Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AL6195

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2003
Datum publicatie
03-10-2003
Zaaknummer
20.001614.02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2002:AE8160
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt een man tot een gevangenisstraf van 12 jaar en TBS met dwangverpleging voor het medeplegen (samen met zijn broer) van de moord op zijn ex-vrouw en haar moeder en een poging tot moord op haar vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 20.001614.02

uitspraakdatum: 3 oktober 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Breda van 20 juni 2002 in de strafzaak onder parketnummer 02/002278-01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1979,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw-Vosseveld te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in eerste aanleg toegelaten wijzigingen begrepen.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.

op 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met beide handen de keel van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] door verstikking is overleden;

2.

op 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, een kogel afgevuurd in het hoofd van die [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

3.

op 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een pistool, heeft gericht op het lichaam van die [slachtoffer 3] en vervolgens de trekker van dat pistool heeft overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde onder 1 en 2 is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 289 van dat wetboek.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Het bewezen verklaarde onder 3 primair is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 289 van dat wetboek.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

Over de persoon van de verdachte zijn rapporten uitgebracht door klinisch en forensisch psycholoog drs. E.D. Wassenaar op 3 mei 2002 en door de psychiater A.D. Haverkamp op 30 mei 2002. Beide deskundigen concluderen dat het aan de verdachte tenlaste gelegde, indien bewezen, aan hem kan worden toegerekend, zij het slechts in sterk verminderde mate.

Het hof verenigt zich met deze conclusie van beide deskundigen en maakt die tot de zijne.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof in het kader van de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening gehouden met de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht en het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is.

Bij de strafoplegging heeft het hof voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten slechts in sterk verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Meer dan de rechtbank zal het hof de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte in de op te leggen straf verdisconteren.

Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt het hof:

Het rapport van de klinisch en forensisch psycholoog drs. E.D. Wassenaar voornoemd, houdt onder meer-zakelijk weergegeven-het navolgende in:

Er zijn bij betrokkene aanwijzingen voor een anti sociale en een borderline persoonlijkheidsstoornis en een stemmingsstoornis. Opvallend is bij betrokkene de grote mate van agressie, die plots een uitweg zoekt en de zeer gebrekkige mate van impulscontrole. Ook valt op het grote onvermogen van betrokkene om zich in een ander in te leven. Kans op recidive is aannemelijk.

Betrokkene is sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten, gelet op de stemmings-en persoonlijkheidsstoornis. Betrokkene had het idee fixe opgevat dat hij zijn broer zou kunnen helpen door diens ex echtgenote om het leven te brengen. Betrokkene heeft deze missie op min of meer dwangmatige, en ook buitengewoon onbeholpen wijze uitgevoerd. Weliswaar kon betrokkene de gevolgen van zijn handelen voorzien, maar had dit vooral ten aanzien van het risico op een eventuele detentie voor hemzelf, maar niet of nauwelijks ten aanzien van de gevolgen voor eventuele slachtoffers. Een gerichte behandeling vanuit een tbs situatie lijkt noodzakelijk. Gelet op de toch wel defaitistische houding van betrokkene lijken de kans op geweld naar derden c.q. zelfverwonding, ook tijdens detentie, waarschijnlijk.

Het rapport van de psychiater A.D. Haverkamp voornoemd, houdt onder meer-zakelijk weergegeven-het navolgende in:

Betrokkene is een man, die zakkig overkomt en van wie de schoolopleiding helemaal niet conform zijn intellectuele capaciteiten is verlopen. Een tegenstelling die zijn oorsprong wel moet vinden in de houding van zijn zieke moeder tegenover betrokkene. Zij voedde hem niet alleen in verwennende zin op, maar moet ook sterk op hem hebben geleund en zo een symbiotische band met betrokkene tot stand hebben gebracht. De belasting daarvan moet ook zo groot zijn geweest dat betrokkene in zijn puberteit zelf depressief is geworden, hetgeen door zijn rookgedrag enigszins is gemaskeerd geweest. Door het drinken van alcohol gecombineerd met het gebruik van drugs is betrokkene's passiviteit nog verder aangewakkerd. Betrokkene woont dan ook nog thuis als hij 20 jaar oud is en zijn ouders van elkaar gaan scheiden. Daarin komt pas verandering als betrokkene na het uitzitten van gevangenisstraf de stap zet om zelfstandig te gaan wonen. Het is een fase waarin het contact met zijn broer, in tegenstelling tot vroeger, hele stevige vormen aanneemt.

Het heeft symbiotische kenmerken verkregen en heeft zo de basis gevormd voor betrokkene's optreden tijdens het delict.

Aangezien in betrokkene's opstelling een enorme passiviteit ligt opgesloten kan er niet van worden uitgegaan dat hij zelfstandig in staat zal zijn de desastreuze ontwikkeling, van zichzelf binnen de gevangenis, in de goede richting om te buigen. Te meer niet daar betrokkene nog steeds niet voor behandeling op een verslavingsafdeling binnen detentie in aanmerking is gekomen en zonder steun niks kan. Een TBS-behandeling met verpleging in een kliniek met medicamenteuze-, sociotherapeutische-en gedragstherapeutische behandelmogelijkheden is daarom aangewezen.

Bij betrokkene is zonder meer sprake van een groot recidiefgevaar en de behandeling van zijn problematiek is zeer ingewikkeld.

Het hof neemt vorenstaande overwegingen en conclusies van de beide deskundigen over en maakt die tot de zijne.

Op grond van het oordeel dat ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten er bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en dat er voorts sprake is van groot gevaar voor herhaling van dergelijke feiten, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en/of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging eist. Zulks is, nu de door de verdachte begane feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld, ook toegelaten.

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om, op de voet van het bepaalde in artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, terzake de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging, in zijn arrest een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop deze maatregel van overheidswege dient aan te vangen. Volgens de raadsman van de verdachte dient dit advies te luiden dat eerst de TBS-maatregel wordt tenuitvoergelegd en aansluitend de gevangenisstraf.

Het hof overweegt daaromtrent dat het vast (departementaal) beleid is dat in een geval als de onderhavige eerst de vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd. Dit is impliciet conform artikel 38f, eerste lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafrecht. De tbs-termijn loopt niet gedurende de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. De Wet tbs en sanctietoepassing (Stb. 1997, 282) houdt vast aan voornoemde volgorde van tenuitvoerlegging. De omstandigheid dat uit een oogpunt van individuele zorg de executievolgorde beter tbs-gevangenisstraf kan zijn, dan gevangenisstraf-tbs, zoals de raadsman van de verdachte betoogt, is niet de enige omstandigheid die bij de straftoemeting telt. Het hof is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting, mede gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op basis waarvan de uitdrukkelijk door de wetgever gewenste volgorde zou moeten worden doorbroken. Het hof adviseert dan ook -evenals de rechtbank- de tbs-maatregel te executeren nadat tweederde van de ten deze op te leggen gevangenisstraf door de verdachte is ondergaan, mede gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de ook nog ter zitting door verdachte uitgesproken dreiging dat hij zichzelf en/of anderen iets zal aandoen, indien hij niet onmiddellijk zal worden behandeld en dient de executie van de straf hierop te worden aangepast.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 3], wonende te [adres] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De vordering belopende een bedrag van [Euro] 9.609,43, waaronder een bedrag van [Euro] 5.000,- als voorschot op smartengeld en shockschade, is door de rechter in eerste aanleg geheel toegewezen. De benadeelde partij is door de eerste rechter niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering voor zover deze betrekking heeft op de PM-posten.

De toegewezen vordering duurt van rechtswege in hoger beroep voort.

De vordering is niet dan wel onvoldoende betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1, 2 en 3 primair bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. Deze schade stelt het hof als volgt vast:

- kosten uitvaart: [Euro] 3.997,76;

- nota [firma] (begrafenis-en crematieverzorging) [Euro] 294,96;

- nota [apotheek] [Euro] 3,63;

Ten aanzien van de posten:

- 4 nota's eerstelijns psychologische hulp [Euro] 313,08;

- voorschot smartengeld en shockschade [Euro] 5.000,-;

overweegt het hof het navolgende.

In zoverre de posten van de eerstelijns psychologische hulp en smartengeld betrekking hebben op psychische schade aan de verdachte zelf toegebracht, zijn het kosten die het rechtstreekse gevolg zijn van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten en zijn deze voor toewijzing vatbaar.

Voorzover de post eerstelijns psychologische hulp en de post shockschade betrekking hebben op kosten voor geestelijke hulp in verband met de moord op zijn vrouw en dochter is het hof van oordeel dat deze het rechtstreekse gevolg zijn van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij heeft eerst zijn vrouw onder zijn ogen vermoord zien worden en werd kort daarop geconfronteerd met de afschuwelijke wijze waarop zijn dochter was vermoord. Deze waarneming van de moord op zijn vrouw en de directe confrontatie met zijn vermoorde dochter, hebben naar redelijkerwijs kan worden aangenomen bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeggebracht waaruit voor de benadeelde partij geestelijk letsel is voortgevloeid, hetgeen blijkt uit het feit dat de benadeelde partij zich onder geestelijke behandeling heeft moeten stellen.

Op basis van vorenstaande omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat ook de vordering betreffende de psychologische hulp, het voorschot smartengeld en de shockschade kunnen worden toegewezen.

De proceskosten worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat, [slachtoffer 3] wonende te [adres] als gevolg van de onder 1, 2 en 3 primair bewezen verklaarde feiten, schade heeft geleden tot een bedrag van [Euro] 9.609,43.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van [Euro] 9.609,43 te betalen ten behoeve van het slachtoffer, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 36f, 37a, 37b, 45, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

T.a.v. sub 1 en 2 telkens: "Medeplegen van moord",

T.a.v. sub 3 primair: "Poging tot moord";

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt tevens diens verpleging van overheidswege.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3], wonende te [adres], een bedrag van [Euro] 9.609,43, waaronder een bedrag van [Euro] 5.000,-, bij wege van voorschot op smartengeld en shockschade, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], wonende te [adres], te betalen een bedrag van [Euro] 9.609,43(zegge: negenduizendzeshonderdennegen euro en drieënveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van negentig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Aarts, als voorzitter

Mrs. Otten en Rijken, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Van der Meijs, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 oktober 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 02

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1979,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw-Vosseveld te Vught.

Is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 20 juni 2002 ter zake van:

T.a.v. sub 1 en 2 telkens: "Medeplegen van moord", t.a.v. sub 3 primair: "Poging tot moord";

veroordeeld tot:

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, bepaalt dat de tijd door de verdachte reeds doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt daarbij dat hij van overheidswege zal worden verpleegd, adviseert de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet eerder aan te vangen dan nadat tweederde van de hiervoor vermelde gevangenisstraf is ondergaan, wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdacht tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van negenduizend zeshonderd en negen euro en drieënveertig eurocent, bij wijze van voorschot te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering, verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededader is voldaan, bepaalt dat de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt tot op heden begroot op nihil, legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een som geld ten bedrage van negenduizend zeshonderd en negen euro en drieënveertig eurocent subsidiair negentig dagen hechtenis met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, verstaat dat indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven opgelegde schademaatregel de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen en vice versa indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaalt aan deze benadeelde partij daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag komt te vervallen, verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededader is voldaan, verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 primiar meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;