Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AK3520

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
12-09-2003
Zaaknummer
00/03144
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard is tussen hen uitsluitend nog in geschil of belanghebbende op grond van bij haar opgewekt vertrouwen recht heeft op een aftrek voor buitengewone lasten wegens studie van fl. 5.449,--, welk bedrag is gebaseerd op de in werkelijkheid gedane uitgaven, in plaats van het door de Inspecteur ter zake in aftrek toegelaten bedrag van fl. 3.286,--, welk bedrag is gebaseerd op de vaste normbedragen als bedoeld in artikel 46, lid 1, aanhef en letter c, in combinatie met lid 9 van genoemd artikel, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11, geldigheid: 2003-07-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1549

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/03144

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) gedane uitspraak van 21 september 2000 op het bezwaarschrift tegen de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 27 juni 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van haar echtgenoot , alsmede de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 11 juli 2003, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden voor de beslissing

1. Naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard is tussen hen uitsluitend nog in geschil of belanghebbende op grond van bij haar opgewekt vertrouwen recht heeft op een aftrek voor buitengewone lasten wegens studie van fl. 5.449,--, welk bedrag is gebaseerd op de in werkelijkheid gedane uitgaven, in plaats van het door de Inspecteur ter zake in aftrek toegelaten bedrag van fl. 3.286,--, welk bedrag is gebaseerd op de vaste normbedragen als bedoeld in artikel 46, lid 1, aanhef en letter c, in combinatie met lid 9 van genoemd artikel, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

2. Belanghebbende stelt hiertoe uitsluitend dat zij er op basis van de voorlichting die de Belastingdienst te dier zake op de website van de Belastingdienst als ook in de (help)toelichting op de aftrekbaarheid van studiekosten bij de belastingdiskette voor het doen van aangifte vermeldt, welke voorlichting door belanghebbende in copie is overgelegd, op mocht vertrouwen dat zij in casu de werkelijke kosten in aftrek mocht brengen.

3. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat in bedoelde voorlichting van de Belastingdienst niet expliciet is gesteld dat aftrek uitsluitend naar de vaste normbedragen mogelijk is. Aan de andere kant evenwel wordt in die publicaties evenmin vermeld dat aftrek naar de werkelijke kosten mogelijk is.

4. Niet voor elke uitlating van de Belastingdienst, waardoor bij een belastingplichtige vertrouwen is gewekt ten aanzien van een door de belastingadministratie te volgen wetstoepassing, moet een juiste toepassing van de wet wijken.

Wanneer het gaat om uitlatingen die niet als een toezegging of goedkeuring zijn op te vatten doch waarin slechts algemene voorlichting wordt gegeven ter vergemakkelijking van het invullen van een aangiftebiljet, zoals in het onderhavige geval, dient aan het beginsel dat de wet moet worden toegepast in zoverre meer gewicht te worden toegekend dan aan het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat de Belastingdienst verwachtingen honoreert welke zij bij een belastingplichtige ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft gewekt en waarop die belastingplichtige zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen, dat in de regel de Belastingdienst door onjuistheden in de voorlichting niet wordt gebonden. Voor afwijking van deze regel is slechts plaats ingeval de belastingplichtige de onjuistheid niet had behoeven te beseffen en tevens wordt geconfronteerd met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten (zie arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 9 maart 1988, nummer 24 199, onder meer gepubliceerd in BNB 1988/148).

5. Indien het Hof veronderstellenderwijs uitgaat van de onjuistheid van de door de Belastingdienst gegeven voorlichting, is, nu het Hof niet gebleken is dat belanghebbende als gevolg van deze onjuistheid een handeling als hiervoor bedoeld heeft verricht of nagelaten,

- belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat zij geen schade - buiten de verschuldigde belasting - heeft geleden en dat zij en/of haar echtgenoot niet op basis van het bij haar/hem gewekt vertrouwen iets gedaan of nagelaten heeft, dat zij/hij anders niet zou hebben gedaan of nagelaten - de Belastingdienst naar het oordeel van het Hof in dat geval niet aan de onjuistheid in haar voorlichting gebonden.

6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Voor dit geval is niet in geschil, dat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door G.J. van Muijen, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2003.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 14 juli 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 43,50.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 174,00 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.