Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AH9716

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
00/03506
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: moet bij middeling de drempel van artikel 66a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 buiten toepassing blijven?

Wetsverwijzingen
Grondwet 120
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/03506

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft bij brief van 14 september 2000 bij de Inspecteur een verzoek om middeling ingediend van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1996 tot en met 1998. Bij beschikking van de Inspecteur van 6 oktober 2000 is het verzoek om middeling toegewezen. Het tijdig tegen de beschikking ingediende bezwaarschrift is door de Inspecteur op 13 november 2000 afgewezen.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van fl. 60,--( = € 27,23).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 23 april 2003 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

Belanghebbende noch haar gemachtigde is verschenen.

De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 19 maart 2003 aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende heeft bij brief van 14 september 2000 bij de Inspecteur een verzoek om middeling ingediend van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1996 tot en met 1998. Bij dit verzoek is, zakelijk weergegeven, de volgende middelingsberekening gevoegd:

Geheven belasting: ƒ 124.702,--

Herrekende belasting: ƒ 109.225,--

Verschil: ƒ 15.477,--

Af: drempel: ƒ 1.200,--

Teruggave: ƒ 14.277,--

2.2. De beschikking is conform de onder 2.1. vermelde berekening van belanghebbende door de Inspecteur vastgesteld op 6 oktober 2000.

2.3. Op 25 oktober 2000 dient belanghebbende een bezwaarschrift in tegen de beschikking van 6 oktober 2000. Het bezwaar richt zich uitsluitend tegen de toepassing van de drempel van ƒ 1200,--.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Moet bij middeling de drempel van artikel 66a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) buiten toepassing blijven?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij daaraan niets toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en verhoging van de middelingsteruggaaf tot een bedrag van ƒ 15.477,--.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

Blijkens de ter griffie terugontvangen retourkaart van de onder 1.3. vermelde uitnodiging, is deze postzending op 25 maart 2003 op het adres van de gemachtigde van belanghebbende uitgereikt en aldaar in ontvangst genomen.

Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat belanghebbende op regelmatige wijze is opgeroepen.

Ten aanzien van het geschil

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 66a, eerste en tweede lid, van de Wet wordt, voor zover hier van belang, op verzoek aan degene die gedurende een tijdvak van drie aaneengesloten gehele kalenderjaren (middelingstijdvak) binnenlands belastingplichtig is geweest een teruggaaf van belasting (middelingsteruggaaf) verleend. De middelingsteruggaaf beloopt het verschil van de belasting die over de jaren van het middelingstijdvak is geheven en de belasting die verschuldigd zou zijn indien de belastbare som in elk van die jaren een derde gedeelte zou bedragen van het totaal van de belastbare sommen in die jaren (herrekende belasting), voorzover dit verschil meer beloopt dan ƒ 1200,--.

4.2. Partijen zijn het erover eens dat het verschil tussen het bedrag van de geheven belasting en het bedrag van de herrekende belasting ƒ 15.477,-- bedraagt. Belanghebbende stelt zich echter op het standpunt dat de hiervoor bedoelde drempel van ƒ 1200,-- buiten toepassing moet blijven.

4.3. Het staat de Inspecteur en de rechter echter niet vrij een wettelijk voorschrift als het onderhavige buiten toepassing te laten op grond van een beoordeling van de redelijkheid of wenselijkheid van dat voorschrift. Slechts indien dit voorschrift strijdig zou zijn met een regel die van hogere orde is, zoals een direct werkende verdragsbepaling, kan dit anders zijn. Een dergelijke strijdigheid is echter door belanghebbende niet gesteld en het Hof is daarvan ook niet gebleken.

4.4. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 4 juni 2003

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 4 juni 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.