Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0172

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
20.000675.02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2002:AE0456
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat verdachte aldus welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] tengevolge van vorenstaande handelingen van het leven zou worden beroofd, in aanmerking genomen dat -naar van algemene bekendheid is- het gedurende langere tijd met kracht slaan en schoppen op nagenoeg alle delen van het menselijk lichaam, waaronder ook het hoofd, dodelijk letsel kan veroorzaken.

Verdachte en zijn mededaders hebben mitsdien steeds gehandeld met het voor poging tot doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2003-07-14
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2003-07-14
Wetboek van Strafrecht 311, geldigheid: 2003-07-14
Wetboek van Strafrecht 45, geldigheid: 2003-07-14
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2003-07-14
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2003-07-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

tegenspraak;

na aanh: oip

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 12 maart 2002 in de strafzaak onder de parketnummers 02/004436-01, 02/018518-01 en 02/001795-01 (TUL) tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1974,

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Roermond,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 onder 1, onder 2 en onder 3 en ten aanzien van parketnummer 02/018518-01 onder 1, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 5 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat -na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep- de grondslag waarop het hof recht doet anders is komen te luiden.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

PRO MEMORIE.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in hoger beroep toegelaten wijzigingen begrepen.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 primair en het ten aanzien van parketnummer 02/018518-01 onder 1, onder 2 primair, onder 3 primair, onder 4 primair en onder 5 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

ten aanzien van parketnummer 02/004436-01:

1. op meerdere tijdstippen op 3 september 2001 in de middag en vroege avond te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven tezamen en in vereniging met zijn mededaders telkens met dat opzet met geschoeide voeten heeft geschopt/getrapt en met de vuisten heeft geslagen tegen het hoofd en de armen en benen en romp van die [slachtoffer] (ook terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en heeft getrokken aan die [slachtoffer] en heeft gegooid met die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. op 3 september 2001 in de avond rond 22.00 uur te Tilburg in de [adres] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettlijk [slachtoffer] van het leven te beroven tezamen en in vereniging met zijn mededaders met dat opzet:

- gewapend met een mes en beitel en breekijzer de woning van die [slachtoffer] en diens moeder, [betrokkene], heeft betreden en (hebbende die [slachtoffer] een heenkomen gezocht in een slaapkamer in die woning en hebbende die [slachtoffer] zich aldaar verscholen en verschanst)

- meermalen op de slaapkamerdeur heeft geramd en

- meermalen met een breekijzer op en door de slaapkamerdeur heeft geramd/gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. op 4 september 2001 te circa 01.00 uur te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg in de woning waarin die [slachtoffer] woonde en waarin hij zich op dat moment bevond brand gesticht, tengevolge waarvan rookgassen en koolmonoxide zijn ontstaan door het inademen van welke rookgassen en koolmonoxide die [slachtoffer] die zich in zijn gebarricadeerde slaapkamer op de bovenverdieping van die woning bevond, is overleden.

ten aanzien van parketnummer 02/018518-01:

1. op een tijdstip in de periode van 15 september 2001 tot en met 16 september 2001 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (Volkswagen Golf), toebehorende aan [benadeelde 1], waarbij verdachte en zijn mededaders die weg te nemen auto onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2. op een tijdstip in de periode van 27 juli 2001 tot en met 28 juli 2001 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [straat] heeft weggenomen twee kratten bier, toebehorende aan [benadeelde 2], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

3. op 28 juli 2001 te Waalwijk tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan [straat] heeft weggenomen een hoeveelheid diepvriesartikelen, toebehorende aan [benadeelde 3], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

4. op een tijdstip in de periode van 4 augustus 2001 tot en met 5 augustus 2001 te Waalwijk tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan [straat] heeft weggenomen een laptop, toebehorende aan [benadeelde 3], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

5. op 14 juli 2001 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [straat] heeft weggenomen een aantal kratten bier, toebehorende aan [benadeelde 2], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 primair en het ten aanzien van parketnummer 02/018518-01 onder 1, onder 2 primair, onder 3 primair, onder 4 primair en onder 5 primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder parketnummer 02/004436-01, onder 1 primair bewezenverklaarde heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gepleit voor vrijspraak. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat bij verdachte en zijn mededaders telkens het opzet op de dood van het slachtoffer heeft ontbroken.

Het hof overweegt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn mededaders het [slachtoffer] meermalen met kracht met geschoeide voeten hebben geschopt en met vuisten hebben geslagen tegen zijn hoofd, armen, benen en romp, terwijl het slachtoffer zich op de grond bevond.

Het hof is van oordeel dat verdachte aldus welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] tengevolge van vorenstaande handelingen van het leven zou worden beroofd, in aanmerking genomen dat -naar van algemene bekendheid is- het gedurende langere tijd met kracht slaan en schoppen op nagenoeg alle delen van het menselijk lichaam, waaronder ook het hoofd, dodelijk letsel kan veroorzaken.

Verdachte en zijn mededaders hebben mitsdien steeds gehandeld met het voor poging tot doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Voorts heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder parketnummer 02/004436-01, onder 1 primair bewezenverklaarde aangevoerd dat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred, nu het niet intreden van de dood van het slachtoffer slechts het gevolg is geweest van het besluit van verdachte en zijn mededaders te stoppen met het slaan en schoppen van [slachtoffer].

Ook dit verweer dient te worden verworpen.

Verdachte en zijn mededaders hebben alle handelingen verricht die tot de dood van het slachtoffer konden leiden. Dat het gestel en het uithoudingsvermogen van het slachtoffer kennelijk van dien aard zijn geweest dat de dood niet is ingetreden, is niet een van de wil van de dader afhankelijke omstandigheid als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht. Van vrijwillige terugtred is derhalve geen sprake.

Ten aanzien van het onder parketnummer 02/004436-01, onder 2 primair bewezenverklaarde heeft de raadsman gepleit voor vrijspraak. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en zijn mededaders niet een begin van uitvoering van het misdrijf poging tot doodslag opleveren.

Grotendeels in navolging van de rechtbank overweegt het hof dienaangaande als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn mededaders -korte tijd na de eerder op die dag begane mishandelingen van [slachtoffer] - gewapend met messen, breekijzers en een beitel de woning van [slachtoffer] zijn binnengedrongen. Uit onder meer de verklaringen van respectievelijk [mededader 1] en [getuige] blijkt dat [mededader 2] daarbij, kort vóór het naar binnengaan van de woning van [slachtoffer], tegen zijn mededaders heeft gezegd: "Ik steek hem (het hof begrijpt dat op [slachtoffer] wordt gedoeld) neer" en "Als [slachtoffer] direct weer komt, dan pakken we hem weer of steken hem neer", waarbij hij, [mededader 2], een stekende beweging maakte met een mes in zijn handen.

Binnengekomen in de woning van [slachtoffer] herkende [mededader 2] de zich boven in het trapgat bevindende [slachtoffer], waarop [mededader 2] samen met verdachte en [mededader 1] naar boven is gelopen. Op de bovenverdieping heeft [mededader 1], na kort zoeken, de slaapkamerdeur waarachter [slachtoffer] verscholen zat, gevonden. Door middel van hard trappen en gebruikmakend van breekijzers, waarbij [mededader 1] met zijn koevoet een aantal malen dwars door de deur heen heeft geramd, hebben verdachte en zijn mededaders gepoogd zich toegang te verschaffen tot de slaapkamer van [slachtoffer]. Hieromtrent is door [mededader 1] verklaard dat hij op dat moment zo opgefokt was, dat indien hij de deur zou hebben opengekregen, hij de persoon die zich in de slaapkamer bevond, dood zou hebben kunnen slaan.

Verdachte verklaart over het desbetreffende moment dat indien het gelukt zou zijn om de slaapkamerdeur van [slachtoffer] open te krijgen [slachtoffer] op dat moment zijn hersens zouden zijn ingeslagen of [slachtoffer] aan het mes zou zijn geregen.

Naar het oordeel van het hof moeten vorenstaande gedragingen worden beschouwd als naar hun uiterlijke verschijningsvorm te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf doodslag en mitsdien als een begin van uitvoering van dat misdrijf.

Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

Ook ten aanzien van het onder parketnummer 02/004436-01, onder 3 primair bewezenverklaarde heeft de raadsman van de verdachte gepleit voor vrijspraak. De raadsman heeft daartoe gesteld dat uit de voorhanden bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er een vooraf beraamd plan bestond om het slachtoffer door brandstichting te doden. De voorbedachten rade is derhalve in de visie van de raadsman niet te bewijzen. Voorts heeft de raadsman gesteld dat verdachte alle betrokkenheid ontkent en zich niet in het huis heeft begeven. Daarnaast is aangegeven dat ten tijde van de brand de verdachte zeer onder invloed was van drugs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen is door verdachte en zijn mededaders op een gegeven moment het plan beraamd om de woning van [slachtoffer] in brand te steken. Overeenkomstig dit plan is vervolgens door [mededader 1] en [mededader 2] brand gesticht in de woning waarin die [slachtoffer] woonde en waarin hij zich op dat moment bevond. In het tijdsverloop tussen het beramen van het plan en de uitvoering daarvan zijn er meerdere momenten geweest waarop verdachte en zijn mededaders zich hebben kunnen bezinnen op en zich rekenschap hebben kunnen geven van de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad. Desondanks hebben zij zich niet gedistantieerd van de (verdere) tenuitvoerlegging van het genomen besluit.

Nadat [mededader 1] en [mededader 2] de woning van [slachtoffer] hadden betreden hebben zij er zich op geen enkel moment en op geen enkele wijze van vergewist of zich iemand in de woning bevond. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat verdachte en zijn mededaders [slachtoffer] het laatst op de bovenverdieping van de woning hadden gezien en zij hem daarna de woning niet hebben zien verlaten, bestond er voor hen geen enkele reden om te veronderstellen dat [slachtoffer] zich niet meer in de woning zou bevinden. Het gegeven dat bij het binnentreden van de woning van [slachtoffer], [mededader 2] -nadat [mededader 1] was gestruikeld over een stoel- [mededader 1] direct heeft gewaarschuwd dat hij stil moest zijn en niet zoveel lawaai moest maken, geeft er naar het oordeel van het hof juist blijk van dat verdachte en zijn mededaders met de aanwezigheid van iemand in de woning rekening hielden.

Naar het oordeel van het hof hebben verdachte en zijn mededaders, gelet op het vorenoverwogene, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] ergens in de woning aanwezig zou zijn en dat deze als gevolg van het in brand steken van de benedenverdieping van de woning zou komen te overlijden. De stelling van de verdediging dat het opzet op de dood van [slachtoffer] zou ontbreken, omdat [mededader 1] en [mededader 2] ervan uit mochten gaan dat de brand tot de benedenverdieping beperkt zou blijven, wordt door het hof verworpen, aangezien niet aannemelijk is geworden dat er bij hen sprake was van enige deskundigheid met betrekking tot het maken en beheersen van vuur en er deswege geen enkele aanleiding voor hen was om ervan uit te gaan dat de door hen op de benedenverdieping gestichte brand en/of de gevolgen daarvan zich niet over het resterende deel van de woning zou(den) uitbreiden.

Verdachte en zijn mededaders hebben derhalve minstgenomen voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] gehad.

De verdachte was ter plaatse aanwezig en heeft bij het huis staan wachten terwijl [mededader 1] en [mededader 2] zich in de woning begaven om de brand te stichten. De verdachte heeft met zijn mededaders afgesproken dat zij na de brandstichting naar een veldje zouden begeven alwaar zij een ander persoon zouden ontmoeten. Het hof is mitsdien van oordeel dat verdachte medepleger is aan het onder parketnummer 02/004436-01, onder 3 primair ten laste gelegde feit. Dat verdachte zich feitelijk niet in de woning heeft begeven doet daaraan niet af.

Dit betoog van de raadsman wordt derhalve door het hof gepasseerd.

Het hof acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn mededaders opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven hebben beroofd.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 onder 1 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht junctis de artikelen 45, 47 en 57 van die wet.

Het ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 onder 2 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht junctis de artikelen 45 en 47 van die wet.

Het ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 onder 3 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47 van die wet.

Het ten aanzien van parketnummer 02/018518-01 onder 1, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 5 bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 311, eerste lid aanhef en onder 4 en onder 5 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft kennis genomen van de omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapport nr. 8575, d.d. 20 juni 2003 opgemaakt door de psycholoog H.E.W. Koornstra en de psychiater F.R. Kruisdijk, werkzaam bij het Pieter Baan Centrum, psychiatrische observatiekliniek te Utrecht. Dit rapport houdt onder meer als conclusie en advies -zakelijk weergegeven-:

De onderzochte was ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten onder parketnummer 02/004436-01, sub 1 tot en met 3 en de hem ten laste gelegde feiten onder parketnummer 02/018517-01 -naar het hof begrijpt parketnummer 02/018518-01-, sub 1 tot en met 6, weliswaar lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, doch deze feiten -indien bewezen- kunnen hem volledig worden toegerekend.

Concluderend kan worden gesteld dat betrokkene volledig toerekeningsvatbaar wordt geacht voor alle hem ten laste gelegde feiten -indien bewezen-.

Het hof neemt deze deskundige oordelen over en maakt deze tot de zijne.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zeer ernstige en gruwelijke geweldsmisdrijven die de samenleving diep hebben geschokt.

In de middag van [pleegdatum] hebben verdachte en zijn twee mededaders [mededader 2] en [mededader 1] zich schuldig gemaakt aan twee zeer brute geweldplegingen jegens hun buurtbewoner, psychiatrisch patiënt, [slachtoffer]. [slachtoffer] is daarbij tot tweemaal toe op beestachtige wijze door hen mishandeld.

Na deze geweldplegingen zijn verdachte en zijn mededaders in de avond van [pleegdatum], gewapend met breekijzers, messen en een beitel, naar de woning van [slachtoffer] gegaan, alwaar zij [slachtoffer] op de bovenverdieping, verschanst achter een slaapkamerdeur aantroffen. Hierop hebben verdachte en zijn mededaders getracht zich met fors geweld, daarbij gebruik makende van de meegenomen breekijzers, toegang te verschaffen tot de slaapkamer van [slachtoffer], hetgeen evenwel niet gelukt is.

Verdachte en zijn mededaders hebben zich daarna in een auto teruggetrokken en hebben vervolgens het plan beraamd om de woning van [slachtoffer] in brand te steken. De tenuitvoerlegging van dit plan heeft uiteindelijk geresulteerd in de dood van [slachtoffer], die zich op het moment van de brandstichting nog steeds op zijn slaapkamer bevond.

[slachtoffer] is bij deze brand omgekomen door koolmonoxidevergiftiging en rookgassen. Aan de nabestaanden van het slachtoffer is een niet te compenseren verdriet toegebracht.

Gelet op het vorenoverwogene en in aanmerking genomen:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het zeer gewelddadig karakter van het onder parketnummer 02004436-01 bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is, in combinatie met de behoefte aan vergelding en de gewenste beveiliging van de maatschappij met het oog op het gevaar van recidive, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt;

- dat de verdachte ter zake van soortgelijke feiten als onder parketnummer 02/018518-01 bewezen verklaard reeds eerder is veroordeeld;

- de verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de strafbare feiten, ad informandum vermeld op de inleidende dagvaarding, voor welke feiten de verdachte niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte er geen blijk van gegeven het buitengewoon laakbare van zijn handelen volledig in te zien, hetgeen naar het oordeel van het hof de vrees voor recidive gerechtvaardigd doet zijn.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven agenda moet worden teruggegeven aan de hieronder te noemen persoon, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij 1], wonende te [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De eerste rechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en bepaald dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 2 oktober 2002 heeft [benadeelde partij 1] te kennen gegeven haar vordering in deze strafzaak verder niet te handhaven. Na sluiting en heropening van het onderzoek heeft weliswaar mr. Geels ter zitting d.d. 30 juni 2003, onder overlegging van schriftelijke stukken, te kennen gegeven dat het niet de bedoeling van [benadeelde partij 1] zou zijn geweest haar vordering niet te handhaven, doch die omstandigheid rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet dat [benadeelde partij 1] haar vordering in dit stadium van de strafzaak alsnog opnieuw kan instellen. Deze vordering zal zij slechts, indien zij dit wenselijk acht, bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Nu de benadeelde partij haar vordering ter zake van geleden schade in hoger beroep niet heeft gehandhaafd behoeft daarop niet meer te worden beslist.

[benadeelde partij 2], wonende te [adres] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

De benadeelde partij heeft gepersisteerd bij vergoeding van hetgeen aan hem in eerste aanleg is toegewezen.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het ter zake parketnummer 02/018518-01 onder 1 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering is voor toewijzing vatbaar, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de beslissing welke de eerste rechter heeft genomen op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda, d.d. 2 augustus 2001 onder parketnummer 001795-01. De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat:

- de verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden;

- de verdachte daarnaast niet de bijzondere voorwaarde heeft nageleefd zich te gedragen naar aanwijzingen van de hulpverlenende instantie RN Unit Zutphen.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan zijn niet aanwezig. Het hof zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 14g, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 63, 287, 289, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 primair en het ten aanzien van parketnummer 02/018518-01 onder 1, onder 2 primair, onder 3 primair, onder 4 primair en onder 5 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 primair en het ten aanzien van parketnummer 02/018518-01 onder 1, onder 2 primair, onder 3 primair, onder 4 primair en onder 5 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

t.a.v. parketnummer 02/004436-01:

feit 1 primair:" Medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd",

feit 2 primair:" Medeplegen van poging tot doodslag",

feit 3 primair:" Medeplegen van moord",

t.a.v. parketnummer 02/018518-01:

feit 1:" Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak",

feit 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 primair telkens:" Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van dertien jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van het navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan [mededader 2], te weten:

1 agenda, kleur blauw, ten name van [mededader 2], aangetroffen in rommelkamer II.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2], wonende te [adres], te betalen een bedrag van Eur. 322,57 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro en zevenenvijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zes dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan: [benadeelde partij 2], wonende te [adres], een bedrag van Eur. 322,57 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro en zevenenvijftig eurocent), met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Bepaalt dat indien de door de benadeelde partij geleden schade door een of meer van de hoofdelijk aansprakelijke mededaders -al of niet door tussenkomst van de Staat- geheel of ten dele is voldaan, de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en dat ook de daarop betrekking hebbende schadevergoedingsmaatregel in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging alsnog van de bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda d.d. 2 augustus 2001, in de zaak met parketnummer 001795-01 aan de veroordeelde opgelegde doch voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de tijd van vier weken.

Dit arrest is gewezen door Mr. Van Schaik-Veltman, als voorzitter

Mrs. Lo-Sin-Sjoe en Van de Loo, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mw. Visser, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 juli 2003.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 07

tijd : 14.15

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

,

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Roermond.

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 12 maart 2002 ter zake van:

ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 sub 1 primair:" Medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd",

ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 sub 2 primair:" Medeplegen van poging tot doodslag",

ten aanzien van parketnummer 02/004436-01 sub 3 primair:" Medeplegen van doodslag",

ten aanzien van parketnummer 02/018518-01 sub 1:" Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak",

ten aanzien van parketnummer 02/018518-01 sub 2 primair, sub 3 primair, sub 4 primair en sub 5 primair telkens:" Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak",

veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, met last tot teruggave aan [mededader 2] van het onder 12 omschreven voorwerp, met toewijzing van de vordering [benadeelde partij 2] en verplichting tot betaling aan de benadeelde partij een somma van driehonderdtweeëntwintig euro en zevenenvijftig eurocent alsmede de verplichting tot betaling aan de Staat van de somma van driehonderdtweeëntwintig euro en zevenenvijftig eurocent, waarbij voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting, opgelegd bij de hierboven opgelegde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de [benadeelde partij 2] komt te vervallen en vice versa, met bepaling dat de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, met verwijzing van verdachte in de kosten die de benadeelde partijen ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, ten aanzien van feit 3 primair: verklaart niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord en spreekt hem daarvan vrij, voorts met vrijspraak van hetgeen onder de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair, ( 02/04436-01) en de feiten 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 primair (02/018518-01) meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen is verklaard, met vrijspraak van het onder 6 (02/018518-01) ten laste gelegde, met afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie d.d. 16 oktober 2001.