Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0463

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
01/01016
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende terecht aanspraak maakt op aftrek van het arbeidskostenforfait over haar inkomsten op basis van de Algemene Bijstandswet. Verder is de vraag aan de orde of door het niet verlenen van voornoemde aftrek het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1251
FutD 2003-1429

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/01016

HET GERECHTSHOF TE 's HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Zuidwest van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) gedane uitspraak van 28 februari 2001 op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 28 april 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en haar gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 12 mei 2003, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden voor de beslissing

(1) Belanghebbende heeft door middel van een H-biljet voor 1999 aangifte gedaan van haar belastbaar inkomen van f 22.709,=. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling een correctie aangebracht van f 1.797,= minder arbeidskostenforfait. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat geen aftrek arbeidskostenforfait voor werkenden kan worden genoten. Belanghebbende heeft tijdig tegen de aanslag 1999 bezwaar gemaakt. De Inspecteur is niet aan het bezwaar tegemoet gekomen. Belanghebbende heeft tijdig beroep ingesteld.

(2) Belanghebbende volgt de eerste helft van 1999 een beroepsopleiding. In dat kader loopt zij stage bij een kinder- en gezinsvervangend tehuis. Voor die stage krijgt belanghebbende een reiskostenvergoeding op basis van maandkaarten NS 2e klasse. In de periode 1 januari 1999 tot 1 september 1999 geniet zij een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet. In die periode kunnen beroepskosten worden gedeclareerd bij de GSD. Vanaf 1 juli 1999 heeft belanghebbende looninkomsten van f 11.468,= van een zorginstelling. Belanghebbende is aftrek beroepskosten verleend over de inkomsten uit dienstbetrekking van f 1.377,=, zijnde 12 % van die inkomsten. Er is geen verzoek gedaan de werkelijke beroepskosten te mogen aftrekken.

(3) In geschil is of belanghebbende terecht aanspraak maakt op aftrek van het arbeidskostenforfait over haar inkomsten op basis van de Algemene Bijstandswet. Verder is de vraag aan de orde of door het niet verlenen van voornoemde aftrek het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden.

(4) Belanghebbende geeft in beroep aan dat het hier weliswaar gaat om inkomen genoten op grond van de Algemene Bijstandswet, maar dat daaraan de verplichting was gekoppeld tot het volgen van een M.B.O. opleiding. Dit betekende gedurende de periode van bijstandsuitkering in 1999 per week: drie dagen stage in A, een dag scholing in Y en een dag zelfstudie thuis. Ter zitting voegt de gemachtigde hier nog aan toe dat belanghebbende zich drie jaar zeer actief moest inzetten en rond moest komen van een minimale uitkering. Op zich, zo meldde hij, is daar niets mis mee, dankbaar dat de gelegenheid er was, ze plukt er nu de vruchten van. Uit de wet en uitvoering in de praktijk blijkt dat het begrip inkomsten uit arbeid zeer ruim moet worden uitgelegd. Ook inkomsten uit stage vallen daaronder. Wel moet er een direct verband zijn tussen de inkomsten en de geleverde arbeid. Dat verband tussen de betreffende inkomsten en de te leveren leerinspanning kan belanghebbende leveren. De GSD eiste onder meer het nauwgezet volgen van de lessen. Die dienst gaf belanghebbende nog aan: "U geniet een bijstandsuitkering voor de kosten van levensonderhoud. Aan deze uitkering zijn arbeidsverplichtingen verbonden.". Verder wordt aangevoerd dat de maatschappelijke verhoudingen tussen partijen niet van belang zijn.

(5) Belanghebbende komt tot de conclusie dat de inkomsten voldoen aan de eisen om te worden aangemerkt als inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Ze passen binnen de geest en de letter der wet. Het gaat om een onderscheid tussen actief en inactief inkomen. Ter zitting voegt gemachtigde van belanghebbende daar nog aan toe dat het arbeidskostenforfait een voordeel geeft aan actieve mensen. Dat voordeel krijgt iedereen die actief is. Dat actief zijn hoeft niet altijd in dienstbetrekking. Dat kan ook iemand zijn die in een zelfde situatie verkeert als belanghebbende, zijn dochter, die de inkomsten niet verkrijgt van de GSD maar van de werkgever.

(6) Belanghebbende geeft tenslotte aan dat zo zij de inkomsten zou hebben ontvangen van de stichting waar zij stage liep, zij wel voor de aftrek van 12 % van de betreffende inkomsten in aanmerking had gekomen. Dat zou betekenen dat belanghebbende in exact dezelfde situatie meer belasting zou moeten betalen. Met dat verschil in uitkomst tussen een persoon met een uitkering en een persoon met een stagevergoeding wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden. Een rechtens aanvaardbare grond voor het verschil lijkt belanghebbende niet aanwezig te zijn. Verzocht wordt om proceskostenvergoeding.

(7) Ter zitting geeft gemachtigde aan dat het eigenlijk gaat om een gering belang. Voor het jaar 1998 is de aftrek van 12 % direct verleend. De Inspecteur stelt in zijn reactie dat de aangifte 1998 inderdaad is gevolgd. Om doelmatigheidsredenen is de aangifte niet onderzocht. Het betreffende jaar werkt niet door naar 1999. Nu een bewuste standpuntbepaling van de Belastingdienst niet gesteld noch gebleken is, is het Hof van oordeel dat de afwerking van de aangifte 1998 van belanghebbende geen gevolgen heeft voor de onderwerpelijke procedure.

(8) Door de Inspecteur is in de conclusie van dupliek naar voren gebracht dat op grond van artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 de uitkering van belanghebbende aan heffing van loonbelasting is onderworpen en dat die uitkering wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Afgezien van de overige opmerkingen ter zake van belanghebbende ter zitting is het Hof met belanghebbende van oordeel dat de basis voor het standpunt inzake de aftrek inderdaad ligt in bepalingen van de wet. In dit verband zijn dat overigens niet de bepalingen inzake de loonbelasting, maar, nu in geding is een aanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen die inzake de heffing van inkomstenbelasting.

(9) Op grond van het gestelde in artikel 37 van de Wet IB 1964 is het bedrag van de aftrek arbeidskosten verschillende naar gelang sprake is van inkomsten uit arbeid dan wel vroegere arbeid. Uit dat onderscheid is af te leiden dat het daadwerkelijk verrichten van arbeid tegenover de te verkrijgen inkomsten relevant is. Uit de tekst van die bepaling volgt ook dat niet alle inkomsten die een zekere relatie met werk hebben als inkomsten uit tegenwoordige arbeid kunnen worden aangemerkt. De arbeid dient in een directe en rechtstreekse relatie tot de inkomsten te staan. De arbeid moet ook met het oog op de betreffende inkomsten zijn verricht. In het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2000, nr. 358, BNB 2000/271*, is geoordeeld dat voor inkomsten uit tegenwoordige arbeid bepalend is of de inkomsten ten nauwste verband houden met bepaalde verrichte arbeid of met een in bepaald tijdvak verrichte arbeid. Het arrest betrof weliswaar de premie werknemersverzekeringen, maar het Hof is van oordeel dat het arrest, gelet op de betreffende bepalingen, ook gelding heeft voor de heffing van inkomstenbelasting. Hoewel in het onderhavige geval het volgen van de opleiding, en derhalve ook als uitvloeisel daarvan de stage in 1999, (mede) gestuurd zal zijn door de GSD is het Hof van oordeel dat de opleiding en de daarin te volgen stage niet als de tegenover de uitkering te verrichten arbeid kunnen worden aangemerkt. Er is sprake van een soort bijkomende verplichting bij de uitkering. Het (moeten) volgen van de opleiding is met name gericht op de verbetering van de positie op de arbeidsmarkt van degene die een uitkering heeft. Dat, zoals de gemachtigde ter zitting naar voren bracht, de belastingwetgever niet de ontwikkelingen inzake de uitkeringen zou hebben gevolgd, doet daar niet aan af. Overigens merkt het Hof op dat, zo de opvatting van belanghebbende zou worden gevolgd, er voor de heffing van inkomstenbelasting een verschil zou ontstaan tussen personen met een uitkering die een opleiding volgen en personen met een uitkering die geen opleiding volgen. De laatstgenoemden zouden daardoor minder te besteden hebben.

(10) Uitgangspunt bij toepassing van het gelijkheidsbeginsel is dat het gaat om gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn. In casu gaat het om een vergelijking van personen met een uitkering die een stage volgen en personen zonder een uitkering die een stage volgen. Die gevallen verschillen naar het oordeel van het Hof feitelijk zowel als rechtens. Degene die een uitkering heeft, verkrijgt immers andere inkomsten dan degene die een stage loopt. Verder worden de inkomsten uit een andere bron verkregen. Bij personen met een uitkering worden de inkomsten niet verkregen op basis van de stage verrichtingen, maar uit hoofde van de Algemene Bijstandswet.

(11) Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht afgewezen. Derhalve moet worden beslist als eerder vermeld.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door G.D. van Norden, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2003.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 20 mei 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 43,50.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 174,= verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.