Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AL6183

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2003
Datum publicatie
03-10-2003
Zaaknummer
20.001612.02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2002:AE6845
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt een man die samen met zijn broer de ex-vrouw van zijn broer en haar moeder om het leven heeft gebracht tot een gevangenisstraf van 18 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 20.001612.02

uitspraakdatum: 3 oktober 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Breda van 20 juni 2002 in de strafzaak onder parketnummer 02/001077-02 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1975,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in eerste aanleg toegelaten wijzigingen begrepen.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.

op 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met beide handen de keel van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

op 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, een kogel afgevuurd in het hoofd van die [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van hetgeen hiervoor onder 1 primair is bewezenverklaard, overweegt het hof het volgende.

Door de raadsman van de verdachte is ter zitting in hoger beroep aangevoerd, zo althans begrijpt het hof het verweer van de raadsman, dat niet bewezen kan worden dat er bij verdachte sprake is van opzet en voorbedachten rade met betrekking tot de moord op [slachtoffer 1], hierna te noemen [slachtoffer 1]. De raadsman voert daartoe aan dat de verdachte geen enkele vorm van wetenschap had van de plannen van zijn broer [medeverdachte]. De raadsman geeft toe dat de verdachte in zijn boosheid wel eens uitlatingen heeft gedaan in de zin dat [slachtoffer 1] kapot kon vallen, maar dat hij op geen enkele wijze concreet met zijn broer en of met iemand anders heeft besproken dat zij om het leven gebracht moest worden. De verdachte wist weliswaar dat [medeverdachte] naar Bavel afreisde naar [slachtoffer 1], maar ging ervan uit dat dit alleen maar was om de gerezen problemen in het kader van de echtscheiding tussen de verdachte en [slachtoffer 1] uit te praten. Daarbij wordt door de verdachte erkend dat hij een wapen, dat overigens ondeugdelijk zou zijn, aan [medeverdachte] heeft meegegeven en dat [medeverdachte] ook een muts en een routebeschrijving meenam toen hij naar Bavel ging. Dit alles hing echter niet samen met enig plan om [slachtoffer 1] te doden, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer van de raadsman van de verdachte.

Het hof is van oordeel dat de gedetailleerde verklaringen van [medeverdachte] omtrent de rol van verdachte bij de aan hen beiden ten laste gelegde feiten, zoals afgelegd bij de politie, worden ondersteund door de verklaringen van [getuige 1], zoals afgelegd bij de politie en ter zitting in hoger beroep en de verklaringen van [getuige 2]. [medeverdachte] heeft meerdere malen bij verhoren door de politie verklaard dat verdachte en hij het plan hadden opgevat om [slachtoffer 1] te doden. Uit voornoemde verklaringen komt tevens naar voren dat het de bedoeling was dat verdachte door [medeverdachte] uit de wind zou worden gehouden, zodat hij na de moord op [slachtoffer 1] in de gelegenheid zou zijn hun dochtertje op te voeden. In dat kader werd er een alibi bedacht waarbij op de avond van de moord te Bavel, [verdachte] en [getuige 1] samen zouden zijn in [cafe], waar veel mensen, die zij kenden, hen zouden zien.

Voorts acht het hof voor de betrokkenheid van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde delict van belang dat hij aan [medeverdachte] een wapen met munitie ter beschikking heeft gesteld en een plattegrond van Bavel met een kruisje op de plaats waar de woning van de ouders van [slachtoffer 1] lag, alwaar zij verbleef. Dit alles, evenals het ter beschikking stellen van een muts door de verdachte aan [medeverdachte] en het geven van geld voor trein en bus, duidt op een gerichtheid van de verdachte op het welbewust om het leven willen brengen van [slachtoffer 1]. Het hof acht het onaannemelijk dat [medeverdachte] na voormelde beraming en met medeneming van vorengenoemde voorwerpen slechts naar Bavel afreisde om met [slachtoffer 1] te praten over de echtscheiding tussen haar en zijn broer [verdachte] en de daarbij gerezen problemen.

Uit vorengenoemde omstandigheden leidt het hof af dat er opzet en voorbedachte rade bij de verdachte was ten aanzien van de dood van [slachtoffer 1], waarbij sprake is geweest van een zodanige innige en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] dat er sprake is van medeplegen.

Ten aanzien van hetgeen hiervoor onder 2 primair bewezen is verklaard overweegt het hof het navolgende:

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, kort samengevat, dat zelfs indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van [medeverdachte] ten overstaan van de politie, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de opzet van de verdachte ook was gericht op de dood van [slachtoffer 2], hierna te noemen de moeder van [slachtoffer 1]. [medeverdachte] heeft immers, na zijn terugkeer uit Bavel, verklaard dat het allemaal uit de hand was gelopen. Dit wijst er volgens de raadsman op dat [medeverdachte] en ook [verdachte] geen rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat bij het om het leven brengen van [slachtoffer 1] ook haar moeder zou worden betrokken. Bovendien is de moeder van [slachtoffer 1] nooit eerder ter sprake gebracht in de gesprekken over [slachtoffer 1]. Derhalve moet worden aangenomen dat ten aanzien van de dood van de moeder van [slachtoffer 1] geen opzet heeft bestaan en dat de moeder van [slachtoffer 1] per ongeluk is doodgeschoten tijdens een worsteling.

Het hof verwerpt dit verweer van de raadsman.

In zijn verklaring geeft [medeverdachte], op een vraag van [verdachte] wat hij zou doen wanneer de ouders van [slachtoffer 1] thuis waren, onder meer aan dat hij hen ook zou neerschieten. [verdachte] heeft daarop geknikt. Uit voornoemde verklaring blijkt dat de mogelijkheid dat de ouders van [slachtoffer 1] zouden worden gedood concreet aan de orde is geweest tijdens de gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte]. Mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte wist dat [medeverdachte] met een doorgeladen pistool naar de woning van de ouders van [slachtoffer 1] zou gaan om [slachtoffer 1] te vermoorden en dat de verdachte zich op geen enkele wijze heeft gedistantieerd van het handelen van [medeverdachte] komt het hof tot de conclusie dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte] niet alleen [slachtoffer 1] zou doden maar tevens haar moeder. In dat kader weegt het hof mee dat de verdachte ook heeft verklaard dat de moeder van [slachtoffer 1] altijd thuis zat.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde onder 1 primair en 2 primair is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 289 van dat Wetboek.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte is er een rapport van het Pieter Baan Centrum nr. 8664, d.d. 16 september 2003 opgemaakt door M.D. Ekeren, psychiater en P.E. Geurkink, psycholoog. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat onderzochte ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten weliswaar lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, doch dat deze feiten -indien bewezen- hem volledig kunnen worden toegerekend.

Het hof neemt deze conclusie van de beide deskundigen over en maakt die tot de zijne.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof ten aanzien van de strafoplegging ten nadele van de verdachte, dat er sprake is geweest van een extreme gewelddadigheid ten aanzien van zowel [slachtoffer 1] als ook de moeder van [slachtoffer 1], hetgeen voor hun nabestaanden en vrienden onherstelbaar leed heeft veroorzaakt. Verdachte is welbewust in dat handelen van zijn broer [medeverdachte] meegegaan en heeft zich door de mogelijke en ernstige gevolgen die het handelen van [medeverdachte] met zich zouden brengen geenszins laten weerhouden. Verdachte is degene geweest die openlijk en duidelijk voor krachtdadige actie(s) tegen [slachtoffer 1] heeft gepleit en hij heeft daarbij het risico genomen dat ook anderen in het geweld zouden worden betrokken. Dit alles valt hem, blijkens het uitgebrachte rapport van het Pieter Baan Centrum, in normale mate toe te rekenen.

Het hof heeft in het kader van de strafoplegging ook mee laten wegen dat het een conflict in de relationele sfeer betrof waarin, door de toewijzing door de rechter aan de moeder van zijn dochter [dochter] en het ontbreken van een bezoekregeling met betrekking tot zijn kind, verdachte wanhopig was geworden en vanuit die situatie heeft gehandeld.

Het hof heeft al bovengenoemde aspecten mee laten wegen in de uiteindelijk opgelegde gevangenisstraf van zeer lange duur. Dat het hof daarbij niet -zoals de rechter in eerste aanleg- heeft geoordeeld dat verdachte voor altijd uit de maatschappij dient te worden verwijderd, vindt zijn grondslag in het navolgende.

Voorop moet worden gesteld dat het leven van een mens het meest kostbare goed is dat hij bezit, waarmee samenhangt dat op het opzettelijk nemen van dat leven de wetgever de hoogste strafbedreiging heeft gesteld. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat een eenmaal genomen leven zich niet meer leent voor enigerlei vorm van herstel of genoegdoening jegens het slachtoffer, zodat het opleggen van een straf met uitsluitend dat doel niet wel mogelijk is. Blijft de op zich gerechtvaardigde wens van de direct betrokkenen en in verder verwijderd verband de maatschappij tot leedtoevoeging jegens de dader als vergelding voor deze misdaad. Die wens is begrijpelijk, maar dient te worden afgezet tegen het recht op een zoveel mogelijk menswaardig bestaan van de dader wiens leven immers niet eindigt. Het uitsluiten van elke reële mogelijkheid om zich verder te ontplooien, relaties aan te gaan, zorg te dragen voor anderen en wellicht zij het op eigen wijze te leren van de gevolgen van zijn misdaad in de vorm van het opleggen van een levenslange gevangenisstraf dient dan ook naar het oordeel van het hof met uiterste terughoudendheid plaats te vinden.

Die terughoudendheid brengt het hof ertoe mede gelet op de leeftijd van de verdachte en de onvolwassenheid en de beperkingen in zijn persoonlijkheid, zoals deze uit de rapportages spreekt, niet te kiezen voor een levenslange gevangenisstraf, maar voor een gevangenisstraf van zeer lange duur nu de verdachte zijn daden overigens wel ten volle kunnen worden toegerekend.

Vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij], wonende te [adres] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De vordering belopende een bedrag van [Euro] 9.609,43, waaronder een bedrag van [Euro] 5.000,- als voorschot op smartengeld en shockschade, is door de rechter in eerste aanleg geheel toegewezen. De benadeelde partij is door de eerste rechter niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering voor zover deze betrekking heeft op de PM-posten.

De toegewezen vordering duurt van rechtswege in hoger beroep voort.

De vordering is niet dan wel onvoldoende betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. Deze schade stelt het hof als volgt vast:

- kosten uitvaart: [Euro] 3.997,76;

- nota [firma] (begrafenis-en crematieverzorging) [Euro] 294,96;

- nota [apotheek] [Euro] 3,63;

Ten aanzien van de posten:

- 4 nota's eerstelijns psychologische hulp [Euro] 313,08;

- voorschot smartengeld en shockschade [Euro] 5.000,-;

overweegt het hof het navolgende.

In zoverre de posten van de eerstelijns psychologische hulp en smartengeld betrekking hebben op psychische schade aan de verdachte zelf toegebracht, zijn het kosten die niet het rechtstreekse gevolg zijn van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten en zijn deze niet voor toewijzing vatbaar.

Voorzover de post eerstelijns psychologische hulp en de post shockschade betrekking hebben op kosten voor geestelijke hulp in verband met de moord op zijn vrouw en dochter, is het hof van oordeel dat deze het rechtstreekse gevolg zijn van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij heeft eerst zijn vrouw onder zijn ogen vermoord zien worden en werd kort daarop geconfronteerd met de afschuwelijke wijze waarop zijn dochter was vermoord. Deze waarneming van de moord op zijn vrouw en de directe confrontatie met zijn vermoorde dochter, hebben, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeggebracht waaruit voor de benadeelde partij geestelijk letsel is voortgevloeid, hetgeen blijkt uit het feit dat de benadeelde partij zich onder geestelijke behandeling heeft moeten stellen. Gezien de beperkte omvang van de nota's betrekking hebbend op de eerste lijns psychologische hulp komt het het hof redelijk voor deze uitsluitend toe te rekenen aan vorengenoemde schade en niet ook tevens aan de schade teweeggebracht door de poging tot moord op het slachtoffer zelf, nu deze niet aan verdachte ten laste is gelegd.

Op basis van vorenstaande omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat ook de vordering betreffende de psychologische hulp, het voorschot smartengeld en de schockschade kunnen worden toegewezen.

De proceskosten worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

Schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat, [benadeelde partij] wonende te [adres] als gevolg van de onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde feiten, schade heeft geleden tot een bedrag van [Euro] 9.609,43.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van [Euro] 9.609,43 te betalen ten behoeve van het slachtoffer, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 36f, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

T.a.v. 1 en 2: "Medeplegen van moord";

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van achttien jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende te [adres], een bedrag van [Euro] 9.609,43, waaronder een bedrag van [Euro] 5.000,-, bij wege van voorschot op smartengeld en shockschade, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], wonende te [adres], te betalen een bedrag van [Euro] 9.609,43(zegge: negenduizendzeshonderdennegen euro en drieënveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van negentig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Dit arrest is gewezen door Mr. Aarts, als voorzitter

Mrs. Otten en Rijken, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Van der Meijs, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 oktober 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 01

tijd : 09.30

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1975,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.

Is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 20 juni 2002 ter zake van:

T.a.v. 1 en 2: "Medeplegen van moord";

veroordeeld tot:

veroordeelt verdachte tot een levenslange gevangenisstraf, wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdacht tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van negenduizend zeshonderd en negen euro en drieënveertig eurocent, bij wijze van voorschot te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering, verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededader is voldaan, bepaalt dat de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt tot op heden begroot op nihil, legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer [benadeelde partij] te betalen een som geld ten bedrage van negenduizend zeshonderd en negen euro en drieënveertig eurocent subsidiair negentig dagen hechtenis met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, verstaat dat indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven opgelegde schademaatregel de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen en vice versa indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaalt aan deze benadeelde partij daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag komt te vervallen, verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededader is voldaan, verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 primiar meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;