Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0898

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
07-08-2003
Zaaknummer
00/02710
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende ter zake van de in 2.3 vermelde betaling recht heeft op een aftrek als premie lijfrente. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. Hij is primair van oordeel dat hij recht heeft op een dubbele basisaftrek van fl. 12.150,--. Subsidiair is hij van oordeel dat hij recht heeft op een aftrek voor het bedrag van de betaalde premie ad fl. 9.297,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1385
FutD 2003-1493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/02710

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (nummer 00/02710), twaalfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y, Ierland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen buitenland te P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbenden is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van fl. 86.976,--. Bij de bestreden uitspraak is de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van voormelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De ambtenaar heeft het beroep bij verweerschrift bestreden. Vervolgens heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft daarop gereageerd bij conclusie van dupliek.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 6 mei 2003. Ter zitting is de Inspecteur verschenen. Belanghebbende is met telefonisch bericht daaromtrent niet verschenen.

1.4. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Het Hof stelt de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote woonden gedurende het jaar 1999 in Ierland. Voordat zij 1996 naar dat land emigreerden, woonden zij in Nederland.

2.2. Door zijn emigratie was belanghebbende niet meer (verplicht) verzekerd voor (onder meer) de AOW. In verband daarmee heeft belanghebbende zich vrijwillig verzekerd voor de AOW.

2.3. In 1999 betaalde belanghebbende voor die vrijwillige verzekering een bedrag van fl. 9.297,--.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of belanghebbende ter zake van de in 2.3 vermelde betaling recht heeft op een aftrek als premie lijfrente. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. Hij is primair van oordeel dat hij recht heeft op een dubbele basisaftrek van fl. 12.150,--. Subsidiair is hij van oordeel dat hij recht heeft op een aftrek voor het bedrag van de betaalde premie ad fl. 9.297,--.

De Inspecteur beantwoordt de in geschil zijnde vraag ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, vermeld in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting zijn geen andere argumenten aangevoerd.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, primair tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar binnenlands inkomen van (fl. 86.976,-- - fl. 12.150,-- =) 74.826,-- en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van (fl. 86.976,-- - fl. 9.297,-- =) fl. 77.679,--.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Artikel 45, lid 6, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 definieert het begrip lijfrente.

Onder een lijfrente wordt verstaan de aanspraak ingevolge een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (cursivering Hof) op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht vervreemd of tot voorwerp van zekerheid kan dienen, Onder een lijfrente wordt mede verstaan de aanspraak op winstuitkeringen voor zover die uitkeringen verband houden met een lijfrente.

4.1.2. Artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 verstaat onder overeenkomsten van levensverzekering "overeenkomsten van verzekering tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met het leven of de dood van de mens en overeenkomsten van verzekering in verband met de verzorging van de uitvaart van de mens die uitsluitend strekken tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties, met dien verstande dat overeenkomsten van ongevallenverzekering niet als overeenkomsten van levensverzekering worden beschouwd.".

4.2. Zoals de Inspecteur in zijn verweerschrift heeft aangevoerd, kan de premie voor de (vrijwillige) AOW niet worden aangemerkt als een premie voor een lijfrente, gelet op hetgeen onder een lijfrente moet worden verstaan, een en ander als in 4.1 weergegeven. Bij de (vrijwillige) AOW gaat het, anders dan bij het begrip overeenkomst van levensverzekering in de zin als hiervoor bedoeld, om een wettelijke sociale verzekering.

4.3. Belanghebbende heeft zich nog beroepen op de toelichting bij het aangifteformulier en op internetinformatie. In die informatie is evenwel niet te lezen dat het bij de premie voor de (vrijwillige) AOW om een premie voor een lijfrente gaat. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld aan te voeren dat met bedoelde informatie bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat het bij de premie als bedoeld wél om een premie voor een lijfrente gaat, faalt die grief derhalve.

4.4. Gelet op het vorenstaande moet de in 3.1 vermelde vraag ontkennend worden beantwoord. Het beroep is ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 10 juni 2003 door T. Blokland, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing op die datum in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier, in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 10 juni 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.