Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0493

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
99/30387
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kunnen de bijdragen die belanghebbende in het onderhavige jaar aan de moeder heeft gedaan tot een bedrag van ƒ 10.648,50 in aftrek worden gebracht als buitengewone lasten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten tweede, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1337
FutD 2003-1420

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/30387

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van het hoofd van de eenheid Particulieren / Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Zuidwest van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 55.342,-. De Inspecteur, heeft bij uitspraak van 27 september 1999 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Bij uitspraak van 5 oktober 1999 heeft de Inspecteur belanghebbende ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar en de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraken door middel van één beroepschrift in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 27,23 (ƒ 60,-).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 27 november 2002 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.5. Het nadere onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 12 juni 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter beider zittingen staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbendes moeder (hierna: de moeder) is geboren op 5 januari 1945. Belanghebbendes vader (hierna: de vader) heeft, voorafgaande aan zijn dood in september 1994, vernielingen in en aan hun woning aangebracht. Het dak van de woning, het sanitair, de inboedel, het beddegoed en de kleding van zijn echtgenote is door de vader vernield.

2.2. Belanghebbende, enigst kind, heeft de moeder vanaf de dood van de vader, financieel ondersteund. In het onderhavige jaar heeft hij ƒ 5.932,- per bank overgemaakt aan de moeder. Daarnaast heeft belanghebbende in 1996 een rekening van ƒ 916,50 ter zake van het vernieuwen van de dakgoot van de woning van de moeder betaald. Voorts stelt belanghebbende dat hij in het onderhavige jaar ƒ 3.800,- per kas aan de moeder heeft verstrekt. Derhalve in totaal ƒ 10.648,50.

2.3. Vanaf september 1994 ontvangt de moeder een ANW-uitkering. Bank A en de Gemeentelijke Kredietbank hebben de aanvraag van de moeder voor een tweede hypothecaire geldlening, gelet op haar inkomenspositie, afgewezen. De moeder kwam niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet.

2.4. Het bruto-inkomen van de moeder in 1996 bedroeg ƒ 24.106,- en bestond geheel uit de in 2.3. genoemde ANW-uitkering. Het saldo van de bankrekening van de moeder bedroeg per ultimo 1994 ƒ 9.257,-, per ultimo 1995 ƒ 4.296,- en per ultimo 1996 ƒ 11.798,-. In het onderhavige jaar was de moeder eigenaar van de woning, waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 1995 was vastgesteld op ƒ 237.000,-. De hypothecaire lening bedroeg in 1996 ƒ 20.000,-.

2.5. De moeder heeft in 1995 ƒ 4.250,- en in het onderhavige jaar ƒ 6.450,- uitgegeven om de door de vader vernielde zaken te repareren of te vervangen.

2.6. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 43.474,-, waarin begrepen een aftrek wegens buitengewone lasten ter zake van bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de moeder ten bedrage van ƒ 6.849,- minus ƒ 800,- (wettelijke drempel) is ƒ 6.049,-.

2.7. De Inspecteur heeft de aftrek wegens buitengewone lasten, alsmede een in de aangifte opgenomen aftrek wegens advocaatkosten ad ƒ 5.819,-, niet geaccepteerd. De aanslag, gedagtekend 28 juli 1999, is opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 55.342,-. Belanghebbende heeft bij brief van 23 augustus 1999, door de Inspecteur ontvangen op 24 augustus 1999, tijdig bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Op 27 september 1999 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan waarbij hij belanghebbende niet-ontvankelijk verklaart in zijn bezwaar. Bij gecorrigeerde uitspraak van 5 oktober 1999 heeft de Inspecteur belanghebbende ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar en de aanslag gehandhaafd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

* Kunnen de bijdragen die belanghebbende in het onderhavige jaar aan de moeder heeft gedaan tot een bedrag van ƒ 10.648,50 in aftrek worden gebracht als buitengewone lasten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten tweede, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) ?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting van 27 november 2002 hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Na de zelfmoord van mijn vader, in september 1994, tot en met 1997 heb ik diverse bijdragen aan mijn moeder gedaan. Ik heb in 1994 en 1995 de bijdragen niet in mijn aangifte opgevoerd omdat ik toen nog niet op de hoogte was van de aftrekmogelijkheid. Als ik die bijdragen niet had gedaan, had mijn moeder het huis moeten verkopen. De bijdragen waren bedoeld als doorstart; deels om noodzakelijke reparaties aan het huis en de inboedel te betalen en deels om een financiële veiligheid, voor onvoorziene uitgaven, te creëren. Thans gaat het weer goed met haar.

Mijn vader was psychisch ziek. Hij heeft het hele huis vernield en hij heeft het geld opgemaakt of weggegeven. Ik moest daarom mijn moeder wel helpen.

De Inspecteur

De WOZ-waarde van de woning van de moeder is per de waardepeildatum 1 januari 1995 vastgesteld op ƒ 237.000,-. Daarvoor was het ƒ 78.000,-. Per de waardepeildatum 1 januari 1999 is de WOZ-waarde, na bezwaar, vastgesteld op ƒ 338.399,-.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 45.493,-.De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar

4.1. Nadat de Inspecteur belanghebbende bij uitspraak van 27 september 1999 niet-ontvankelijk verklaard heeft in zijn bezwaar, deelt hij, nadat belanghebbende hem daarop opmerkzaam heeft gemaakt, bij brief van 5 oktober 1999 mede dat belanghebbende wél ontvankelijk is in zijn bezwaar. De Inspecteur stuurt belanghebbende op 5 oktober 1999 tevens een gecorrigeerde uitspraak op bezwaar waarin hij belanghebbende ontvankelijk verklaart in zijn bezwaar en de aanslag handhaaft.

4.2. De Inspecteur heeft niet de mogelijkheid een tweede maal uitspraak te doen op een bezwaarschrift. De uitspraak van 5 oktober 1999 moet dan ook worden vernietigd.

4.3. Partijen zijn van mening dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar, zulks naar het oordeel van het Hof terecht. De uitspraak van 27 september 1999, waarin belanghebbende niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar, dient dan ook vernietigd te worden.

Ten aanzien van het geschil

4.4. Op belanghebbende rust de bewijslast dat de door hem in 1996 gedane bijdragen ten behoeve van de moeder als uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud in de zin van artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten tweede, van de Wet IB zijn aan te merken. Daarvan kan slechts sprake zijn als de moeder in 1996 in een zodanige financiële positie heeft verkeerd, dat zij enkel door de financiële ondersteuning van belanghebbende in staat was tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig haar plaats in de samenleving, te weten die van een alleenstaande met een ANW-uitkering.

4.5. Naar het oordeel van het Hof zijn de vervangen of gerepareerde zaken van de moeder in het onderhavige geval aan te merken als kosten van levensonderhoud, nu het voor zich spreekt dat de moeder geen redelijk bestaan overeenkomstig haar plaats in de samenleving kon voeren in een woning waarvan het dak, het sanitair en de inboedel zijn vernield en voorts het beddengoed en haar kleding onbruikbaar is gemaakt.

4.6. Bij de beoordeling of de bijdragen van belanghebbende als uitgaven in de zin van voornoemd artikellid van de Wet IB zijn aan te merken, dienen eigen inkomsten en vermogen van de moeder mede in ogenschouw te worden betrokken. Voorzover de uitgaven uit eigen middelen van de moeder betaald hadden kunnen worden is er geen sprake van een drukkende last in de zin van voormeld artikel.

4.7. De moeder was in het onderhavige eigenaresse van de woning. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de vrije verkoopwaarde van de woning tussen de ƒ 250.000,- en ƒ 300.000,- bedroeg (gebaseerd op een WOZ-waarde per 1 januari 1995 van ƒ 237.000,-) terwijl de hypothecaire geldlening in het onderhavige jaar ƒ 20.000,- bedroeg. Voorts beschikte de moeder over een bankrekening, welke ultimo 1995 en ultimo 1996 een saldo toonde van ƒ 4.296,- respectievelijk ƒ 11.798,-.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij zich gedrongen voelde aantasting van dit vermogen tegen te gaan. De moeder hecht een zeer grote emotionele waarde aan het huis en een "gedwongen" verkoop van het pand had in haar situatie wellicht kunnen leiden tot ernstige psychische problemen, aldus belanghebbende. Ten aanzien van het positieve banksaldo heeft belanghebbende verklaard dat dit mede diende in verband met het creëren van een financiële veiligheid om onvoorziene uitgaven op te kunnen vangen.

4.8. De vraag of aantasting van het vermogen van de moeder bezwaarlijk zou zijn, moet niet naar het inzicht of het gevoelen van belanghebbende, doch naar objectieve maatstaven worden beslist (zie het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 1958, nummer 13 510, gepubliceerd in BNB 1958/160). Naar het oordeel van het Hof is in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden welke aantasting van het vermogen van de moeder dermate bezwaarlijk doen zijn dat belanghebbende zich gedrongen moest voelen deze aantasting door bijdragen te voorkomen. Belanghebbende had de moeder even goed kunnen ondersteunen door middel van een lening. Daar doet niet aan af dat de moeder in de periode 1996 en 1997 niet over de middelen beschikte om deze lening af te lossen, noch dat zij niet in aanmerking kwam voor een hypothecaire lening. Mitsdien is geen sprake van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten tweede, van de Wet IB.

4.9. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur.

4.10. Gelet op al het vorenoverwogene dient te worden beslist als hierna vermeld.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

In de omstandigheid dat de uitspraken worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten in goede justitie op de reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de twee zittingen, op basis van openbaar vervoer 2e klasse, oftewel € 25,90. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige, voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van 5 oktober 1999;

- vernietigt de uitspraak van 27 september 1999;

- verklaart belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar;

- handhaaft de aanslag;

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,23;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 25,90, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door J.W.J. Huige, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 1 juli 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 1 juli 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.