Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AK3807

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2003
Datum publicatie
15-09-2003
Zaaknummer
00/01081
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Heeft de Inspecteur terecht de huurwaarde van de eigen woning op grond van artikel 42a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) gesteld op 3% van ƒ 251.000,-?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/01081

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 22.962,-, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 22.560,-.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van ƒ 60,- (€ 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 14 mei 2003 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een nadere becijfering overgelegd van de waarde van de woning van belanghebbende, met een zestal bijgevoegde bladzijden.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak Astraat 1 te Y. De onroerende zaak werd in het onderhavige jaar deels gebruikt als eigen woning en deels voor het drijven van een onderneming (slagerij) en behoort tot het ondernemingsvermogen.

2.2. De gemeente Y heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum 1 januari 1995 vastgesteld op ƒ 295.000,-, volgens het taxatieverslag als volgt te specificeren:

ƒ

- Winkelruimte 18.000

- Opslagruimte/loods 11.625

- Woonruimte 176.400

- Bij woning 75.000

- Grond 14.400

Totaal (afgerond) 295.000.

2.3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 17.235,-. Bij de inkomsten uit eigen woning heeft belanghebbende een huurwaarde aangegeven van ƒ 2.205,-, zijnde 1,25% van ƒ 176.400,-.

2.4. Bij brief van 15 december 1998 bericht de Inspecteur belanghebbende dat hij voornemens is van de aangifte af te wijken. Aangezien de onroerende zaak tot het ondernemingsvermogen behoort, dient geen huurwaardeforfait te worden aangegeven bij de inkomsten uit eigen woning, maar dient de huurwaarde van de woning bij de winst uit onderneming te worden geteld, aldus de Inspecteur.

Derhalve heeft de Inspecteur de volgende correcties toegepast:

ƒ ƒ

Aangegeven belastbaar inkomen 17.235

Correcties:

- Winst uit onderneming

3% x ƒ 264.400 7.932

- Inkomsten uit eigen woning 2.205 -

5.727

Gecorrigeerd belastbaar inkomen 22.962.

2.5. De Inspecteur heeft de aan de woning toe te rekenen waarde als volgt berekend:

ƒ

- Woonruimte 176.400

- Bij woning 75.000

- Grond: 90% van ƒ 14.400 (afgerond) 13.000

Totaal waarde woning 264.400.

Volgens telefonische mededeling van belanghebbende aan de Inspecteur betreft de post "bij woning" inderdaad een bij de woning behorend gedeelte. De Inspecteur heeft 90% van de grond bij de woning gerekend omdat van de opstallen ook 90% aan de woning toekomt.

2.6. Tijdens de bezwaarfase heeft de Inspecteur de aan de woning toe te rekenen waarde herzien, omdat de post "bij woning" waarschijnlijk de aan de woning toe te rekenen grond betreft:

ƒ

- Woonruimte 176.400

- Bij woning, zijnde grond 75.000

Totaal waarde woning (afgerond) 251.000.

2.7. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 22.560,-, als gevolg van de gewijzigde huurwaarde:

ƒ ƒ

Vastgesteld belastbaar inkomen 22.962

- Huurwaarde bij aanslagregeling:

3% x ƒ 264.400 7.932

- Huurwaarde na bezwaar:

3% x ƒ 251.000 7.530

Lagere huurwaarde woning 402

Nader vastgesteld belastbaar inkomen 22.560.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Heeft de Inspecteur terecht de huurwaarde van de eigen woning op grond van artikel 42a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) gesteld op 3% van ƒ 251.000,-?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:

Belanghebbende

Er heeft een minnelijke taxatie plaatsgevonden, waarbij de inhoudsmaten van de onroerende zaak zijn opgenomen. De waardevaststelling ingevolge de Wet WOZ is een schatting geweest. De taxatie op basis van de werkelijk gemeten maten moet worden gevolgd. De aan de woning toe te rekenen waarde bedraagt dan ƒ 195.000,-.

De Inspecteur

Voor de bepaling van de huurwaarde dient te worden uitgegaan van de waarde zoals die is vastgesteld in het kader van de Wet WOZ. Deze waarde is geen schatting, maar is de waarde in het economische verkeer per 1 januari 1995. De WOZ-beschikking staat onherroepelijk vast. Mij zijn geen feiten en omstandigheden bekend op grond waarvan de conclusie zou kunnen worden getrokken dat die beschikking berust op een onjuiste objectafbakening. Ik persisteer bij mijn standpunt dat de aan de woning toe te rekenen waarde ƒ 251.000,- bedraagt.

3.3. Belanghebbende concludeert, blijkens zijn ter zitting gewijzigde verklaring, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.880,-.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tijdens de bezwaarfase en in zijn beroepschrift heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat de huurwaarde alleen dient te worden berekend over de waarde van de woonruimte ten bedrage van ƒ 176.400,- en niet over de waarde van de post "bij woning" of "grond". Uit de ter zitting overgelegde berekening van belanghebbende blijkt dat belanghebbende de post "bij woning" van ƒ 75.000,-, evenals de Inspecteur, tot de waarde van de woning rekent. Het Hof trekt hieruit de conclusie dat belanghebbende zijn tijdens de bezwaarfase en in zijn beroepschrift ingenomen standpunt heeft verlaten. De stelling van belanghebbende dat op grond van het gelijkheidsbeginsel ter bepaling van de huurwaarde geen grond aan de woning dient te worden toegerekend, behoeft derhalve geen behandeling.

4.2. Nu de onroerende zaak tot het ondernemingsvermogen behoort, dient op grond van artikel 42a, negende lid, van de Wet, de huurwaarde van de eigen woning bij de winst uit onderneming te worden geteld. Blijkens voornoemd artikellid wordt - voorzover hier van belang - deze huurwaarde gesteld op 3% van de waarde van de woning in het economische verkeer. Ingevolge het derde lid wordt

- voor de toepassing van artikel 42a van de Wet - de waarde in het economische verkeer van een eigen woning gesteld op de verkoopprijs welke zou kunnen worden verkregen indien die woning niet zou worden gebruikt, bepaald naar het prijspeil op 1 januari 1995. In artikel 42a, vierde lid, van de Wet is - kortgezegd - opgenomen dat de waarde in het economische verkeer, ingeval een WOZ-beschikking per waardepeildatum 1 januari 1995 is vastgesteld, op de WOZ-waarde dient te worden gesteld. De opvatting van belanghebbende dat, ter bepaling van de huurwaarde van een eigen woning, de voor de Wet WOZ vastgestelde waarde moet wijken voor een minnelijke taxatie vindt geen steun in de wet.

4.3. Nu vaststaat dat de WOZ-beschikking - met waardepeildatum 1 januari 1995 - onherroepelijk vaststaat, dient de huurwaarde van de eigen woning te worden gesteld op 3% van de waarde van de woonruimte (ƒ 176.400,-) en van de bij de woning behorende grond (ƒ 75.000,-), derhalve op 3% van ƒ 251.000,- (afgerond) oftewel ƒ 7.530,-.

4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.W. van der Voort, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 23 juni 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 23 juni 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.