Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2003:AH8878

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
01/00126
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is daarmede nog het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht geen zelfstandigenaftrek en startersaftrek aan de belanghebbende heeft toegestaan omdat deze niet als ondernemer in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/00126

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen Y van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Zuidwest van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan de belanghebbende opgelegde aanslag inkomstebelasting/premie volksverzekeringen 1997.

De mondelinge behandeling

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 17 januari 2003 te A.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld van zijn gemachtigden, alsmede de Inspecteur, verbonden aan vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 31 januari 2003, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden voor de beslissing

1. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de belanghebbende te kennen gegeven zijn grief betrekking hebbende op de onzorgvuldige wijze waarmee de Inspecteur in onderhavige procedure te werk zou zijn gegaan te laten vallen.

2. In geschil is daarmede nog het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht geen zelfstandigenaftrek en startersaftrek aan de belanghebbende heeft toegestaan omdat deze niet als ondernemer in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) kan worden aangemerkt.

3. De belanghebbende stelt dat hij weliswaar in onderhavig jaar voor slechts één opdrachtgever, B B.V., heeft gewerkt, maar dat hierbij niet sprake is geweest van een gezagsverhouding noch dat hij zijn werkzaamheden niet zelfstandig zou hebben verricht. Voorts stelt hij eveneens dat door hem in onderhavig jaar wél debiteurenrisico is gelopen.

4. Van de zelfstandige uitoefening van een beroep, als bedoeld in artikel 6 van de Wet IB 1964, is sprake indien de belanghebbende de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt.

5. Gelet op feit dat de belanghebbende in onderhavig jaar slechts heeft gewerkt voor één opdrachtgever, hij zijn werkzaamheden voor deze opdrachtgever heeft verricht in één en dezelfde spuitcabine welke aan hem door deze opdrachtgever ter beschikking is gesteld, hij onderhoudswerkzaamheden aan de spuitcabine verrichtte in perioden dat er geen of onvoldoende spuitwerk was en hij eveneens niet gebruik heeft gemaakt van eigen verf, is het Hof van oordeel dat niet sprake is van het zelfstandig verrichten van een beroep door de belanghebbende. Hieraan doet niet af, dat de belanghebbende zelf zijn werktijden kon bepalen.

6. Voor het antwoord op de vraag of door de belanghebbende ondernemersrisico wordt gelopen is van belang of de belanghebbende voor de verwerving van opbrengsten afhankelijk is van het zelfstandig aantrekken en behouden van klanten. Nu de belanghebbende in het onderhavige jaar zijn spuitwerkzaamheden reeds sinds 1996 verricht voor slechts één en dezelfde opdrachtgever, welke hem sindsdien en in het onderhavige jaar na iedere opdracht tijdig met vaste regelmaat betaalde, is de belanghebbende naar het oordeel van het Hof in het onderhavige jaar niet afhankelijk geweest van het zelfstandig aantrekken en behouden van klanten.

7. Voorts is voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een onderneming van belang of door de belanghebbende bij de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de onderneming risico's van enige betekenis worden gelopen ter zake van investeringen in bedrijfsmiddelen of ter zake van debiteuren. Nu de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt investeringen van enige betekenis te hebben gedaan ter zake van de uitoefening van werkzaamheden voor de door hem gestelde onderneming en hij eveneens niet aannemelijk heeft gemaakt dat risico van enige betekenis bestond en in zo'n geval voor zijn rekening kwam ter zake van zijn enige met vaste regelmaat en tijdig betalende debiteur en opdrachtgever, B B.V., is het Hof van oordeel dat de belanghebbende in het onderhavige jaar geen ondernemersrisico heeft gelopen.

8. Gelet op vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat de belanghebbende niet kan worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 6 van de Wet IB 1964, maar dat de voordelen welke hij heeft genoten uit zijn spuitwerkzaamheden kwalificeren als inkomsten uit arbeid zoals bepaald in artikel 22, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 1964.

9. Aan het oordeel van het Hof doet niet af, dat de Inspecteur klaarblijkelijk per abuis, een toevoeging aan de FOR heeft toegestaan en de FOR niet geheel heeft laten vrijvallen, waardoor de aanslag eerder te laag dan te hoog is.

10. Voorts heeft de Inspecteur gesteld dat sprake zou zijn van een dienstbetrekking zoals bepaald in artikel 22, eerste lid, onderdeel a van de Wet IB 1964. Naar het oordeel van het Hof kan het antwoord op de vraag of sprake is van een dienstbetrekking, al dan niet op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de loonbelasting 1964, in het midden blijven, nu dit antwoord voor de onderhavige procedure niet doorslaggevend is.

11. Uit het vorenoverwogene volgt, dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

De proceskosten.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2003.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 februari 2003

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 43,50.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 174,00 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.