Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0464

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
01/01077
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AU6452
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of bij de berekening van het Nederlandse premie-inkomen het arbeidskostenforfait volledig aan de Nederlandse arbeidsinkomsten dient te worden toegerekend, hetgeen belanghebbende stelt, dan wel naar rato aan de Belgische en de Nederlandse arbeidsinkomsten, hetgeen de Inspecteur verdedigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1696
FutD 2003-1416
V-N 2003/56.1.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/01077

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/ Zuidwest/kantoor Roosendaal van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 137.028,=, waarbij de belastbare som voor de premie volksverzekeringen is vastgesteld op fl. 11.919,=, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van fl. 60,= (= € 27,22).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 9 april 2003 te ´s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

Belanghebbende noch zijn gemachtigde is verschenen. Belanghebbende heeft per fax van 7 april 2003 aan de griffier bericht dat hij, noch zijn gemachtigde ter zitting zullen verschijnen.

De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Op 16 april 2003 heeft de Inspecteur per fax en per post een brief naar het Hof gezonden, welke brief met twee bijlagen aan deze uitspraak wordt gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de Inspecteur ter zitting, stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil dan wel niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende, geboren op 17 maart 1950, woonde in 1999 het hele jaar in Nederland.

2.2. In de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 september 1999 was hij werkzaam bij A NV in België. Hij genoot daar een salaris van BEF 2.183.106,= bruto, welk bruto salaris ten behoeve van de aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen als volgt werd herrekend tot het Nederlandse fiscale loon:

Bruto loon inclusief vakantiegeld BEF 2.183.106,=

Af: Ingehouden bijdrage RSZ (Rijksdienst voor de

Sociale Zekerheid, bedoeld voor de financiering

Kinderbijslagwet, rustpensioen, werkloosheidswet

e.a. sociale verzekeringen, hierna: de Belgische

premieheffing) BEF 239.282,=

BEF 1.943.824,=

Af: Bijzondere bijdrage sociale zekerheid BEF 13.065,=

BEF 1.930.759,=

Bij: Bijtelling geneeskundige verzorging BEF 95.774,=

Onkostenvergoeding waarover geen RSZ is

ingehouden BEF 37.000,=

BEF 2.063.533,=

Af: Aanvullende pensioenverzekering BEF 41.535,=

Belgisch loon omgerekend naar Nederlandse fiscale

maatstaven BEF 2.021.998,=

Dat is in guldens fl. 110.401,=

2.3. Van 1 oktober 1999 tot en met 31 december 1999 was belanghebbende werkzaam bij B B.V. in Nederland. Hier genoot hij een salaris van fl. 31.375,= bruto.

2.4. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 heeft belanghebbende aan aftrekbare kosten het forfaitaire bedrag ex artikel 37, lid 1, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1999, hierna: de Wet) van 12% van de inkomsten uit tegenwoordige arbeid in aanmerking genomen, met inachtneming van het voor 1999 geldende maximum van fl. 3.174,=. Deze forfaitair te bepalen aftrekbare kosten ex artikel 37, lid 1, letter a, van de Wet, zouden over het Nederlandse salaris ook het maximale bedrag van fl. 3.174,= bedragen, nu 12% van fl. 31.375,=, dat is fl. 3.765,=, dit maximale bedrag overschrijdt.

2.5. Belanghebbende is vanaf 1 oktober 1999 in Nederland premieplichtig voor de volksverzekeringen. Tot die datum viel hij op grond van artikel 13, lid 2, letter a, van de Verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, Publikatieblad EG 1971, L 149, laatstelijk gewijzigd bij de Verordening van 27 juni 1997, nr. 1290/97, PB EG 1997, L 176/1 (hierna: de Verordening), onder de Belgische premieheffing.

2.6. Bij de berekening van de Belgische premieheffing is op belanghebbendes inkomen geen aftrek toegepast vergelijkbaar met het Nederlandse arbeidskostenforfait.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of bij de berekening van het Nederlandse premie-inkomen het arbeidskostenforfait volledig aan de Nederlandse arbeidsinkomsten dient te worden toegerekend, hetgeen belanghebbende stelt, dan wel naar rato aan de Belgische en de Nederlandse arbeidsinkomsten, hetgeen de Inspecteur verdedigt.

Belanghebbende berekent de grondslag voor de premieheffing als volgt:

Belastbaar inkomen 1999 fl. 137.028,=

Af: Belgisch inkomen fl. 110.401,=

Premie-inkomen fl. 26.627,=

Af: Belastingvrije som fl. 17.179,=

Belastbare som voor de premie volksverzekeringen fl. 9.448,=

De Inspecteur daarentegen is van mening, dat op het Belgische inkomen eerst nog het evenredig gedeelte van het arbeidskostenforfait in aftrek moet komen, zijnde fl. 3.174,= x 110.401/(110.401 + 31.375) is fl. 2.471,=, zodat de belastbare som voor de premie volksverzekeringen volgens de Inspecteur bedraagt fl. 9.448,= plus fl. 2.471,=, dat is fl. 11.919,= en het premie-inkomen bedraagt fl. 11.919,= plus de belastingvrije som ad fl. 17.179,=, dat is fl. 29.098,=.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag premieheffing volksverzekeringen tot een berekend naar de belastbare som van fl. 9.448,= en premie-inkomen van fl. 26.627,=.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vaststaat, dat belanghebbende vanaf 1 oktober 1999 in Nederland premieplichtig was voor de volksverzekeringen en tot die datum op grond van de Verordening onder de Belgische premieheffing viel.

Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 september 1977, nr. 17 737, BNB 1977/224, welk arrest is gebaseerd op het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 5 mei 1977, overwogen, dat artikel 13 van de Verordening verbiedt, dat de staat van woonplaats krachtens zijn sociale wetgeving premie heft over het loon, dat een werknemer met zijn arbeid in een andere Lid-Staat heeft verdiend en waarop uit dien hoofde de sociale wetgeving van die andere staat is toegepast.

4.2. Niet in geschil is, dat het Belgische loon fl. 110.401,= bedroeg en dat bij de berekening van de Belgische premieheffing geen aftrek op dat loon is toegepast vergelijkbaar met het Nederlandse arbeidskostenforfait. Evenmin in geschil is, dat belanghebbende het in Nederland maximaal aftrekbare bedrag van arbeidskosten ad fl. 3.174,= reeds op basis van zijn uit zijn Nederlandse dienstbetrekking genoten loon had bereikt.

4.3. Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad BNB 1977/224, aangehaald onder 4.1., bepaalt artikel 4, lid 3 van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990, Regeling van 16 juli 1992, Stcrt. 138, het volgende:

"In afwijking in zoverre van de vorige leden wordt als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het belastbare inkomen dan wel het belastbare binnenlandse inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met het gedeelte daarvan, dat al dan niet ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling van een andere mogendheid inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden."

4.4. De Inspecteur interpreteert de woorden "het gedeelte daarvan" in het onder 4.3 aangehaalde artikel 4, lid 3 in die zin, dat het slaat op het belastbaar inkomen van belanghebbende, waartoe behoren de zuivere inkomsten, dat wil zeggen de arbeidsinkomsten verminderd met aftrekbare kosten ad fl. 3.174,=. Met een beroep op de uitspraak van dit Hof van 21 juli 1994, V-N 1995, blz. 381, stelt vervolgens de uitspraak van de Inspecteur dat een redelijke grondslag voor de toerekening van het arbeidskostenforfait aan de Belgische en de Nederlandse inkomsten is op basis van evenredigheid van de hoogte van de respectievelijke inkomsten. Het Hof kan de Inspecteur in zijn meergenoemde redenering evenwel niet volgen. De door de Inspecteur aangehaalde uitspraak van dit Hof van 21 juli 1994, is gebaseerd op de bewoordingen van artikel 18, lid 2, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gesloten te

´s-Gravenhage op 27 mei 1986, zoals deze overeenkomst luidde voor de wijziging van 4 maart 1993 (hierna: het Verdrag), welke bewoordingen luiden:

"Deze inkomsten mogen echter ook in de Staat waaruit zij afkomstig zijn, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, ...".

Artikel 13, lid 1 van de Verordening bepaalt, dat degenen, op wie de Verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat zijn onderworpen. Anders dan het Verdrag laat de Verordening in artikel 13, lid 1 geen heffing over toedeling van inkomsten overeenkomstig de wetgeving van Nederland toe.

4.5. Naar het oordeel van het Hof dient op grond van het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene Nederland aan belanghebbende een vrijstelling van ten minste een bedrag van fl. 110.401,= te verlenen.

4.6. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. De bestreden uitspraak moet worden vernietigd.

5. Het griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Hoewel het beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof:

* verklaart het beroep gegrond,

* vernietigt de bestreden uitspraak,

* vermindert de aanslag tot een naar een premie-inkomen van

fl. 26.627,=,

* gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,22,

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en W.F.G. Wijnen, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van C.A. Blokx-van Roosmalen, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 2 juni 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 2 juni 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.