Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0899

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2003
Datum publicatie
07-08-2003
Zaaknummer
00/03199
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil beperkt zich uitsluitend tot de vraag of de correctie inzake de aftrek reiskosten in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1485
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/03199

HET GERECHTSHOF TE 's HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) gedane uitspraak van 7 november 2000 op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 28 april 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 12 mei 2003, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden voor de beslissing

(1) Belanghebbende heeft door middel van een E-biljet voor het jaar 1999 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van fl. 103.835,=. In de aangifte heeft hij bij vraag 2e een bedrag van fl. 1.137,= in aftrek gebracht. Belanghebbende werkte gedurende het gehele jaar 1999 in Den Haag bij het ministerie van A en reisde dagelijks per openbaar vervoer naar zijn werk op basis van een NS-jaarkaart. Laatstgenoemde kaart is hem in het kader van het vervoerplan verstrekt door zijn werkgever. Hij betaalde daarvoor een eigen bijdrage van fl. 94,75 per maand.

(2) De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling een correctie aangebracht voor reiskosten woning-werk van fl. 1.137,=. De correctie is aangebracht omdat belanghebbende in 1999 werd vervoerd vanwege de werkgever en overigens niet voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor reiskostenaftrek. In dit verband werd gesteld dat de bijdrage van fl. 94,75 per maand minder is dan 70 % van het reiskostenforfait van fl. 5.430,=. Belanghebbende is tijdig bij bezwaar opgekomen tegen voornoemde correctie. Aan zijn bezwaar is niet tegemoetgekomen.

(3) Belanghebbende is tijdig in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar. Desgevraagd heeft hij ter zitting verklaard dat het geschil zich uitsluitend beperkt tot de vraag of de correctie inzake de aftrek reiskosten in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Hij maakt daarbij aanspraak op proceskostenvergoeding.

(4) In zijn beroepschrift betoogt belanghebbende dat de inspecteur rechtsongelijkheid creëert door een onderscheid te maken tussen personen die een vervoersabonnement ontvangen van de werkgever en een eigen bijdrage betalen en personen die zelf zo'n abonnement kopen en een gedeeltelijke vergoeding ontvangen van hun werkgever. Verder voert belanghebbende aan dat verschillende collega's die in dezelfde omstandigheden verkeren en eveneens een bedrag van fl. 1.137,= in aftrek hebben gebracht daarvoor goedkeuring hebben ontvangen van hun inspecteur. Dit bevestigt zijn gevoel van onderscheid en rechtsongelijkheid. Ter zitting heeft belanghebbende, in aanvulling op het gestelde in zijn beroepschrift, aangegeven vervoer vanwege de werkgever en eigen vervoer als gelijksoortig te zien.

(5) Voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel gaat het om gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn. Zo was blijkens Hoge Raad 1 februari 1995, BNB 1995/81, niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat belanghebbende de kosten van outplacement niet als sollicitatiekosten in aftrek kon brengen terwijl een vergoeding van die kosten bij wijze van loon in natura onbelast zou zijn gebleven. In casu gaat het om de vergelijking van vervoer vanwege de werkgever en vervoer op eigen kosten. De Inspecteur heeft in dezen gesteld dat geen sprake is van gelijke gevallen. De wetgever heeft, aldus de Inspecteur, met de betreffende gevallen iets anders bedoeld. Nu zowel feitelijk als op het punt van de regelgeving een en ander verschillend is, is hier naar het oordeel van het Hof sprake van verschillende gevallen.

(6) Belanghebbende beoogt met zijn stelling aangaande de goedkeuring van de aftrek reiskosten ten aanzien van zijn collega's kennelijk niet te stellen dat sprake is van bewust begunstigend beleid van de Inspecteur. Een bewuste gedragslijn van de Inspecteur om af te wijken van de wettelijke regelingen wordt immers niet gesteld, noch aannemelijk gemaakt. Belanghebbende spreekt zowel in zijn bezwaarschrift als in zijn beroepschrift in dit kader dan ook van rechtsongelijkheid. Ook uit de door belanghebbende bij zijn bezwaarschrift gevoegde delen van de brochure "Reiskosten woning-werk en de auto van de zaak" blijkt eerder van het tegendeel. Wel kan zijn stelling aldus worden verstaan dat in dezen mogelijk sprake is van toepassing van de door de Hoge Raad geformuleerde zogenoemde meerderheidsregel. Volgens de meerderheidsregel vindt het gelijkheidsbeginsel ook toepassing als in de meerderheid van met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Nu door belanghebbende alleen melding is gemaakt van enkele gevallen, overigens zonder concrete gevalsbeschrijving, acht het hof, mede gezien het feit dat het aantal gevallen dat vergelijkbaar is met dat van belanghebbende aanzienlijk zal zijn, niet aannemelijk gemaakt dat in de meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.

(7) De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 maart 1992, nr. 28.104, BNB 1992/168, welk arrest door de Inspecteur op

zijn verzoek aan belanghebbende werd verstrekt, geoordeeld dat voor een inbreuk op de forfaitaire aftrek slechts plaats is indien degene die vanwege een ander wordt vervoerd, daarvoor een zodanige bijdrage moet betalen dat hij redelijkerwijs op één lijn staat met degene die niet vanwege een ander wordt vervoerd. Dat is, aldus de Hoge Raad, het geval als de bijdrage 70 % of meer bedraagt van het bedrag dat voor de desbetreffende afstand als reiskostenaftrek geldt. Het is de uitkomst van dit arrest, zie ook de vermelding van die 70%, die de tekst terzake stuurt in voornoemde brochure. Belanghebbende heeft er ter zitting opgewezen dat het arrest betrekking heeft op de ter beschikkingstelling van een auto en heeft zich afgevraagd of dat hetzelfde is, betekent, als in zijn geval. Verder geschiedt betaling in zijn geval niet op declaratiebasis. Voorheen kreeg hij f 340,= per maand voor reiskosten.

(8) Nu belanghebbende, naar niet in geschil is, aan zijn reiskosten minder bijdraagt dan voormelde 70 % blijft derhalve gezien het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 1992 sprake van vervoer vanwege de werkgever. In dat geval bestaat op grond van de ter zake geldende wettelijke bepalingen geen recht op aftrek van reiskosten. Dat in het onderhavige geval met het openbaar vervoer wordt gereisd in plaats van dat sprake is van gebruik van een auto van de werkgever zoals in voormeld arrest betekent niet dat het oordeel uit meergenoemd arrest niet van toepassing is. In het arrest is immers de vraagstelling toegespitst op de uitleg van het begrip vervoer vanwege de werkgever. Daarvan is zowel bij de ter beschikkingstelling van een auto door de werkgever als bij de verstrekking van een NS-jaarkaart sprake van. Ook de vorm van de eigen bijdrage, op declaratiebasis of op basis van een vastgesteld vervoerplan, is daarbij niet relevant. Met dat laatste wijzigt immers niet de kern van het vraagstuk, er blijft immers sprake van vervoer vanwege de werkgever.

(9) Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur bij zijn uitspraak een juiste beslissing genomen. Er moet dus worden beslist als eerder vermeld.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door G.D. van Norden, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2003.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 20 mei 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 43,50.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 174,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.