgelegd uitgaande van het feit dat sprake is van een zogenoemd vierde verzuim inzake het te laat indienen van zijn aangiften IB. Met de door de Inspecteur gestelde gegevens inzake de indiening van de aangiften IB 1996, 1997, 1998 en 1999 is dat ook onderbouwd. Mede nu belanghebbende noch die gegevens, noch de vaststelling dat sprake is van een vierde verzuim heeft bestreden, acht het Hof bewezen dat bij de te late indiening van de aangifte IB 1999 sprake is van een zogenoemd vierde verzuim.

4.4. Uitgaande van dat vierde verzuim heeft de Inspecteur met inachtneming van het gestelde in paragraaf 21 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998 een boete opgelegd van fl. 1.750,=. Uit de vaststelling van de boete op fl. 1.750,=, welke boete de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd, blijkt dat de Inspecteur, ook bij herweging bij bezwaar van de feiten en omstandigheden van belanghebbende, geen aanleiding heeft gevonden voor matiging van de boete met toepassing van het gestelde in paragraaf 42 e.v. van voornoemd Besluit.

4.5. Het Hof stelt voorop dat het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998 geen wettelijke regels en/of rechtsregels bevat die het Hof verplicht dient toe te passen. Voornoemd Besluit bevat richtlijnen van de ambtelijk/politiek verantwoordelijke voor de belastingdienst. In die zin bevat het voornoemde Besluit voor de Inspecteur bindende regels. In voormelde richtlijnen is een opvatting verwoord over de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake boeten. Daarbij is voorzien dat de Inspecteur bij bijzondere omstandigheden kan afwijken. De Inspecteur zal, indien hij van mening is dat de betreffende wettelijke bepalingen in een specifiek geval anders dienen te worden toegepast dan aangegeven in voornoemd Besluit, de toepassing van de wettelijke regels voorrang dienen te geven. Gezien de organisatie van de belastingdienst en de positie van de Inspecteur in dezen zou het het Hof niet vreemd voorkomen dat de Inspecteur zich in zo'n geval eerst verstaat met zijn ambtelijk leidinggevende.

4.6. Het vorenstaande betekent dat het aan het Hof is om zelfstandig aan de hand van de door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden inzake het te laat indienen van de door de Inspecteur uitgereikte aangifte IB 1999 te bezien of de Inspecteur gezien het gestelde in artikel 67a van de Wet de hoogte van de boete juist heeft vastgesteld. In dit verband merkt het Hof op dat belanghebbende zich niet op enig onderdeel van voornoemd Besluit heeft beroepen.

4.7. Het beboetbare feit van artikel 67a van de Wet is het niet of niet tijdig indienen van de vereiste aangifte. Het beboetbare feit is op zich niet gerelateerd aan de omstandigheid van de door belanghebbende over het betreffende jaar te betalen belasting dan wel aan de omstandigheid dat belanghebbende over het betreffende jaar een aanslag wordt opgelegd met een te betalen bedrag dan wel een terug te ontvangen bedrag. Ook uit de omschrijving van de op te leggen boete en het maximum op te leggen bedrag aan boete van voornoemd artikel 67a, in 1999 fl. 2.500,=, blijkt dat een relatie met de heffing zelve niet aan de orde is. De boete heeft in dezen de rol van het inscherpen van de aangifteverplichting. De onderhavige boete is derhalve zeker niet gericht op het "ontnemen" van het voordeel dat belastingplichtigen zouden kunnen hebben bij het niet tijdig indienen van de aangifte IB. Voor correcties in de sfeer van de heffing zijn bepalingen inzake de zogenoemde vergrijpboeten en de heffingsrente van toepassing. Gezien het vorenstaande is het Hof van oordeel dat het feit dat belanghebbende, zoals hij stelt, eerder negatieve aanslagen ontving, bij het opleggen van de onderhavige boete en de vaststelling van het bedrag van de boete geen rol behoort te spelen.

4.8. Belanghebbende brengt naar voren dat hij door de belastingdienst niet voor de uiterste datum voor het indienen van zijn aangifte IB 1999 in kennis is gesteld dat hij al eerder in verzuim was. Daardoor heeft hij, naar hij stelt, niet kunnen weten dat hij een boete, in onderhavige geval van fl. 1.750,=, riskeerde. Het is van algemene bekendheid dat zowel in de toelichting bij het aangiftebiljet IB als op de aanmaning voor het indienen van het aangiftebiljet IB melding wordt gemaakt dat men bij het niet tijdig indienen van het uitgereikte aangiftebiljet IB een boete kan belopen. Een en ander blijkt ook uit de in het bezit van het Hof zijnde toelichtingen aangifte IB van de diverse jaren.

4.9. Belanghebbende heeft ter zitting gemeld dat voor eerdere verzuimen een boete is opgelegd. Verder maakt het Hof uit de verklaringen van belanghebbende ter zake op dat hij bekend was met de wijze van boeteoplegging in het verleden. Het Hof is gezien het vorenstaande van oordeel dat het belanghebbende derhalve bekend was dat hij bij het niet tijdig indienen van zijn aangifte IB 1999 een boete kon belopen. Belanghebbende heeft niet gesteld en het is het Hof ook niet gebleken dat bijzondere omstandigheden belanghebbende zouden hebben verhinderd zijn aangifte IB 1999 en zijn eerdere aangiften IB tijdig in te dienen.

Gezien de inhoud van de aangifte IB 1999 heeft belanghebbende niet te maken met ingewikkelde fiscale problematiek. Het Hof heeft geen aanleiding aan te nemen dat dat voor de andere jaren anders is geweest. Een en ander wordt ondersteund door de verklaring van belanghebbende ter zitting dat hij nooit inhoudelijke geschilpunten met de belastingdienst heeft gehad.

4.10. Mede nu belanghebbende er telkens duidelijk op is gewezen zijn aangiften IB tijdig in te dienen en hij dat telkens, zonder gezien het hiervoor gestelde enig argument daartoe, heeft nagelaten, komt het naar het oordeel van het Hof voor risico van belanghebbende dat hij er blijkbaar door verrast wordt dat de regeling met betrekking tot het opleggen van boete bij het niet tijdig indienen van de aangifte IB is gewijzigd. Nu belanghebbende zijn aangifte steeds niet binnen de door de Inspecteur gestelde termijn, bij uitreiken van het aangiftebiljet en de aanmaning, indiende, had het in dit geval op zijn weg gelegen zich van zijn positie in dezen te vergewissen.

4.11. Het Hof is gezien het vorenstaande van oordeel dat het feit dat belanghebbende in dezen voor de uiterste datum voor het tijdig indienen van de aangifte IB 1999 mogelijk niet is gewaarschuwd door het opleggen van de boete inzake het niet tijdig indienen van de aangifte IB 1998 niet betekent dat bij het niet tijdig indienen van de aangifte IB 1999 geen sprake zou zijn van een vierde verzuim. Het feit dat in dezen voor 1998 een ander systeem gold voor het opleggen van een boete doet daar niet aan af. Ook voor 1998 was het niet tijdig indienen van de aangifte IB strafbaar; belanghebbende was daarmee ook bekend. Verder is het Hof in dit verband van oordeel dat de gang van zaken rond de boete inzake het niet tijdig indienen van de aangifte IB 1998 niet van invloed is op de ernst van het beboetbare feit inzake de aangifte IB 1999. Belanghebbende was, zoals hiervoor gesteld, immers op de hoogte van het feit dat hij bij niet tijdig indienen van de aangifte IB 1999 een boete zou kunnen belopen.

4.12. Ten overvloede merkt het Hof nog op dat de Inspecteur heeft gesteld dat de aanslag IB 1998, met tegelijk op die aanslag de oplegging van de boete, minstens tien dagen voor de dagtekening van die aanslag aan belanghebbende is verzonden. De Inspecteur heeft tevens gesteld dat in dezen sprake is van een gebruikelijke handelwijze. Belanghebbende heeft de stellingen van de Inspecteur niet weersproken. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende voor 27 juni 2000, de uiterste datum voor het nog tijdig indienen van de aangifte IB 1999, kennis heeft kunnen nemen van de voor het jaar 1998 opgelegde boete.

4.13. Gezien het vorenstaande is het Hof van oordeel dat in dezen een boete naar een bedrag van fl. 1.750,= passend en geboden is. Een wanverhouding tussen de hoogte van de opgelegde boete en de ernst van het beboetbare feit doet zich niet voor. Zoals hiervoor al aangegeven is sprake van een telkens, zijnde met de aangifte IB 1999 voor de vierde achtereenvolgende keer, niet tijdig indienen van de aangiften IB. Belanghebbende is bekend met het feit dat alsdan een boete wordt belopen. Belanghebbende heeft, het gaat niet om een ingewikkelde aangifte, bekend zijnde met zijn verplichtingen, welbewust niet aan de gestelde verplichtingen voldaan. Daarbij komt dat de aangiften IB voor de jaren 1998 en 1999 ook pas geruime tijd na de aan belanghebbende gezonden herinnering zijn ingediend. Die herinneringen zijn op zich zelf weer ruim na het verstrijken van de uiterste termijn van de betreffende aanmaningen aan belanghebbende gezonden. Financiële omstandigheden die van invloed zouden kunnen zijn op de hoogte van de boete zijn niet gesteld noch gebleken.

4.14. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vragen aan de zijde van de Inspecteur.

4.15. Mede in verband met het tijdsverloop tussen het door de Inspecteur indienen van het verweerschrift op 25 september 2001 en het onderzoek ter zitting op 7 mei 2003 vindt het Hof aanleiding de boete te matigen tot fl. 1.500,= (€ 680,67)(artikel 6 EVRM; arrest Hoge Raad van 16 december 1998, BNB 1999/303*).

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

In de omstandigheid dat de boete wordt gematigd, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 100,= wegens verletkosten.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak,

vermindert de boete tot een bedrag van fl. 1.500,= (€ 680,67);

gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze

ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten

bedrage van € 27,23;

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de

zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 100,=; en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht

en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door G.D. van Norden, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 7 augustus 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 7 augustus 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.